Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:2191

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-06-2016
Datum publicatie
19-07-2016
Zaaknummer
200.191.597/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

HKOV

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 22 juni 2016

Zaaknummer : 200.191.597/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 16-2604

Zaaknummer rechtbank : C/09/508628

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [naam gemeente] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. J.A.M. Schoenmakers te Breda,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] , Oostenrijk,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. M.J.W. Jongenelen te Roosendaal.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 20 mei 2016 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 9 mei 2016 van de rechtbank Den Haag.

De vader heeft op 3 juni 2016 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof is voorts van de zijde van de moeder op 3 juni 2016 een brief van 3 juni 2016 met bijlagen en van de zijde van de vader op 6 juni 2016 een brief met bijlage ingekomen.

De zaak is op 7 juni 2016 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en door mevrouw H. Ritter als tolk in de Duitse taal;

- mevrouw K.A. Hompert namens de raad.

De advocaat van de vrouw heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

De hierna te noemen minderjarigen Kevin en Julian zijn in raadkamer gehoord.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is, voor zover in hoger beroep van belang, de terugkeer van de na te noemen minderjarigen naar Oostenrijk gelast uiterlijk op 24 mei 2016, waarbij de moeder de minderjarigen dient terug te brengen naar Oostenrijk en is bevolen, indien de moeder nalaat de minderjarigen terug te brengen naar Oostenrijk, dat de moeder de minderjarigen met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven uiterlijk op 24 mei 2016, opdat de vader de minderjarigen zelf mee terug kan nemen naar Oostenrijk.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

Partijen zijn tot 19 maart 2015 gehuwd geweest en zijn de ouders van:

  • -

    [naam minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Oostenrijk,

  • -

    [naam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Oostenrijk, hierna gezamenlijk ook te noemen: de minderjarigen.

Op 19 maart 2015 is door het Bezirksgericht [plaats] te Oostenrijk tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Partijen hebben daarbij op grond van hun verplichtingen in het kader van de echtscheiding een overeenkomst gesloten, inhoudende dat de minderjarigen voortaan hoofdzakelijk in het huishouden van de moeder worden verzorgd en dat de persoonlijke contacten tussen de vader en de minderjarigen door de ouders buiten de rechter om en flexibel geregeld worden.

Tot het vertrek van de moeder met de minderjarigen naar Nederland woonden partijen met de minderjarigen, zij het op aparte verdiepingen, onder één dak.

Op grond van een onderhoud dat de vader tijdens het spreekuur van de rechtbank had en op grond van telefonisch overleg met kinder- en jeugdzorg van het districtsbestuur [plaats] heeft de rechtbank zowel aan de ouders als aan de kinder- en jeugdzorg van het districtsbestuur [plaats] op 8 april 2015 schriftelijk medegedeeld (overeenkomstig de beëdigde vertaling uit de Duitse taal):

“Volgens de heersende rechtspraak mag de ouder die het hoofdgezag heeft (in het onderhavige geval de moeder) ondanks de wettelijke bepaling van § 162, lid 2 van het ABGB niet eigenmachtig met de gezamenlijke kinderen naar het buitenland verhuizen, maar dient zich in te spannen om de toestemming van de andere ouder te verkrijgen en bij afwijzing door de andere ouder rekening te houden met diens advies, indien dit (bijvoorbeeld in het geval van taalbarrières, wisseling van school,…) voor het welzijn van het kind beter is.

Bijlage: Uitspraken van het Oberster Gerichtshof zaaknummers 2 Ob 153/14k en 9 Ob 8/14p.”

Op 10 april 2015 vond bij de kinder- en jeugdzorg van het districtsbestuur [plaats] een gesprek met beide ouders plaats.

Op 14 april 2015 heeft de vader bij de rechtbank [plaats] een verzoek ingediend om het ouderlijk gezag over de beide minderjarigen aan hem alleen toe te kennen of, in het geval dat beide ouders met het ouderlijk gezag zijn belast, te bepalen dat de minderjarigen hoofdzakelijk in zijn huishouden worden verzorgd (kenmerk 1 PS 23/15 x-23). Hierop werd op 14 april 2015 voor 6 mei 2015 een zitting vastgesteld.

Bij beschikking d.d. 26 mei 2015 van Bezirksgericht [plaats] te Oostenrijk (kenmerk 1 PS 23/15 x-23) is de zorg voor beide minderjarigen voor een periode van zes maanden primair aan de vader opgedragen. Voorts wordt hem opgedragen om de moeder een zodanig toereikend recht op contact toe te staan dat ook zij de verzorging en opvoeding van de minderjarigen kan waarnemen. Tevens is het de moeder verboden om met de minderjarigen Oostenrijk te verlaten en is bepaald dat de reisdocumenten moeten worden ingenomen.

De minderjarigen verblijven in ieder geval sinds 15/16 april 2015 niet meer in Oostenrijk en staan volgens de basisregistratie personen per 16 april 2015 met de moeder ingeschreven op een verblijfadres in de Nederlandse gemeente [woonplaats] .

Sedert 19 april 2015 staan de minderjarigen ingeschreven op de basisschool “ [naam school] ” te [woonplaats] .

De zaak is bij de Nederlandse Centrale Autoriteit geregistreerd onder IKO nr.15-0050.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de teruggeleiding van de minderjarigen [naam minderjarige 1] en [naam minderjarige 2] .

2. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende alsnog alle verzoeken van de vader niet-ontvankelijk te verklaren, althans alsnog af te wijzen, met veroordeling van de vader tot vergoeding aan de moeder van de door haar gemaakte kosten in beide procedures.

3. De vader verweert zich daartegen en verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, dan wel het hoger beroep ongegrond en onbewezen te verklaren, nu alle grieven falen.

4. De moeder voert het volgende aan. Ten eerste betwist zij dat de datum van 15 april 2015 geldt als de datum waarop de minderjarigen naar Nederland zijn verhuisd. Het moment van overbrenging van de minderjarigen naar Nederland is reeds in maart 2015 geweest, aangezien zij in maart 2015 reeds was begonnen met de voorbereidingen voor de verhuizing. De moeder stelt dat zij, anders dan de rechtbank heeft vastgesteld, de vader al in maart 2015 heeft ingelicht over haar voornemen tot verhuizing met de minderjarigen naar Nederland. Voorts betwist zij dat de overbrenging van de minderjarigen naar Nederland als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale kinderontvoering van 25 oktober 1980 (hierna: HKOV) dient te worden aangemerkt. De uitleg van de rechtbank van het Oostenrijks gezagsrecht is onjuist, onvolledig en onbegrijpelijk. Uit de Oostenrijkse wet op dit onderdeel volgt geen inspanningsverplichting maar een informatieverplichting. Voor zover het hof de overweging van de rechtbank ten aanzien van de gestelde inspanningsverplichting van de moeder volgt, betwist zij dat zij deze niet is nagekomen. Voorts stelt de moeder dat de rechtbank heeft miskend dat zij op grond van de Oostenrijkse wettelijke bepalingen van de vader geen toestemming nodig had en heeft om te verhuizen. Zij dient uitsluitend bij weigering van de vader haar besluit te heroverwegen en uitsluitend indien dit in het belang van de minderjarigen is. Voor de moeder heeft het belang van de minderjarigen altijd voorop gestaan. Voorts betwist de moeder dat vaststaat dat de vader zijn bezwaren tegen de voorgenomen verhuizing aan de moeder kenbaar heeft gemaakt. Hij heeft zijn bedenkingen uitgesproken, welke de moeder heeft betrokken bij haar beoordeling. Dit heeft overigens niet geleid tot de schriftelijke mededeling van de rechtbank en het gesprek van de ouders met de kinder- en jeugdzorg te [plaats] op 10 april 2015; deze afspraak is op initiatief van de moeder gemaakt, aldus de moeder. De moeder betwist dat sprake was van een situatie waarin jeugdzorg in Oostenrijk eerst duidelijkheid wilde hebben over de woonomstandigheden van de minderjarigen en/of hulpaanbod. De conclusie van de rechtbank (Den Haag) dat de verhuizing op dat moment niet in het belang van de minderjarigen was, is uit de lucht gegrepen en is in strijd met de inhoud van de beschikking van de rechtbank en de feiten. Ook nadat de moeder naar Nederland is verhuisd heeft zij nog getracht met de vader middels mediation tot een vergelijk te komen. De moeder blijft voorts van mening dat de minderjarigen bij terugkeer naar Oostenrijk wel degelijk worden blootgesteld aan lichamelijke en geestelijke gevaren, dan wel dat zij in een ondragelijke toestand komen te verkeren. Zo stelt de moeder dat de minderjarige [naam minderjarige 1] in Oostenrijk veel gepest is. In Nederland volgt hij inmiddels een traject om meer van zichzelf te leren houden en zichzelf niet weg te cijferen voor anderen. Voorts stelt zij dat de minderjarigen in Oostenrijk te boek staan als “ontvoerde kinderen”, hetgeen hen in de kleine gemeenschap waar zij vandaan komen zal blijven achtervolgen. De moeder wenst niet terug te keren en zal niet terugkeren naar Oostenrijk en de vader is naar haar mening niet in staat om voor de minderjarigen te zorgen; hij heeft dit ook nooit gedaan tijdens de samenwoning van partijen. Ook herhaalt de moeder dat de minderjarigen zich verzetten tegen terugkeer naar Oostenrijk en dat zij een zodanige leeftijd en rijpheid hebben bereikt die rechtvaardigen dat met hun mening rekening moet worden gehouden. Subsidiair meent de moeder dat nader onderzoek door de raad had moeten plaatsvinden.

5. De vader verweert zich daartegen als volgt. Hij betwist de stelling van de moeder dat de minderjarigen eerder dan 15 april 2015 naar Nederland zijn overgebracht. De minderjarigen zijn immers op 15 april 2015 nog naar school gegaan in Oostenrijk. Voorts betwist hij de stelling van de moeder dat de minderjarigen niet ongeoorloofd zijn overgebracht naar Nederland. De moeder had zich naar zijn mening op grond van het Oostenrijks gezagsrecht dienen in te spannen om tot overeenstemming te komen inzake de verhuizing van de minderjarigen naar Nederland en bij weigering van de vader had een weloverwogen belangenafweging moeten plaatsvinden. De vader is met de rechtbank van oordeel dat de moeder op basis van het Oostenrijks gezagsrecht niet slechts een informatieverplichting had, maar een inspanningsverplichting. Deze verplichting is zij niet nagekomen, gelet alleen al op het feit dat zij op 15 april 2015 is vertrokken met de minderjarigen terwijl zij pas 8 dagen daarvoor had aangegeven dat zij met de minderjarigen naar Nederland zou willen vertrekken. De vader heeft daarop direct zijn bezwaren geuit en heeft zich tot de rechtbank gewend. De rechtbank heeft partijen medegedeeld dat de moeder niet eigenmachtig met de minderjarigen naar Nederland mocht vertrekken. Op 10 april 2015 heeft vervolgens een bespreking plaatsgevonden bij kinder- en jeugdzorg te [plaats] , waarbij de mededeling van de rechtbank uitvoerig besproken is. Bij deze bespreking is onder meer aan de orde gekomen dat de bekwaamheid van de moeder om de kinderen op te voeden onderzocht moest worden, als ook dat de woonomstandigheden van de minderjarigen beoordeeld moesten worden. De moeder heeft hier echter geen rekening mee gehouden en heeft direct na afloop van de bespreking een brief laten versturen naar de vader, waarin zij stelt de belangen van de vader voldoende te hebben heroverwogen. De rechtbank te [plaats] is in de daarop door de vader geïnitieerde procedure tot de conclusie gekomen dat de moeder niet naar Nederland had mogen verhuizen met de minderjarigen. Ook heeft de rechtbank te [plaats] bij die beschikking de minderjarigen voor een periode van zes maanden toevertrouwd aan het huishouden van de vader. De moeder is hiervan in hoger beroep gekomen, echter in hoger beroep is de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Tenslotte stelt de vader dat van geen van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 HKOV sprake is.

Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 HKOV

6. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de overbrenging van de minderjarigen door de moeder naar Nederland niet eerder dan op 15 april 2015 heeft plaatsgevonden. Het hof neemt daartoe in aanmerking dat, zoals uit de overgelegde stukken is gebleken, de minderjarigen op en tot 15 april 2015 nog naar school zijn geweest in Oostenrijk en pas daarna in Nederland naar school zijn gegaan. Op 16 april 2015 zijn zij in Nederland op een verblijfadres in de gemeente [woonplaats] ingeschreven en de kennisgeving van inschrijving op de basisschool aldaar is gedateerd 19 april 2015. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die tot een ander oordeel leiden. Dat de moeder in maart 2015 naar Nederland is gegaan om voorbereidingen voor een eventuele verhuizing van haar en de minderjarigen te treffen, maakt niet dat de minderjarigen ook al in maart 2015 naar Nederland zijn overgebracht.

7. Het overbrengen of het niet doen terugkeren van een kind wordt als ongeoorloofd beschouwd, wanneer dit geschiedt in strijd met een gezagsrecht dat is toegekend aan een persoon ingevolge het recht van de Staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had, en dit recht alleen of gezamenlijk daadwerkelijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of het niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend, indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden.

8. Niet in geschil is dat de minderjarigen onmiddellijk voor hun overbrenging naar Nederland hun gewone verblijfplaats in Oostenrijk hadden, zodat de vraag of sprake is van ongeoorloofde overbrenging wordt beheerst door het Oostenrijks recht. Voor de uitleg van het Oostenrijks begrip gezagsrecht sluit het hof aan bij de uitleg van de Oostenrijkse nationale rechter. Volgens de heersende Oostenrijkse rechtspraak mag de ouder die het hoofdgezag heeft (in het onderhavige geval de moeder), ondanks de wettelijke bepaling van § 162, lid 2 van het Oostenrijks Algemeen Burgerlijk Wetboek (ABGB), niet eigenmachtig met de gezamenlijke kinderen naar het buitenland verhuizen, maar dient deze zich in te spannen om de toestemming van de andere ouder te verkrijgen en bij afwijzing door de andere ouder rekening te houden met diens advies, indien dit (bijvoorbeeld in het geval van taalbarrières, wisseling van school…) voor het welzijn van het kind beter is.

9. De rechtbank te [plaats] heeft bij beschikking van 26 mei 2015 overwogen dat de verhuizing van de moeder met de minderjarigen naar Nederland in het onderhavige geval “zeer overhaast” en prematuur heeft plaatsgevonden, zonder voldoende onderzoek vooraf. Voorts overweegt de rechtbank te [plaats] dat de minderjarigen hierdoor geen afscheid konden nemen van hun klasgenoten en vrienden en dat het voor de kinder- en jeugdzorg hierdoor niet mogelijk was om duidelijkheid te krijgen over de woonomstandigheden van de minderjarigen in Nederland, over de bekwaamheid van de moeder om hen op te voeden en over het hulpaanbod dat gezien het feit dat de minderjarigen de Nederlandse taal niet machtig zijn, noodzakelijk is.

10. Voornoemde beslissing van de rechtbank te [plaats] is in hoger beroep door Het Landesgericht [plaats] bij uitspraak van 17 juli 2015 bekrachtigd. Het Landesgericht [plaats] overweegt ten aanzien van het gezag dat de ouders in de eerste plaats moeten proberen het met elkaar eens te worden, maar dat – indien dit niet lukt – als volgende stap getoetst moet worden welke oplossing dan het beste voor het welzijn van het kind is. Het Landesgericht [plaats] overweegt voorts dat het de moeder te verwijten is dat zij het resultaat van deze toetsing, maar ook wat de kinder- en jeugdzorg begeleidend heeft aan te bieden, niet meer heeft afgewacht maar veeleer overhaast uit Oostenrijk is afgereisd.

11. Gelet op het voorgaande is het hof, anders dan de moeder, van oordeel dat de moeder niet slechts een informatieverplichting heeft, maar dat zij, vanwege de weigering van de vader, had moeten onderzoeken welke oplossing het beste was voor het welzijn van de minderjarigen. Naar het oordeel van het hof heeft de moeder dit niet gedaan. Het hof neemt daarbij in aanmerking de zeer korte periode tussen de beslissing van de moeder, die naar haar zeggen sinds januari 2015 een relatie met een Nederlandse man had gekregen, om met de minderjarigen naar Nederland te verhuizen en de daadwerkelijke verhuizing. Dat de moeder stelt dat de vader al in maart 2015 op de hoogte was gesteld van haar wens om te verhuizen en niet pas voor het eerst op 7 april 2015 doet er niet aan af dat het een zeer korte termijn betreft. Niet is gebleken dat, terwijl de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarigen zeer ingrijpend zouden zijn, de moeder daadwerkelijk de bezwaren van de vader bij haar beslissing heeft betrokken en tot een heroverweging is gekomen met betrekking tot de vraag wat de beste oplossing voor het welzijn van de minderjarigen zou zijn. Door het nadere gesprek met en advies van kinder- en jeugdzorg van het districtsbestuur [plaats] niet af te wachten heeft zij juist elk overleg afgesloten. Gelet op het vorenoverwogene is het hof van oordeel dat de minderjarigen ongeoorloofd zijn overgebracht naar Nederland, in de zin van artikel 3 HKOV.

Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 HKOV

12. Gelet op het voorgaande, dient in beginsel, op grond van artikel 12 HKOV, de onmiddellijke terugkeer van de minderjarigen te worden gelast, nu er minder dan een jaar is verstreken tussen de overbrenging van de minderjarigen naar Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek tot teruggeleiding van de vader. Het hof komt dan ook niet toe aan het beantwoorden van de vraag of de minderjarigen in Nederland zijn geworteld.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub a van het HKOV

13. Op grond van artikel 13 lid 1 sub a HKOV is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat de persoon die de zorg had voor de persoon van het kind, het recht betreffende het gezag niet daadwerkelijk uitoefende ten tijde van de overbrenging of het niet doen terugkeren, of naderhand in deze overbrenging of het niet doen terugkeren had toegestemd of berust.

14. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat van deze weigeringsgrond in de onderhavige zaak geen sprake is, nu vaststaat dat partijen tot aan het vertrek van de moeder naar Nederland nog gezamenlijk onder één dak verbleven en dat de vader gebruik heeft gemaakt van zijn gezagsrecht door (meermalen) rechterlijke tussenkomst te verzoeken dan wel juridisch advies te vragen naar aanleiding van de door de moeder geuite wens om met de minderjarigen te verhuizen. In hoger beroep heeft de moeder geen nadere feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel leiden.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het HKOV

15. Op grond van artikel 13 lid 1 sub b HKOV is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van een kind te gelasten, indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht.

16. Het hof stelt voorop dat artikel 13 lid 1 sub b HKOV restrictief moet worden uitgelegd en dat een beroep daarop slechts in extreme situaties kan worden gehonoreerd. Als uitgangspunt geldt dat terugkeer in het belang van het kind is en dat terugkeer alleen in bijzondere omstandigheden geweigerd wordt. De rechter van de aangezochte Staat mag de in voornoemd artikel gestelde voorwaarden niet reeds vervuld achten louter op grond van zijn oordeel dat het belang van het kind in het land van herkomst minder goed gediend is dan in het land van de aangezochte rechter. De belangenafweging bij de vraag waar het kind zijn uiteindelijke verblijfplaats moet hebben, moet immers plaatsvinden in een bodemprocedure en past niet in deze procedure, waarin slechts een ordemaatregel wordt getroffen. Ook kan de dreigende scheiding van een kind van één van de ouders slechts onder stringente voorwaarden de conclusie rechtvaardigen dat er sprake is van een ernstig risico dat een kind wordt blootgesteld aan het gevaar als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b HKOV.

17. Het hof is van oordeel dat de moeder ook in hoger beroep onvoldoende onderbouwd heeft dat de minderjarigen bij terugkeer naar Oostenrijk worden blootgesteld aan lichamelijke en geestelijke gevaren, dan wel dat zij in een ondragelijke toestand komen te verkeren. Zo heeft zij haar stelling dat de minderjarigen, of één van hen, in Oostenrijk gepest werd(-en) (ook in hoger beroep) niet onderbouwd. De moeder heeft evenmin onderbouwd dat de vader niet in staat zou zijn om voor de minderjarigen te zorgen. Datzelfde geldt voor haar stelling dat de minderjarigen in Oostenrijk als “ontvoerde kinderen” te boek staan, hetgeen hen in de kleine gemeenschap waar zij vandaan komen, zal blijven achtervolgen. De enkele omstandigheid dat in een lokale krant melding is gemaakt van het feit dat de minderjarigen ontvoerd zouden zijn door de moeder naar Nederland, is ook onvoldoende om daaraan de conclusie te verbinden dat de minderjarigen bij terugkeer in een ondraaglijke toestand worden gebracht. Daarbij komt dat er geen beletsel is voor de moeder om met de kinderen naar Oostenrijk terug te keren. Naar het oordeel van het hof is dan ook geen sprake van een situatie als bedoeld in voornoemd artikel.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 2 van het HKOV

18. Op grond van artikel 13 lid 2 HKOV kan de rechtbank weigeren de terugkeer van het kind te gelasten, indien zij vaststelt dat het kind zich verzet tegen zijn terugkeer en een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardigen dat met zijn mening rekening wordt gehouden.

19. Het hof heeft de minderjarigen in raadkamer gehoord. Op grond van deze gesprekken is het hof niet duidelijk gebleken dat de minderjarigen de leeftijd en mate van rijpheid hebben bereikt die rechtvaardigt dat met hun mening rekening wordt gehouden. Afgezien hiervan heeft het hof geconstateerd dat de minderjarigen beiden wel hun voorkeur hebben uitgesproken voor het verblijf bij de moeder in Nederland maar zij hebben geen van beiden expliciet verzet getoond tegen een eventuele terugkeer naar Oostenrijk, in de zin van voornoemd artikel. Dat de minderjarigen liever in Nederland zouden blijven dan terugkeren naar Oostenrijk, waarover zij zich overigens niet zeer negatief hebben betoond, maakt niet dat gesproken kan worden van verzet in de zin van artikel 13 lid 2 HKOV.

Conclusie

20. Gelet op het voorgaande is het hof, nu er sprake is van ongeoorloofde overbrenging van de minderjarigen naar Nederland in de zin van artikel 3 HKOV, er geen sprake is van (één van) de in artikel 13 HKOV genoemde weigeringsgronden en er minder dan een jaar verstreken is tussen de ongeoorloofde overbrenging van de minderjarigen en de indiening van het verzoekschrift van de vader tot teruggeleiding van de minderjarigen, van oordeel dat op grond van artikel 12 HKOV de onmiddellijke terugkeer van de minderjarigen naar Oostenrijk dient te volgen. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen met dien verstande dat het hof zal bepalen dat de minderjarigen uiterlijk op 24 juli 2016 zullen terugkeren. Het hof zal aldus bepalen opdat de minderjarigen hier te lande het lopende schooljaar kunnen afronden.

21. Het hof geeft partijen, nu de beslissing in de onderhavige zaak definitief is, in overweging om zich in het kader van de teruggeleiding van de minderjarigen tot het Centrum Internationale Kinderontvoering te wenden om de teruggeleiding in het belang van de minderjarigen zo goed mogelijk te laten verlopen en – indien nodig met behulp van crossborder mediation – de noodzakelijke afspraken te maken over de zorg- en contactregeling.

Proceskosten

22. Het hof zal de proceskosten, zoals te doen gebruikelijk in zaken van familierechtelijke aard, tussen partijen compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

23. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met dien verstande dat het hof de terugkeer gelast van de minderjarigen [naam minderjarige 1] , geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Oostenrijk, en [naam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Oostenrijk, naar Oostenrijk uiterlijk op 24 juli 2016, waarbij de moeder de minderjarigen dient terug te brengen naar Oostenrijk en beveelt, indien de moeder nalaat de minderjarigen terug te brengen naar Oostenrijk, dat de moeder de minderjarigen met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven op uiterlijk 24 juli 2016, opdat de vader de minderjarigen zelf mee terug kan nemen naar Oostenrijk;

compenseert de proceskosten in beide instanties in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A. Mink, I. Obbink-Reijngoud en C.M. Warnaar, bijgestaan door mr. M.M. Rasmijn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 juni 2016.