Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:2210

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
04-07-2016
Datum publicatie
20-07-2016
Zaaknummer
BK-15/00905
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:7679, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1677
Belastingblad 2016/380
V-N 2016/47.19.9
FutD 2016-1936
NTFR 2016/2019
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

enkelvoudige kamer

nummer BK-15/00905

Uitspraak van 4 juli 2016

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, de Heffingsambtenaar,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (hierna: de Rechtbank) van 2 juli 2015, nummer SGR 15/955, betreffende de onder 1.1 vermelde naheffingsaanslag.

Naheffingsaanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

Aan belanghebbende is op 11 oktober 2014 een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Den Haag opgelegd ten bedrage van € 59. De nageheven parkeerbelasting bedraagt € 1 en de kosten ter zake van het opleggen van de naheffingsaanslag bedragen € 58.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 123. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 23 mei 2016, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

In hoger beroep is, op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan.

3.1.

Op 11 oktober 2014 om 01:07 uur heeft een parkeercontroleur geconstateerd dat aan de [Y] nabij nummer […] te Den Haag de auto met het kenteken [A] stond geparkeerd zonder geldig parkeerkaartje of geldige parkeervergunning.

3.2.

Naar aanleiding daarvan is aan belanghebbende, als houder van het voertuig, de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd.

3.3.

De gemachtigde van belanghebbende had ten tijde van het geconstateerde parkeren de feitelijke beschikking over het betrokken voertuig.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

In geschil is of de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd.

4.2.

Belanghebbende beantwoordt de voormelde vraag ontkennend. De Heffingsambtenaar is de tegenovergestelde mening toegedaan.

4.3.

Voor de onderbouwing van de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding.

Conclusies van partijen

5.1.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, alsmede van de uitspraak van de Heffingsambtenaar en tot vernietiging van de naheffingsaanslag.

5.2.

De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Oordeel van de Rechtbank

6. De Rechtbank heeft omtrent het geschil - voor zover hier van belang - het volgende overwogen:

"6. Uit artikel 225, vijfde lid, van de Gemeentewet blijkt dat, zolang geen voldoening van de parkeerbelasting heeft plaatsgevonden, de houder van het voertuig wordt aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd. Als houder wordt aangemerkt degene op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken ten tijde van het parkeren in het kentekenregister was ingeschreven. Nu niet [B] maar [X] als houder van de auto in het kentekenregister staat ingeschreven is de aanslag terecht aan [belanghebbende] opgelegd.

(…)

9. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Verordening parkeerbelastingen 2008 is de parkeerbelasting verschuldigd bij de aanvang van het parkeren. Wanneer belasting die op aangifte behoort te worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan deze op de voet van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen worden nageheven. Vaststaat dat de voor het parkeren op 24 november 2013 [Hof; kennelijk is bedoeld: 11 oktober 2014] verschuldigde parkeerbelasting niet bij de aanvang van het parkeren is betaald.

10. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak heeft de parkeerder een onderzoeksplicht voorafgaande aan het parkeren, zowel terzake de vraag of voor de plaats waar hij wil parkeren een parkeerbelasting geldt, als voor de voorwaarden daarvan, zoals duurbeperkingen, betaalwijzen en tarieven. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam, 14 juni 2013, ECLI:NL:GHAMS:2012:BW8715. Een parkeerder dient zich alvorens over te gaan tot parkeren op de hoogte te stellen van de plaatselijke voorschriften met betrekking tot het parkeren.

11. De rechtbank is van oordeel dat het voldoende kenbaar moet zijn geweest dat in de [Y] betaald moet worden voor het parkeren. De verschuldigdheid van parkeerbelasting is voldoende kenbaar indien zij blijkt uit de aanwezigheid van parkeerapparatuur, borden met informatie over het geldende parkeerregime of andere aanwijzingen in de nabijheid van de parkeerplaats. [De Heffingsambtenaar] heeft onweersproken gesteld dat [B] bij het inrijden van de straat een verkeersbord is gepasseerd waarop staat aangegeven dat men een betaald parkeren zone binnenrijdt en waarbij op een onderbord de werkingstijden zijn aangegeven. Voorts is de auto van [belanghebbende] een parkeerautomaat gepasseerd. De rechtbank is van oordeel dat gelet op deze feiten het voldoende duidelijk moet zijn geweest dat ter plaatse parkeerbelasting verschuldigd was. De stelling dat deze borden bij het binnenrijden van de betaald parkeren zone zijn gemist nu deze niet verlicht waren en daardoor wellicht minder zichtbaar waren neemt niet weg dat er een onderzoeksplicht geldt. Gelet op hetgeen hiervoor overwogen dient het beroep van [belanghebbende] ongegrond te worden verklaard."

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.1.

Belanghebbende klaagt er in de eerste plaats over dat de naheffingsaanslag ten onrechte niet aan degene die het voertuig feitelijk heeft geparkeerd, maar aan haar is opgelegd.

7.1.2.

Belanghebbende was ten tijde van het parkeren houder van het voertuig als bedoeld in artikel 3, lid 2, letter b, van de Verordening parkeerbelastingen 2008 van de gemeente Den Haag (hierna: de Verordening). Het op de voet van deze bepaling aanmerken van belanghebbende als belastingschuldige, en het dienovereenkomstig aan haar opleggen van de naheffingsaanslag is in overeenstemming met artikel 225, lid 5, van de Gemeentewet. Daarin is immers bepaald dat zolang geen voldoening van parkeerbelasting heeft plaatsgevonden, de houder van het voertuig wordt aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd. Aangezien de verschuldigde parkeerbelasting niet is voldaan en tussen partijen niet in geschil is dat het voertuig ten tijde van het parkeren op naam van belanghebbende was ingeschreven in het kentekenregister als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, heeft de Heffingsambtenaar ervoor kunnen kiezen om een naheffingsaanslag op te leggen aan belanghebbende (vgl. Hoge Raad 14 juli 2000, nr. 34578, ECLI:NL:HR:2000:AA6508, r.o. 4.2, BNB 2000/284). Belanghebbendes eerste klacht faalt.

7.2.1.

Het hogerberoepschrift vermeldt voorts dat "als alleen eigenaars moeten bekeurd worden dan al die verhuurbedrijven worden failliet geraakt omdat na een tijdje van de verhuren krijgen pas de bekeuring binnen en als dan pas bij de huurder voorleggen, huurders betalen niet en bedrijven moeten hun deuren dicht doen". Ter zitting van het Hof heeft de gemachtigde dit standpunt aldus toegelicht dat dit betoog dient te worden opgevat als een beroep op het gelijkheidsbeginsel.

7.2.2.

Naar het Hof begrijpt doelt de gemachtigde met dit beroep op de in artikel 225, lid 5, letter b, van de Gemeentewet neergelegde uitzonderingsregeling voor, kort gezegd, autoverhuurbedrijven (situaties van korte verhuur). Het beroep faalt reeds omdat geen sprake is van feitelijk en rechtens gelijke gevallen. De wetgever heeft voor autoverhuurbedrijven in de voormelde bepaling een specifieke regeling ontworpen. Belanghebbendes tweede klacht faalt derhalve.

7.3.1

De gemachtigde heeft namens belanghebbende gesteld dat hij bij het inrijden van de straat rond één uur 's nachts het bord niet goed heeft kunnen lezen, omdat er niet genoeg verlichting was en een gevaarlijke situatie zou kunnen zijn ontstaan indien hij midden op straat zou zijn gestopt. Hij verkeerde bovendien in de veronderstelling dat in het algemeen in Den Haag parkeerbelasting dient te worden voldaan voor parkeren tot middernacht (24.00 uur).

7.3.2.

De Heffingsambtenaar heeft onweersproken gesteld dat het betaald parkeren in de zone waar het voertuig stond, duidelijk met zoneborden aan de toegangswegen is aangegeven. Onder het zonebord is een wit onderbord aangebracht met daarop de werkingsduur van het betaald parkeren. Het betaald parkeren tot 2:00 uur op vrijdagnacht en zaterdagnacht geldt voor de gehele [Y] en staat vermeld op alle borden en parkeerautomaten in de parkeerzone. Ter hoogte van [Y] nummer […] en van een aan [Y] nummer […] geplaatste lichtmast staan twee parkeerautomaten met betaaldparkerenborden (met de bedoelde onderborden). Ook op de verlichte displays van de parkeerautomaten is de werkingsduur van het betaald parkeren aangegeven, aldus nog steeds de Heffingsambtenaar.

7.3.3.

De Heffingsambtenaar heeft met de door hem aangevoerde feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt dat ten tijde van het parkeren voldoende kenbaar was dat ter plaatse voor het parkeren betaald diende te worden. Indien een parkeerder, zoals in het onderhavige geval, enige twijfel koestert of redelijkerwijs behoort te koesteren over de verschuldigdheid van parkeerbelasting, moet hij gelet op de hem rustende onderzoeksplicht daar gericht onderzoek naar doen. De gevolgen van het feit dat hier is nagelaten te onderzoeken of ter plaatse sprake was van betaald parkeren, komen voor rekening en risico van belanghebbende. Ook belanghebbendes derde klacht faalt derhalve.

7.4.

Tot slot heeft de gemachtigde aangevoerd dat aan hem ten onrechte een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Den Haag is opgelegd ter zake van het zonder geldig parkeerkaartje of geldige parkeervergunning parkeren op 30 april 2013 aan de [C] nabij nummer […] te [Z] . De Heffingsambtenaar heeft deze naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar van 30 mei 2013 gehandhaafd. De door de gemachtigde ter zitting van het Hof ingenomen stelling dat hij geen beroep heeft kunnen instellen tegen deze uitspraak doordat hij deze niet heeft ontvangen, kan niet in dit geding aan de orde komen. Ook deze klacht wordt derhalve verworpen.

Slotsom

7.5.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep ongegrond is.

Proceskosten

8. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.S.H.M. Strik. De beslissing is op 4 juli 2016 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.