Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:2119

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
27-04-2016
Datum publicatie
19-07-2016
Zaaknummer
BK-15/00816
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:7339, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:2726
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur het belastbaar inkomen uit werk en woning te hoog heeft vastgesteld. In het bijzonder is in geschil of en in hoeverre de door belanghebbende opgevoerde uitgaven werkelijk zijn gedaan, en zo deze zijn gedaan, in hoeverre deze uitgaven als zakelijke kosten zijn te bestempelen. Voorts is in geschil de omvang van het bedrag van de in aanmerking te nemen kosten van levensonderhoud van belanghebbendes dochter, alsmede de hoogte van de verzuimboete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1669
FutD 2016-1850
NTFR 2016/1933
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-15/00816

Uitspraak van 26 april 2016

in het geding tussen:

mevrouw [X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,kantoor Den Haag, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 juni 2015, nummer SGR 15/693, betreffende de hierna vermelde aanslagen en beschikkingen.

Aanslagen, beschikkingen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd. Bij afzonderlijke beschikkingen is aan belanghebbende een verzuimboete opgelegd van € 4.920 en is een bedrag van € 721 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.1.2.

Aan belanghebbende is voorts voor het jaar 2011 een aanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet opgelegd en is bij afzonderlijke beschikking een bedrag van € 117 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslagen en de boetebeschikking verminderd en de beschikkingen heffingsrente dienovereenkomstig verlaagd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen die uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 45. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband hiermee is een griffierecht geheven van € 123.

2.2.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 15 maart 2016, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en op zichzelf aannemelijk, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

3.1.

Belanghebbende exploiteert een advocatenkantoor. Zij verzorgt zelf haar administratie. Zij genereert geen andere inkomsten dan die uit haar advocatenkantoor.

3.2.

Belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2011 (hierna: de aangifte) vóór 1 april 2012. Met dagtekening 25 juni 2012 is aan haar een herinnering tot het doen van aangifte gestuurd en met dagtekening 30 juli 2012 is een aanmaning verzonden. Belanghebbende heeft de aangifte niet binnen de in de aanmaning gestelde termijn ingediend.

3.3.

Bij brief van 19 februari 2014 heeft de Inspecteur aan belanghebbende meegedeeld dat hij het belastbare inkomen uit werk en woning ambtshalve zal vaststellen op € 40.000 en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen op € 0. De Inspecteur heeft voorts aangekondigd dat aan belanghebbende een verzuimboete zal worden opgelegd van € 4.920.

3.4.

Belanghebbende heeft in ieder geval vanaf het jaar 2001 geen aangiften voor de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen ingediend. De aanslagen in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen zijn vanaf dat jaar ambtshalve vastgesteld. Nadat bij bezwaar belanghebbende alsnog aangiften heeft ingediend, zijn deze aanslagen verminderd conform de alsnog ingediende aangifte.

3.5.

Voormelde definitieve aanslagen en beschikkingen zijn gedagtekend 2 april 2014 en berekend naar een verzamelinkomen respectievelijk bijdrage-inkomen van € 40.000. Op 8 mei 2014 heeft belanghebbende daartegen een niet gemotiveerd en niet van bijlagen voorzien bezwaarschrift ingediend.

3.6.

Op 25 augustus 2014 heeft belanghebbende alsnog aangifte gedaan en daarbij een verzamelinkomen van € 19.017 aangegeven, berekend als volgt:

Winst uit onderneming € 44.577

Af: zelfstandigenaftrek € 7.266

Af: MKB-winstvrijstelling € 4.478

11.744

Subtotaal € 32.833

Af: saldo huurwaarde -/- hypotheekrente € 9.616

Af: levensonderhoud dochter € 4.200

13.816

Belastbaar inkomen uit werk en woning / verzamelinkomen € 19.017

3.7.

Bij brief van 1 september 2014 heeft de Inspecteur belanghebbende bericht dat hij, op grond van hem ambtshalve bekende gegevens, voornemens is het belastbare inkomen uit werk en woning vast te stellen op € 30.795 en dat in dit bedrag een belastbare winst uit onderneming van € 40.000 is begrepen. Belanghebbende heeft, ondanks daartoe te zijn uitgenodigd, niet binnen de in voormelde brief vermelde termijn op het voornemen van de Inspecteur gereageerd. Op 10 december 2014 heeft de Inspecteur belanghebbende medegedeeld dat hij uitspraak op het bezwaar zal doen en gedeeltelijk aan het bezwaar tegemoet zal komen.

3.8.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de verzuimboete verminderd tot op € 2.500 en het verzamelinkomen nader vastgesteld op € 30.795, berekend als volgt:

Aangegeven belastbaar inkomen € 19.017

Bij: belastbare winst uit onderneming € 40.000

Af: reeds door belanghebbende in aanmerking genomen € 32.833

€ 7.167

Bij: lager saldo eigen woning € 1.811

Bij: minder persoonsgebondenaftrek levensonderhoud kinderen € 2.800

Vastgesteld belastbaar inkomen € 30.795

3.9.

De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de uitspraak op bezwaar zich op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende voor meer dan 90 percent heeft bijgedragen in de kosten van het levensonderhoud van haar dochter. Op die grond is het door belanghebbende in aanmerking genomen bedrag van € 1.050 per kwartaal verlaagd tot € 350 per kwartaal.

3.10.

Bij brief van 30 december 2014 heeft belanghebbende een verlies- en winstrekening, een balans en een vermogensoverzicht bij de Inspecteur ingediend. De Inspecteur heeft de brief en de bijlagen doorgestuurd naar de rechtbank, die de brief als beroepschrift in aanmerking heeft genomen. Uit de bijlagen blijkt van een omzet van € 113.762.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur het belastbaar inkomen uit werk en woning te hoog heeft vastgesteld. In het bijzonder is in geschil of en in hoeverre de door belanghebbende opgevoerde uitgaven werkelijk zijn gedaan, en zo deze zijn gedaan, in hoeverre deze uitgaven als zakelijke kosten zijn te bestempelen. Voorts is in geschil de omvang van het bedrag van de in aanmerking te nemen kosten van levensonderhoud van belanghebbendes dochter, alsmede de hoogte van de verzuimboete.

4.2.

Belanghebbende stelt zich, naar het Hof begrijpt, in hoger beroep op het standpunt dat alle door haar opgevoerde uitgaven zijn gedaan en dat dit zakelijke kosten zijn die in het onderhavige jaar in aftrek kunnen worden gebracht. Voorts stelt belanghebbende dat zij recht heeft op aftrek van een bedrag van € 4.200 ter zake van de kosten van levensonderhoud van haar dochter.

4.3.

De Inspecteur heeft de standpunten van belanghebbende gemotiveerd betwist.

4.4.

Voor de gronden waarop partijen hun standpunten doen steunen, wordt verwezen naar de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting.

Conclusies van partijen

5.1.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vermindering van de aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen tot een, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.017, tot dienovereenkomstige vermindering van de aanslag in de Inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en de beschikking heffingsrente en tot vernietiging van de beschikking inzake de boete.

5.2.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft – voor zover hier van belang - het volgende overwogen:

9. Nu [belanghebbende] het aan haar uitgereikte aangiftebiljet IB/PVV 2011, ook na daartoe te zijn aangemaand, niet heeft teruggezonden, heeft [belanghebbende] niet de vereiste aangifte gedaan. Ingevolge artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) heeft dat tot gevolg dat het beroep moet worden afgewezen, tenzij blijkt dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is.

10. [ De Inspecteur] heeft de belastbare winst uit onderneming geschat op € 40.000. Met hetgeen [belanghebbende] heeft gesteld en de stukken die zij heeft overgelegd, heeft zij niet aannemelijk gemaakt, laat staan overtuigend aangetoond dat de geschatte winst tot een te hoog bedrag is vastgesteld. [Belanghebbende] heeft enkel een resultatenrekening voor 2011 overgelegd waarin een resultaat voor belasting wordt vermeld van € 44.577. [Belanghebbende] heeft verder evenwel geen stukken overgelegd die dat resultaat onderbouwen.

11. [ De Inspecteur] dient aannemelijk te maken dat de ambtshalve vastgestelde winst uit onderneming berust op een redelijke schatting. Naar het oordeel van de rechtbank is [de Inspecteur] hierin geslaagd. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat vaststaat dat [belanghebbende] ook in 2011 een advocatenkantoor dreef, dat zij in dat kader inkomsten heeft genoten en dat [belanghebbende] geen enkel inzicht heeft verschaft in haar inkomstenniveau. Nu [belanghebbende] in de alsnog op 25 augustus 2014 ingediende aangifte een omzet vermeld van € 113.762 acht de rechtbank een geschatte belastbare winst van € 40.000 alleszins redelijk.

12. Na bezwaar heeft [de Inspecteur] een bedrag van € 9.807 aan rente op de eigenwoningschuld in aftrek toegelaten. Voorts heeft [de Inspecteur] een bedrag van € 1.400 aan uitgaven voor levensonderhoud van de dochter in aanmerking genomen. [Belanghebbende] is van mening dat zij recht heeft op hogere bedragen aan aftrek.

13. Uit een renseignement van de [Y] bank blijkt dat [belanghebbende] bij die bank drie hypothecaire geldleningen heeft afgesloten. Ter zake van de lening van € 100.000 heeft [belanghebbende] gesteld dat dit ondernemingsvermogen is. Gelet hierop heeft [de Inspecteur] de rente op deze lening terecht niet als rente op de eigenwoningschuld in aftrek toegelaten. Op de twee andere leningen is in 2011 in totaal een bedrag aan rente betaald van € 8.518. [De Inspecteur] stelt derhalve terecht dat de rente op de eigenwoningschuld eerder tot een te hoog bedrag dan tot een te laag bedrag in aanmerking is genomen.

14. [ De Inspecteur] heeft een bedrag van € 350 per kwartaal als uitgaven voor levensonderhoud van de dochter in aanmerking genomen. Ingevolge het bepaalde in artikel 36, tweede lid, letter a, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 kan het reeds in aanmerking genomen bedrag worden verhoogd tot € 700 per kwartaal indien de op de ouder drukkende bijdrage in de kosten van het onderhoud van het kind ten minste € 700 per kwartaal belopen en de kosten van het onderhoud van het kind grotendeels op de belastingplichtige drukken. [Belanghebbende] heeft geen inzicht gegeven in de inkomsten en uitgaven van de dochter, zodat niet valt na te gaan in welke mate [belanghebbende] en haar partner hebben bijgedragen in hun dochters levensonderhoud. Ter zitting heeft [belanghebbende] gewezen op de Nibudnorm van naar zij stelt € 10.800. Ook als veronderstellende wijs van dit bedrag als kosten van levensonderhoud van de dochter wordt uitgegaan, acht de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat aan het grotendeelscriterium is voldaan omdat [belanghebbende] slechts een bedrag van € 5.325,03 aan uitgaven voor levensonderhoud aannemelijk heeft gemaakt (€ 4.800 overgeboekt als maandelijkse bijdrage studiekosten, € 389,03 collegegeld en een bedrag van € 136 zonder omschrijving). Het bedrag van € 500 met als omschrijving “cadeau van oma [A] ” valt naar het oordeel van de rechtbank niet aan te merken als uitgave van [belanghebbende] of haar partner.

15. Ingevolge het bepaalde in artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is aan [belanghebbende] een verzuimboete opgelegd van € 4.920, welke boete na bezwaar is verminderd tot € 2.500. Nu vaststaat dat [belanghebbende] niet binnen de in de aanmaning gestelde termijn aangifte heeft gedaan, is de rechtbank van oordeel dat de verzuimboete terecht is opgelegd. Niet is gebleken dat sprake is van afwezigheid van alle schuld. Dat [belanghebbende] het druk heeft, ontslaat haar niet van de verplichting om haar aangifte tijdig in te dienen. [Belanghebbende] is van mening dat de boete disproportioneel is gelet op de hoogte van de aanslag. Voor zover [belanghebbende] hiermee bedoelt te stellen dat sprake is van een wanverhouding als bedoeld in paragraaf 7 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst faalt die stelling. De in die paragraaf bedoelde wanverhouding ziet niet op een wanverhouding tussen de hoogte van de boete en de hoogte van de aanslag, maar op een wanverhouding tussen de hoogte van de boete en het beboetbare feit, in dit geval het niet tijdig doen van aangifte. Gelet op het aangiftegedrag van [belanghebbende] acht de rechtbank de boete zoals deze na bezwaar is verminderd passend en geboden.

16. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.”

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

In hoger beroep herhaalt belanghebbende haar voor de rechtbank ingenomen standpunten. Aangezien belanghebbende voor het onderhavige jaar niet de vereiste aangifte heeft gedaan, dient te worden beoordeeld of sprake is van een willekeurige schatting van het inkomen door de Inspecteur, en zo nee, of belanghebbende heeft doen blijken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Niet in geschil is dat belanghebbende in het onderhavige jaar een omzet van € 113.762 heeft behaald, zodat niet geoordeeld kan worden dat het geschatte bedrag aan belastbare winst uit onderneming ad € 40.000 onredelijk is. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen stukken in het geding gebracht die verifieerbaar maken dat zij meer ondernemingskosten heeft gemaakt dan waarmee de Inspecteur rekening heeft gehouden, zodat niet is gebleken dat de uitspraak op bezwaar onjuist is.

7.2.

Ten aanzien van het in aanmerking te nemen bedrag aan kosten voor het levensonderhoud van de dochter, heeft belanghebbende weliswaar in het hogerberoepschrift een aantal aanvullende bedragen opgesomd waarvan belanghebbende heeft gesteld dat die zijn besteed aan het levensonderhoud van de dochter, doch daarmee is geen zodanig inzicht gegeven in de inkomsten en uitgaven van de dochter, dat daarmee is vast te stellen dat belanghebbende minst genomen in belangrijke mate heeft bijgedragen in het levensonderhoud van haar dochter.

7.3.

Voorts is in hoger beroep niet gebleken van feiten of omstandigheden die aanleiding geven de boete verder te matigen. Belanghebbende heeft daaromtrent ook niets gesteld. De boete is passend en geboden.

7.4.

Het vorenstaande voert tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is.

Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, E.M. Vrouwenvelder en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier drs. N. El Allaoui. De beslissing is op 26 april 2016 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.