Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:2229

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-08-2016
Datum publicatie
02-08-2016
Zaaknummer
200.170.198/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep. Schadevergoeding wegens onrechtmatige pogingen om een paard in bewaring te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.170.198/01

Zaaknummer rechtbank : 303485 CV EXPL 12-5495

arrest van 2 augustus 2016

inzake

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante in het principaal appel,

verweerster in het incidenteel appel,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. L.A. Jansen te Oud-Beijerland,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. A.C.F. Mank-Zwerver te Joure.

Het geding

Voor het verloop van het geding tot aan 9 juni 2015 verwijst het hof naar het arrest van die datum. Bij dat arrest werd een comparitie van partijen gelast die op 8 september 2015 heeft plaatsgevonden en waarvan proces-verbaal is opgemaakt. [appellante] heeft vervolgens bij memorie van grieven met producties dertien grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord met producties heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden en tevens onder aanvoering van drie grieven incidenteel appel ingesteld en haar eis vermeerderd. [appellante] heeft hierop gereageerd bij memorie van antwoord in incidenteel appel.

Vervolgens is arrest bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep

De feiten

1.1

Het hof gaat uit van de volgende feiten:

a. Partijen hebben op 19 september 2010 een overeenkomst gesloten, waarbij [geïntimeerde] van [appellante] het paard “[X]” op huurkoopbasis heeft gekocht. Het paard “[X]” bevond zich sindsdien op de manege van [geïntimeerde].

Op 16 maart 2011 heeft [appellante], tezamen met drie anderen, getracht om zichzelf toegang te verschaffen tot de manege van [geïntimeerde] om (onder andere) het paard “[X]” mee te nemen. Het paard “[X]” is toen niet door [appellante] meegenomen. Op diezelfde dag heeft de vader van [geïntimeerde] (hierna: “vader [geïntimeerde]”) aangifte gedaan bij de politie van mishandeling door [appellante].

Bouw- en Aannemersbedrijf [E] heeft, op verzoek van [geïntimeerde], op 26 april 2011 aan haar een reparatieofferte toegezonden aangaande “Inbraakschade manege Arum”.

Op 17 oktober 2011 heeft [appellante] verlof van de voorzieningenrechter verkregen om beslag tot afgifte van het paard “[X]” te doen leggen en het in gerechtelijke bewaring te doen nemen. Op 24 oktober 2011 heeft [appellante] dit beslag daadwerkelijk doen leggen, maar het paard is toen niet in gerechtelijke bewaring genomen.

Op 22 november 2011 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden bij de rechtbank Leeuwarden met betrekking tot een verzoek van [geïntimeerde] om verlof tot eigenbeslag op het paard “[X]”. In het proces-verbaal van die zitting staat – voor zover van belang – het volgende:

“(…)

Na toelichting van de wederzijdse standpunten wordt afgesproken dat mr. Franken zich zal beraden over de vraag of hij namens [geïntimeerde] een kort geding zal entameren, in welk kader hij opheffing van het door [appellante] gelegde beslag tot afgifte (met benoeming van een bewaarder) zal vorderen.

(…)

[appellante] zegt desgevraagd toe dat zij tot een eventuele beslissing in kort geding het in geding zijnde paard niet ter bewaring zal (doen) ophalen.”

Op 28 november 2011 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Leeuwarden [geïntimeerde] verlof verleend tot het leggen van conservatoir beslag op het paard. Dat beslag is op 5 april 2012 daadwerkelijk gelegd.

Op 3 februari 2012 heeft de door [appellante] ingeschakelde deurwaarder een poging gedaan om het paard “[X]” in bewaring te nemen op grond van het aan [appellante] verleende beslagverlof van 17 oktober 2011. Het paard “[X]” is toen niet in bewaring genomen.

Bij vonnis in kort geding van 11 april 2012 van de rechtbank Leeuwarden heeft de voorzieningenrechter [appellante] verboden om gebruik te maken van het beslagverlof van de voorzieningenrechter van 17 oktober 2011, voor wat betreft het daarin verleende verlof tot gerechtelijke bewaring van het paard.

i. Bij arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, van 22 april 2014 is [appellante] vrijgesproken van (poging tot zware) mishandeling van vader [geïntimeerde] op 16 maart 2011.

De vordering, de beslissing van de rechtbank en het hoger beroep

2.1

In de procedure bij de rechtbank vorderde [geïntimeerde] – na vermindering van eis – veroordeling van [appellante] tot betaling aan haar van een bedrag van € 13.449,50 wegens door [geïntimeerde] geleden schade als gevolg van onrechtmatig handelen van [appellante], vermeerderd met (beslag)kosten. [geïntimeerde] stelde daartoe – kort samengevat – dat [appellante]:

(1) tezamen met 3 anderen heeft getracht in te breken in de manege van [geïntimeerde] op 16 maart 2011 waarbij zij schade heeft toegebracht, althans door haar toedoen schade is ontstaan, aan personen en zaken; en

(2) dat [appellante] ondanks een toezegging om dat niet te doen op 3 februari 2012 onrechtmatig heeft getracht het paard “[X]” in bewaring te stellen en dat [geïntimeerde] daardoor schade heeft geleden.

2.2

Bij het bestreden vonnis van 12 februari 2015 heeft de rechtbank de vordering van [geïntimeerde] toegewezen tot een bedrag van € 3.090,00 te vermeerderen met de (beslag)kosten tot een bedrag van € 1.898,43.

2.3

In principaal appel vordert [appellante] bij dagvaarding in hoger beroep: vernietiging van de bestreden vonnissen, afwijzing van de vordering van [geïntimeerde] en veroordeling van [geïntimeerde] om aan [appellante] terug te betalen al hetgeen zij ter uitvoering van de bestreden vonnissen heeft betaald aan [geïntimeerde], vermeerderd met de rente en kosten van beide procedures. Ten overvloede merkt het hof hier op dat [appellante] bij memorie van grieven weliswaar niet geconcludeerd heeft tot terugbetaling door [geïntimeerde], maar dat het hof uit zal gaan van hetgeen door [appellante] is gevorderd bij dagvaarding in hoger beroep, nu niet is gebleken dat [appellante] heeft bedoeld haar eis bij memorie van grieven te verminderen.

2.4

In incidenteel appel vordert [geïntimeerde] vernietiging van de bestreden vonnissen, en opnieuw rechtdoende hetgeen de rechtbank in eerste aanleg heeft toegewezen opnieuw toe te wijzen en daarnaast [appellante] te veroordelen om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 1.050,00 (schade ter zake van de los gelaten paarden); € 600,00 (schade ter zake vernieling kippen-, konijnenhok en toegangshek); € 8.649,50 (totale beveiligingskosten, waarvan € 1.100,00 is toegewezen in eerste aanleg) en – na vermeerdering van eis – € 1.066,00 (ter zake een factuur van mr. Franken d.d. 21 februari 2012), te vermeerderen met de (na)kosten.

De grieven in principaal appel en grief III in incidenteel appel

Grief I

3.1

Deze grief richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat in deze procedure voor ligt de vraag of door [appellante] en de haar vergezellende personen, “(…) op 16 maart 2013 de door eiseres gestelde schade is toegebracht (…)”. [appellante] voert aan dat dit een verschrijving betreft van de rechtbank en dat het gaat om 16 maart 2011. [geïntimeerde] beaamt dit.

3.2

Gelet op het feit dat het hof hiervoor bij de feitenvaststelling is uitgegaan van de datum 16 maart 2011, heeft [appellante] geen belang bij deze grief.

Grief II, III, VIII, IX, X en XII

4.1

Deze grieven zijn – samengevat – gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellante] vader [geïntimeerde] heeft geslagen met een stok (en dat [geïntimeerde] daartoe een bewijsopdracht kreeg), dat vader [geïntimeerde] daardoor zijn stalwerkzaamheden niet kon uitoefenen voor een periode van 3,5 week en dat [geïntimeerde] als gevolg daarvan schade heeft geleden omdat zij een derde moest inschakelen om die stalwerkzaamheden uit te voeren, welke schade door de rechtbank is toegewezen tot een bedrag van € 1.225,00.

4.2

[appellante] betwist niet alleen dat zij vader [geïntimeerde] heeft geslagen, maar ook dat [geïntimeerde] hierdoor schade heeft geleden. [appellante] heeft meer in het bijzonder in grief XII aan de hand van een e-mail van [S] aan de advocaat van [appellante] van 9 september 2015 gemotiveerd betwist dat [S] tegen betaling werkzaamheden voor [geïntimeerde] heeft verricht en dat deze nodig waren geworden door het gestelde onrechtmatig handelen van [appellante]. In die e‑mail (productie 15 bij Memorie van Grieven) schrijft [S] (voor zover van belang):

bij deze meld ik u dat de factuur die u mij gemaild heb niet van mij afkomstig is (…) dit bedrag is ook nooit aan mij betaald.”

4.3

Het hof oordeelt als volgt. [geïntimeerde] vordert geleden schade van [appellante] in de vorm van gemaakte kosten als gevolg van het inschakelen van een derde om de werkzaamheden van vader [geïntimeerde] over te nemen. [geïntimeerde] stelt daartoe dat zij een bedrag van € 1.225,00 heeft betaald aan [S] om de stalwerkzaamheden van vader uit te voeren. [geïntimeerde] onderbouwt deze schade aan de hand van (1) een factuur van [S]; (2) een begeleidende mail van [S] daarbij; en (3) een verrekeningsoverzicht waarin het bedrag van € 1.225,00 is verrekend met vorderingen die [geïntimeerde] op [S] had in verband met het stallen van een pony van hem.

4.4

Omdat de stukken waarop partijen zich over en weer beroepen elkaar tegenspreken, dient [geïntimeerde], op wie ingevolge artikel 150 Rv de bewijslast rust, te bewijzen dat de gestelde kosten zijn gemaakt. Om in hoger beroep echter tot getuigenbewijs te worden toegelaten, dient een partij voldoende specifiek bewijs aan te bieden van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden. Omdat [geïntimeerde] geen bewijsaanbod heeft gedaan dat zich specifiek richt op de (betaling van de) factuur van [S], wordt [geïntimeerde] niet tot bewijslevering toegelaten.

4.5

Het hof oordeelt, gelet op de gemotiveerde betwisting door [appellante] van dit deel van de vordering van [geïntimeerde] en het feit dat er geen specifiek bewijsaanbod is gedaan ten aanzien hiervan, dat dit deel van de vordering moet worden afgewezen. Grief XII slaagt derhalve. Gelet daarop heeft [appellante] geen belang bij de behandeling van grieven II, III, VIII, IX en X, omdat die – voor zover die grieven slagen – niet kunnen leiden tot een voor haar ander resultaat.

Grief IV en V

5.1

De grieven IV en V richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellante] op 22 november 2011 tijdens de behandeling van een door [geïntimeerde] ingediend beslagrekest, toegezegd zou hebben dat zij het paard “[X]” niet ter bewaring zou (doen) ophalen in afwachting van de uitkomst van het kort geding aangaande het beslagverlof dat aan [appellante] was verstrekt, welk kort geding [geïntimeerde] op dat moment nog aanhangig moest maken. Volgens de rechtbank stond het [geïntimeerde], gelet op de toezegging van [appellante], vrij om maatregelen te treffen toen [appellante] op 3 februari 2012 desondanks probeerde het paard “[X]” in bewaring te nemen, als gevolg waarvan [geïntimeerde] een aantal paardrijlessen moest afzeggen, welke schade door de rechtbank is toegewezen tot een bedrag van € 415,00.

5.2

[appellante] betwist gemotiveerd dat [geïntimeerde] lessen heeft moeten afzeggen vanwege de poging tot inbewaringstelling van het paard “[X]”. [appellante] voert aan dat de lessen zijn afgezegd door [geïntimeerde] vanwege de slechte weersomstandigheden op 3 februari 2012. Zij verwijst daarvoor onder andere naar een uitdraai van NOS-artikelen van die dag (productie 10 bij Memorie van Grieven), waaruit volgt dat er in grote delen van Nederland sprake was van zeer slechte weersomstandigheden.

5.3

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gesteld dat zij door de poging tot inbewaringstelling van het paard “[X]” dusdanig in beslag werd genomen dat zij de lessen voor die middag moest afbellen. Ter onderbouwing daarvan overlegde zij een pagina van haar agenda met aantekeningen (productie 15 bij Conclusie van Repliek in eerste aanleg). Op die pagina staat bij 3 februari 2012 geschreven:

“(…) Deurw. Pd. + Trailer mensen Heavy ophalen. Franken geweest alle lessen afgebeld -10 -15 + 831 Km. File + dik pak sneeuw. (…)”

5.4

Ook uit die aantekening volgt derhalve dat er sprake was van zeer slechte weersomstandigheden op 3 februari 2012. Uit de voornoemde aantekening volgt voorts niet of de reden voor het afzeggen van de lessen het zeer slechte weer was, of de poging van [appellante] tot het in bewaring nemen van het paard “[X]”. Gelet op de gemotiveerde betwisting van dat laatste door [appellante] heeft [geïntimeerde] haar stelling dat de lessen zijn afgezegd in verband met de poging tot het in bewaring nemen van “[X]”, onvoldoende onderbouwd omdat het afzeggen ook kan hebben plaatsgevonden vanwege het slechte weer. Het hof oordeelt daarom dat de vordering van [geïntimeerde] tot veroordeling van [appellante] tot betaling van de door haar geleden schade als gevolg van het moeten afzeggen van lessen op 3 februari 2012, moet worden afgewezen. Grief V slaagt derhalve.

5.5

Gelet op het feit dat grief V slaagt, heeft [appellante] geen belang bij de behandeling van grief IV, nu deze – voor zover deze grief slaagt – niet kan leiden tot een voor haar ander resultaat.

Grief VI, VII en XI

6.1

Deze grieven richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellante] heeft geprobeerd met geweld binnen te komen in de manege van [geïntimeerde] op 16 maart 2011 en dat [appellante] daarbij deuren en klinken heeft beschadigd, voor welke schade [appellante] aansprakelijk is en welke schade door de rechtbank is begroot op een bedrag van € 350,00.

6.2

[appellante] voert – samengevat – aan dat zij is vrijgesproken in de strafzaak, dat zij geen geweld heeft gebruikt waardoor deuren en klinken beschadigd zijn en dat er telkens grote verschillen zijn tussen de politie- en getuigenverklaringen over het geweld dat [appellante] volgens [geïntimeerde] gebruikt zou hebben. Daarnaast zou een nieuwe deurklink volgens [appellante] slechts € 11,34 kosten.

6.3

Het hof stelt voorop dat de civiele rechter niet gebonden is aan het oordeel van de strafrechter dat een bepaald feit niet bewezen wordt verklaard. Dat [appellante] is vrijgesproken in de strafzaak, neemt daarom niet weg dat de civiele rechter tot het oordeel kan komen dat de gestelde onrechtmatige daad is gepleegd.

6.4

In haar politie- en haar getuigenverklaring heeft [geïntimeerde] – voor zover van belang – respectievelijk als volgt verklaard:

“(…) Ik hoorde dat er tegen de deur werd getrapt. Ik hoorde even later dat er bij een andere deur ook werd geprobeerd deze te openen. (…)”

“(…) Ik hoorde deurklinken krakken en tegen de deur aan schoppen. (…).”

6.5

In haar politie- en haar getuigenverklaring heeft de zus van [geïntimeerde] – voor zover van belang – respectievelijk als volgt verklaard:

“(…) Ik zag achter in de manege de deur open gaan dit is van binnen uit links achter. Ik hoorde dat dit met veel geweld gepaard ging. (…)”

“(…) Ik hoorde dat iemand met iets hards tegen de nooddeuren bonkte. (…) Er was zoveel gebeurd: van de nooddeur waren de scharnieren los en er stond een voetafdruk op; van de schuifdeur was een stuk hout afgebroken (…)”

6.6

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] is geslaagd in het leveren van bewijs van haar stelling dat [appellante] met geweld geschopt heeft tegen deuren van de manege en dat daarbij deuren en klinken zijn beschadigd. De verklaringen afgelegd bij de politie en de getuigenverklaringen zijn daarover voldoende consistent en op de foto’s bij het proces-verbaal van de politie zijn twee voetafdrukken te zien ter hoogte van een kapotte deurklink. Welke relevante grote verschillen er zouden zijn tussen de politie- en getuigenverklaringen is door [appellante] tevens niet nader gemotiveerd en daarvan is het hof ook niet gebleken.

6.7

Aan de hand van de foto’s, de getuigenverklaringen en de reparatieofferte van [E] heeft [geïntimeerde] daarnaast voldoende onderbouwd gesteld dat de schade uit meer bestaat dan een enkele beschadigde deurklink en wat de hoogte van die schade is. [appellante] heeft voor het overige niet aangevoerd dat de offerte van [E] buitensporig hoog zou zijn. De rechtbank heeft reeds een “nieuw voor oud”-korting toegepast, en [appellante] heeft niet gemotiveerd gesteld dat het door haar gestelde achterstallig onderhoud een verdere korting rechtvaardigt. De grieven VI, VII en XI falen derhalve.

Grief XIII in principaal appel en grief III in incidenteel appel

7.1

Grief XIII in principaal appel richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de door [geïntimeerde] gestelde beveiligingskosten, redelijkerwijs als gevolg van de gedragingen van [appellante] en het door haar gebruikte geweld, aan haar kunnen worden toegerekend.

7.2

[appellante] voert daartoe aan dat zij geen geweld heeft gebruikt en dat de beveiligingswerkzaamheden zouden zijn uitgevoerd door het bedrijf van de zus van [geïntimeerde], zodat deze ook kosteloos hadden kunnen plaatsvinden. Daarnaast zouden er geen betalingsbewijzen zijn overgelegd.

7.3

Grief III in incidenteel appel richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat aangaande de beveiliging van 26 dagen daarvan redelijkerwijs 5 nachten à 8 uur kan worden toegewezen als schade, welke schade dan € 1.100,00 bedraagt, (mede) omdat [geïntimeerde] onvoldoende gesteld heeft om de beveiliging voor de duur van 26 dagen te rechtvaardigen en onvoldoende onderbouwd heeft dat er ook daadwerkelijk 26 dagen lang is beveiligd.

7.4

[geïntimeerde] voert aan dat de beveiliging door de politie is geadviseerd, mede omdat men ervan overtuigd was dat [appellante] terug zou komen om de pony “[Y]” te vernietigen: een paard dat volgens [geïntimeerde] gestolen was door [appellante] en welke in een strafzaak tegen [appellante] als bewijs moest dienen. Daarnaast voert [geïntimeerde] aan dat het niet mogelijk is voor haar om alle dagrapportages van de beveiliging te achterhalen.

7.5

Hiervoor heeft het hof reeds geoordeeld dat zij de rechtbank volgt in haar oordeel dat [appellante] geweld heeft gebruikt toen zij op 16 maart 2011 probeerde het paard “[X]” mee te nemen. Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat, gelet op het door [appellante] gebruikte geweld en het gegeven dat zij het paard “[X]” terug wilde, het inschakelen van beveiliging door [geïntimeerde] redelijkerwijs aan [appellante] valt toe te rekenen als gevolg van haar gedragingen (r.o. 23 van het vonnis van 12 februari 2015).

7.6

Dat het door [geïntimeerde] ingeschakelde beveiligingsbedrijf het bedrijf zou zijn van de zus van [geïntimeerde] staat – voor zover die stelling gevolgd zou worden – er niet aan in de weg dat het beveiligingsbedrijf voor door haar uitgevoerde werkzaamheden voor de manege redelijke kosten in rekening mag brengen.

7.7

Dat er beveiliging heeft plaatsgevonden van de manege, voor in elk geval een kortere periode dan 26 dagen, heeft [geïntimeerde] daarnaast voldoende onderbouwd aan de hand van de door haar overgelegde dagrapportage. Dat er beveiligingskosten zijn gemaakt is daarmee aannemelijk. Het ontbreken van de betalingsbewijzen doet daar niet aan af. Het hof onderschrijft voorts het oordeel van de rechtbank dat daarentegen niet voldoende is onderbouwd door [geïntimeerde] dat er voor 26 dagen lang beveiligingskosten moesten worden gemaakt.

7.8

Deze grieven falen derhalve.

De overige grieven in incidenteel appel

Grief I

8.1

Deze grief richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat niet is bewezen dat de twee paarden die op 16 maart 2011 zijn losgelaten door [G] (die mee was gekomen met [appellante]), de door [geïntimeerde] gestelde schade hebben aangebracht aan palen, schrikdraad en de omheining van de manege.

8.2

In haar getuigenverklaring heeft [geïntimeerde] – voor zover van belang – verklaard:

“(…) Paarden hebben meters schrikdraad door het weiland meegenomen waardoor palen zijn om geknakt en de omheining is beschadigd. (…)”

8.3

In haar getuigenverklaring heeft de zus van [geïntimeerde] – voor zover van belang – verklaard:

“(…) Op een gegeven moment zag ik aan de voorkant van het parkeerterrein 2 losgebroken paarden. (…) Ik heb niet gezien hoe die 2 paarden daar kwamen. (…) diverse palen van de afrastering waren afgebroken (…).”

8.4

In zijn getuigenverklaring heeft [getuige] – voor zover van belang – verklaard:

“(…) De 2 heren hebben de deuren van de container geopend en de paarden eruit gejaagd. Deze zijn in paniek dwars door de draden gedenderd (…). Daarbij hoorde ik paaltjes af breken en het is dus onvermijdelijk dat er schade is ontstaan. (…) Aan de voorkant van de manege zag ik dat het houten hek plat lag. (…).”

8.5

Het hof oordeelt dat die getuigenverklaringen van [geïntimeerde], haar zus en [getuige] voldoende consistent zijn voor wat betreft de stelling van [geïntimeerde] dat de twee paarden die zijn losgelaten door [G], schade hebben aangebracht aan de omheining van de manege. Daarnaast heeft [geïntimeerde] aan de hand van de door haar overgelegde uitdraai van haar computer (productie 11 en 12 bij memorie van antwoord) voldoende onderbouwd gesteld dat de foto’s, waarop voornoemde schade is te zien, zijn gemaakt op 16 maart 2011. Uit die uitdraai volgt immers dat de foto’s op 18 maart 2011 op de computer van [geïntimeerde] zijn gezet, wat dusdanig recent is na 16 maart 2011 dat daarmee voldoende bewezen is dat de schade op de foto’s de schade betreft die door de getuigen is beschreven.

Deze grief slaagt om die reden.

8.6

Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat [G] niets te zoeken had bij de paarden van [geïntimeerde] (r.o. 7 van het vonnis van de rechtbank van 12 februari 2015) en oordeelt dat [G] daarom onrechtmatig heeft gehandeld door paarden uit de box los te laten. [appellante] heeft voorts niet betwist dat zij voor het handelen van [G] aansprakelijk is.

8.7

[geïntimeerde] heeft de hoogte van de geleden schade voorts onderbouwd aan de hand van een reparatiefactuur van [het klussenbedrijf] (productie 5b bij dagvaarding) en vordert van die factuur de reparatieposten “omheining vernieuwd 60 meter gaas” à € 400,00, “schapengaas” à € 200,00, “spanningskast en 80 meter schrikdraad” à € 250,00 en “werkloon” voor een bedrag van € 200,00, derhalve in totaal € 1.050,00 (excl. BTW). Dat [geïntimeerde] volgens [appellante] ook zelf het gaas had kunnen vervangen, doet er – voor zover die stelling gevolgd zou worden – niet aan af dat het [geïntimeerde] ook vrijstond om voor die werkzaamheden een derde in te schakelen, mits de kosten daarvoor niet onredelijk zijn.

8.8

Dat, zoals door [appellante] bij conclusie van antwoord is aangevoerd, in de factuur van [het klussenbedrijf] geen BTW-nummer staat genoemd, er gevraagd wordt contant te betalen en dat [het klussenbedrijf] haar activiteiten zou hebben gestaakt op 1 juni 2009, doet er niet aan af dat [geïntimeerde] schade heeft geleden en dat de begroting van de schade in de factuur van [het klussenbedrijf] niet door [appellante] is betwist en het hof niet onredelijk voor komt. Door [appellante] is bij conclusie van antwoord voorts aangevoerd dat het haar onduidelijk is waarom er vele meters gaas en schrikdraad moest worden vervangen. Het hof acht echter aannemelijk dat gaas en schrikdraad doorgaans één groot geheel zijn en dat het gaas of schrikdraad daarom bij beschadiging daarvan op bepaalde plekken, niet anders dan in grote delen (of in het geheel) vervangen kan worden.

8.9

Gelet op het voorgaande volgt het hof de begroting van de schade van [geïntimeerde] en zal [appellante] worden veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 1.050,00 ter zake schade als gevolg van het loslaten van twee paarden.

Grief II

9.1

Deze grief richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] niet heeft bewezen dat [appellante] en haar gevolg schade hebben aangebracht aan het toegangshek en het kippen- en konijnenhok van [geïntimeerde].

9.2

Blijkens de politie- en getuigenverklaringen is door niemand gezien dat [appellante] en gevolg deze schade hebben toegebracht. [appellante] en [G] verklaren voorts geen kippen- of konijnenhok te hebben gezien en de getuigenverklaringen over het toegangshek lopen uiteen. Met de rechtbank is het hof daarom van oordeel dat [geïntimeerde] niet heeft bewezen dat deze schade door [appellante] en haar gevolg is aangebracht. Nu [geïntimeerde] in hoger beroep geen specifiek bewijsaanbod heeft gedaan aangaande haar stelling dat [appellante] en haar gevolg schade hebben veroorzaakt aan het toegangshek en het kippen- en konijnenhok, zal [geïntimeerde] niet worden toegelaten tot bewijs. De grief faalt derhalve.

Eisvermeerdering

10.1

[geïntimeerde] stelt dat op 3 februari 2012, toen de door [appellante] ingeschakelde deurwaarder poogde het paard “[X]” in bewaring te stellen, de advocaat van [geïntimeerde] (mr. Franken) langs moest komen om de beslagpoging te voorkomen en dat daarvoor een bedrag van € 1.066,00 (excl. BTW) in rekening is gebracht bij [geïntimeerde], welke factuur door [geïntimeerde] is overgelegd als productie 6 bij memorie van antwoord en welke schade zij vordert van [appellante]. Op de factuur staat – voor zover van belang – het volgende:

“(…) Wegens mijn bemoeiingen inzake opgemeld, zéér spoedeisende werkzaamheden op vrijdag 3 februari 2012 i.v.m. beslagpoging [appellante], reis naar Arum, overleg met deurwaarder en met cliënte; voorbereidende werkzaamheden executie-geschil (kort geding) (…);

10.2

[appellante] voert daar tegen aan dat deze gevorderde advocaatkosten reeds in de proceskostenveroordeling zijn opgenomen.

10.3

Het hof oordeelt als volgt. De door [geïntimeerde] gevorderde advocaatkosten betreffen geen proceskosten, omdat zij niet direct betrekking hebben op een gerechtelijke procedure. Zodoende zijn zij ook niet opgenomen in de proceskostenveroordeling. Voorts geldt dat als vermogensschade mede voor vergoeding in aanmerking komen de redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade die als gevolg van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, mochten worden verwacht (artikel 6:96 lid 2 BW, aanhef en onder b). De rechtbank heeft geoordeeld dat de poging tot inbewaringstelling van het paard “[X]” op 3 februari 2012 onrechtmatig was en hiervoor is reeds geoordeeld dat de grieven van [appellante] tegen dit oordeel niet slagen. In beginsel komt daarom de vermogensschade die [geïntimeerde] lijdt als gevolg van dit onrechtmatig handelen van [appellante], voor vergoeding in aanmerking. Dat er (tot een redelijke hoogte) advocaatkosten worden gemaakt om te trachten de schade te voorkomen die kan ontstaan door een onrechtmatige beslagpoging, is schade die mag worden verwacht door de onrechtmatige beslaglegger en welke dus op grond van artikel 6:96 lid 2 BW aanhef en onder b, voor vergoeding in aanmerking komt.

10.4

Uit de overgelegde factuur volgt niet welk deel van de factuur betrekking heeft op de bemoeiingen van de advocaat inzake de poging tot inbewaringstelling door [appellante] en welk deel betrekking heeft op de voorbereidende werkzaamheden voor het executiegeschil. Redelijkerwijs kunnen beide posten ongeveer evenveel tijd van een advocaat vergen, zodat het hof de schade van [geïntimeerde] begroot op 50% van het factuurbedrag, te weten € 533,00 (excl. BTW). De vordering zal voor dat bedrag worden toegewezen.

Slotsom en kosten

11.1

Gezien het slagen van grief V en XII in principaal appel, het slagen van grief I in incidenteel appel, en het feit dat de vordering waarmee [geïntimeerde] haar eis heeft vermeerderd deels zal worden toegewezen, zullen de bestreden vonnissen worden vernietigd.

11.2

Opnieuw rechtdoende zal het hof, met afwijzing van het overige, [appellante] veroordelen om te betalen aan [geïntimeerde]:

  • -

    Aan deuren toegebrachte schade: € 350,00

  • -

    Beveiligingskosten: € 1.100,00

  • -

    Aan de omheining (e.d.) toegebrachte schade: € 1.050,00

  • -

    Advocaatkosten [geïntimeerde] 3 februari 2012: € 533,00

Totaal € 3.033,00

11.3

Nu partijen zowel in principaal appel als in incidenteel appel over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd zoals hierna in het dictum is vermeld. De proceskostenveroordeling voor de procedure in eerste aanleg laat het hof in stand, nu in die procedure [appellante] grotendeels in het ongelijk is gesteld en het appel dat niet veranderd heeft.

11.4

Omdat door [geïntimeerde] niet is betwist dat [appellante] heeft voldaan aan de veroordelingen van de rechtbank en [appellante] door het hof zal worden veroordeeld tot een lager bedrag dan welke door de rechtbank is toegewezen, zal de vordering van [appellante] tot terugbetaling van het meerdere worden toegewezen en zal de vordering van [geïntimeerde] tot veroordeling van [appellante] in de nakosten worden afgewezen, omdat [geïntimeerde] geen nakosten hoeft te maken.

11.5

Voor zover het dictum van dit arrest executeerbare beslissingen betreft, zal de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan worden toegewezen.

Beslissing

Het gerechtshof

in principaal en incidenteel appel:

- vernietigt de tussen partijen gewezen vonnissen van de rechtbank Rotterdam van 15 augustus 2013 en 12 februari 2015;

en opnieuw rechtdoende:

- veroordeelt [appellante] om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 3.033,00;

- veroordeelt [appellante] in de kosten van de procedure in eerste aanleg, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 1.898,43;

- veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling aan [appellante] van hetgeen [appellante] ter uitvoering van de tussen partijen gewezen vonnissen van de rechtbank Rotterdam van 15 augustus 2013 en 12 februari 2015 aan [geïntimeerde] meer heeft betaald dan waartoe [appellante] in dit arrest wordt veroordeeld, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de betaling;

- verklaart dit arrest tot zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

- compenseert de kosten in hoger beroep in die zin dat ieder de eigen kosten draagt;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.J. van der Helm, M.P.J. Ruijpers en L. Daum en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 augustus 2016 in aanwezigheid van de griffier.