Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:2213

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-07-2016
Datum publicatie
20-07-2016
Zaaknummer
BK-16/00003
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is, evenals in eerste aanleg, in geschil of de correctie van € 159.173 (de correctie) terecht is aangebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1694
V-N 2016/57.6 met annotatie van Redactie
FutD 2016-1844
NTFR 2016/2152 met annotatie van Mr. H. Lohuis
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-16/00003

Uitspraak d.d. 12 juli 2016

in het geding tussen:

[X] B.V., gevestigd te [Z] , belanghebbende,

en

de Inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Hoofddorp, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (hierna: Rechtbank) van 17 november 2015, nummer SGR 15/1732, betreffende navermelde aanslag en beschikking.

Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2011 een aanslag opgelegd in de vennootschapsbelasting, berekend naar een belastbaar bedrag van € 33.674, waarbij impliciet het verlies van dit jaar is vastgesteld op nihil. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 598 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag, de verliesvaststellingsbeschikking en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 503. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 31 mei 2016, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

In hoger beroep is, op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1.

[Y] (hierna: [Y] ) was in het onderhavige jaar enig aandeelhouder en als bestuurder in loondienst van belanghebbende. [Y] is eigenaar en bewoner van het pand [A] te [Z] . Dit is een eigen woning in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 2001. De WOZ-waarde van de woning bedraagt € 945.000 en de eigenwoningschuld ultimo 2011 bedraagt € 1.229.036.

3.2.

Ten behoeve van de financiering van de woning heeft belanghebbende aan [Y] na te melden leningen verstrekt. Deze kwalificeren als personeelslening in de zin van artikel 13, lid 3, onderdeel c, van de Wet op de loonbelasting 1964.

3.3.

Belanghebbende en [Y] hebben op 4 januari 2010 een overeenkomst van geldlening gesloten waarin belanghebbende en [Y] zijn aangeduid als respectievelijk 'schuldeiser' en 'schuldenaar'. In de overeenkomst is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 1

De schuldenaar is wegens ter leen ontvangen gelden aan de schuldeiser een bedrag verschuldigd van € 150.000, zulks onder de hierna overeen te komen voorwaarden en bedingen. (…)

Artikel 2

De schuldenaar is aan de schuldeiser over het ter leen verstrekte bedrag geen rente verschuldigd zolang er een actieve arbeidsverhouding is tussen schuldenaar en schuldeiser. Nadien treden schuldenaar en schuldeiser in overleg omtrent een verschuldigde rente.

Artikel 3

De lening heeft een looptijd van 30 jaar. (…)"

3.4.

Op diezelfde dag, 4 januari 2010, heeft [Y] tevens een bedrag van € 200.000 geleend van een 100 percent dochtervennootschap van belanghebbende, [B] B.V. Deze lening is eveneens verstrekt ter financiering van de eigen woning. Het betreft een rentedragende schuld.

3.5.

Bij overeenkomst van 27 december 2011 heeft [Y] de schuld aan [B] B.V. afgelost en hebben belanghebbende en [Y] een aanvullende overeenkomst van geldlening gesloten waarin onder meer het volgende staat vermeld:

"Overwegende:

Dat de schuldenaar blijkens een op 4 januari 2010 ondertekende akte een rentedragende schuld heeft aan [B] B.V (de dochtervennootschap van schuldeiser) ten bedrage van € 200.000. Dat deze lening indertijd is verstrekt ter financiering van de eigen woning. Dat schuldenaar deze rentedragende schuld wenst af te lossen en te herfinancieren bij schuldenaar.

Zijn overeengekomen als volgt:

Schuldeiser verstrekt een aanvullende financiering ad € 200.000 onder gelijke voorwaarden als opgenomen in de overeenkomst van geldlening d.d. 4 januari 2010. Dat hiermee tevens de resterende kredietruimte ad € 50.000 (als bedoeld in artikel 1 van voornoemde overeenkomst van geldlening is benut). Dat vanaf 31 december 2011 de totale renteloze lening € 300.000 bedraagt.

Schuldeiser verklaart hierbij namens naar dochtervennootschap, [B] B.V., dat de door laatstgenoemde vennootschap verstrekte lening ad € 200.000 is afgelost en dat [B] B.V. te dezen niets meer te vorderen heeft van schuldenaar."

3.6.

Belanghebbende heeft de vordering in verband met de hiervoor vermelde lening van nominaal € 300.000 (de lening) op de eindbalans 2011 gewaardeerd op € 140.827. In haar aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2011 heeft belanghebbende in verband daarmee een bedrag van € 159.173 ten laste van haar winst gebracht. De Inspecteur heeft de afwaardering van de vordering niet geaccepteerd en gecorrigeerd bij de aanslagregeling.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

In hoger beroep is, evenals in eerste aanleg, in geschil of de correctie van € 159.173 (de correctie) terecht is aangebracht.

4.2.

Belanghebbende neemt het standpunt in dat op grond van goed koopmansgebruik (het voorzichtigheidsbeginsel) de vordering te zake van de lening op de contante waarde, volgens belanghebbende € 140.827, gewaardeerd moet worden.

4.3.

De Inspecteur heeft het standpunt van belanghebbende gemotiveerd betwist.

4.4.

Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, wordt verwezen naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar bedrag van nihil en tot vaststelling van een verlies ten bedrage van € 125.499.

5.2.

De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Oordeel van de Rechtbank

6. De Rechtbank heeft omtrent het geschil het volgende overwogen:

"7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de Inspecteur] de correctie terecht aangebracht. De renteloosheid van de lening maakt onderdeel uit van het arbeidsvoorwaardenpakket van de bestuurder. Tegenover het niet hoeven betalen van rente door de bestuurder staan de arbeidsprestaties van diezelfde bestuurder voor [belanghebbende]. De bestuurder is geen rente verschuldigd zolang er een actieve arbeidsverhouding bestaat tussen bestuurder en [belanghebbende]. [Belanghebbende] en haar bestuurder zijn in plaats van een geldelijke vergoeding derhalve een andere - zakelijke - tegenprestatie voor het verstrekken van de lening overeengekomen. Gelet hierop heeft [belanghebbende] ten onrechte een verlies in verband met de vordering in aanmerking genomen.

8. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren."

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

Goed koopmansgebruik vereist dat een tot het ondernemingsvermogen behorende vordering ter zake waarvan geen rente is bedongen en die pas na verloop van enige jaren opeisbaar is, op de eindbalans van enig boekjaar wordt gewaardeerd op de contante waarde, indien het verschil tussen de nominale waarde en de contante waarde aanzienlijk is, tenzij er redenen zijn om hierop een inbreuk te maken (vgl. Hoge Raad 6 december 2000, nr. 35.997, ECLI:NL:HR:2000:AA8866, BNB 2001/85).

7.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de lening onderdeel uitmaakt van het arbeidsvoorwaardenpakket van [Y] , dat de renteloosheid ervan voortduurt zolang sprake is van een actieve arbeidsverhouding tussen belanghebbende en [Y] en dat schuldeiser en schuldenaar daarna in overleg treden omtrent een verschuldigde rente. Derhalve moet worden geoordeeld dat tegenover het renteloos verschaffen van de lening een doorlopende tegenprestatie is bedongen, waarbij [Y] in plaats van rente te betalen, arbeid dient te verrichten en waarbij zij zijn overeengekomen dat indien geen sprake meer is van een actieve arbeidsverhouding in overleg zal worden getreden omtrent een verschuldigde rente.

7.3.

Reeds gelet op hetgeen tussen partijen in het onderhavige geval is overeengekomen mist de hiervoor vermelde regel toepassing. De waarde van de arbeid die door het ter beschikking stellen van de lening wordt gegenereerd, wordt tussen belanghebbende en [Y] als zakelijk beoordeeld – hetgeen door de Inspecteur in zijn primaire standpunt niet is bestreden – zodat ervan moet worden uitgegaan dat de waarde van die arbeid gelijk is aan de waarde van een normaal te bedingen rente, hetgeen waardering van de vordering op nominale waarde rechtvaardigt. Gelijk de Rechtbank heeft geoordeeld zijn belanghebbende en [Y] derhalve een andere – zakelijke – tegenprestatie voor het verstrekken van de geldlening overeengekomen dan het betalen van rente. Gelet hierop heeft belanghebbende ten onrechte een verlies in verband met de vordering in aanmerking genomen.

Proceskosten

Er zijn geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het hoger beroep ongegrond.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, E.M. Vrouwenvelder en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.S.H.M. Strik. De beslissing is op 12 juli 2016 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.