Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:2116

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17-05-2016
Datum publicatie
19-07-2016
Zaaknummer
BK-15/01053
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:11395, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:857
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1652
V-N 2016/40.1.1
FutD 2016-1862
NTFR 2016/1991
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-15/01053

Uitspraak van 17 mei 2016

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 oktober 2015, nummer SGR 15/2154, betreffende de hierna vermelde aanslag en beschikking.

Navorderingsaanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2007 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Bij afzonderlijke beschikkingen is een verliesvaststellingsbeschikking genomen en is aan belanghebbende een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de navorderingaanslag en de beschikking heffingsrente vernietigd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen die uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 45. De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband hiermee is een griffierecht geheven van € 123.

2.2.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 5 april 2016, gehouden te Den Haag. De Inspecteur is verschenen. Van de zijde van belanghebbende is, met bericht van verhindering, niemand verschenen. Belanghebbende heeft niet om uitstel van de zitting verzocht. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en op zichzelf aannemelijk, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

3.1.

Belanghebbende is ondernemer en exploiteert een landbouwbedrijf. Op de balans van de onderneming per 31 december 2007 staat onder meer een bedrijfswoning met een boekwaarde (inclusief ondergrond en erf) van € 37.399.

3.2.

In zijn aangifte IB/PVV 2007 heeft belanghebbende niet aangegeven dat hij zijn keuze ten aanzien van de vermogensetikettering van de bedrijfswoning wil herzien.

3.3.

Met dagtekening 25 augustus 2012 heeft de Inspecteur bovengenoemde navorderingsaanslag opgelegd. Hierbij is de bij de primitieve aanslag aan belanghebbende uitbetaalde heffingskorting van € 2.016 teruggevorderd.

3.4.

Belanghebbende heeft tegen de navorderingsaanslag en beschikkingen bezwaar gemaakt en onder meer gesteld dat hij in verband met een ingrijpende verbouwing zijn keuze om het woonhuis tot zijn bedrijfsvermogen te rekenen wil herzien en het wil overbrengen naar zijn privévermogen. Volgens belanghebbende wordt bij de overbrenging een boekwinst gerealiseerd, die de hoogte van te verrekenen verliezen zou doen minderen.

3.5.

Bij uitspraak op bezwaar van 11 februari 2015 is in zoverre aan het bezwaar van belanghebbende tegemoetgekomen dat de heffingskorting alsnog is verleend. De Inspecteur heeft belanghebbende niet gevolgd in zijn keuzeherziening.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, welke vraag de Inspecteur bevestigend beantwoordt, doch belanghebbende ontkennend.

4.2.

Voor de gronden waarop partijen hun standpunten doen steunen, wordt verwezen naar de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting.

Conclusies van partijen

5.1.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot ontvankelijkverklaring van het beroep en tot verlaging van de verliesvaststellingsbeschikking.

5.2.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft – voor zover hier van belang - het volgende overwogen:

“8. In zijn arrest van 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878, heeft de Hoge Raad overwogen:

“3.4.2 Bij de beoordeling van het middel is het volgende van belang. Een bezwaar, beroep of (incidenteel) hoger beroep moet niet-ontvankelijk worden verklaard als de indiener van dat rechtsmiddel geen belang daarbij heeft. Daarvan is sprake als het aanwenden van het rechtsmiddel, ongeacht de gronden waarop het steunt, hem niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht. Indien het aangewende rechtsmiddel de indiener ervan wel in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit dan wel eventuele bijkomende beslissingen en voldaan is aan de overige ontvankelijkheidsvereisten, moet het rechtsmiddel ontvankelijk worden geacht, moeten de door de indiener aangevoerde gronden worden onderzocht en moet worden beoordeeld of het rechtsmiddel wel of niet gegrond is.”

9. In zijn arrest van 23 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0655, heeft de Hoge Raad overwogen:

“3.3. Bij de beoordeling van de hiertegen gerichte middelen moet worden vooropgesteld dat indien de inspecteur tijdens een procedure voor de belastingrechter geheel aan de klachten van de belanghebbende tegemoetkomt, zodat de procedure niet meer tot een voor deze belanghebbende gunstiger resultaat kan leiden, niet langer sprake is van een geschil met betrekking tot een besluit van een bestuursorgaan en de belastingrechter dient over te gaan tot niet-ontvankelijkverklaring. Het hiervoor overwogene lijdt uitzondering indien een belang bij een oordeel van de rechter over de gegrondheid van het beroep blijft bestaan met het oog op een vordering tot schadevergoeding. Daarvoor is in ieder geval vereist dat de belanghebbende stelt dat hij als gevolg van het bestreden besluit ook afgezien van de proceskosten schade heeft geleden (zie HR 3 december 2010, nr. 09/04397, LJN BO5988, BNB 2011/69).

3.4.

Anders dan de middelen veronderstellen, wordt het hiervoor in 3.3 overwogene niet anders indien de belanghebbende een buiten het desbetreffende besluit liggend belang heeft bij de beantwoording van de door hem aangevoerde twistpunten. Voor zover dit belang zich manifesteert bij andere belastingaanslagen of voor bezwaar vatbare beschikkingen, kan de belanghebbende desgewenst tegen die aanslagen of beschikkingen opkomen.”

10. Zoals uit de hiervoor genoemde jurisprudentie volgt, moet een bezwaar of beroep niet-ontvankelijk worden verklaard als de indiener van dat rechtsmiddel geen belang daarbij heeft. Naar het oordeel van de rechtbank kan de door [belanghebbende] ingestelde beroepsprocedure hem niet in een betere positie brengen met betrekking tot de navorderingsaanslag en de verliesvaststellingsbeschikking. Immers, de aan [belanghebbende] opgelegde nihilaanslag kan in beroep niet worden verlaagd. In zoverre heeft hij geen belang bij het beroep gericht tegen die aanslag. Ook voor zover de ingestelde rechtsmiddelen zijn gericht tegen de verliesvaststellingsbeschikking, heeft hij daarbij geen belang; het verrekenbare verlies zou door overbrenging van de bedrijfswoning naar het privévermogen lager worden dan is vastgesteld, aangezien door die overbrenging een boekwinst zou ontstaan.

11. Nu [belanghebbende] naar het oordeel van de rechtbank geen belang heeft bij de door hem tegen de navorderingsaanslag en de verliesvaststellingsbeschikking ingediende rechtsmiddelen, dienen deze niet-ontvankelijk te worden verklaard en komt de rechtbank niet toe aan de vraag of [belanghebbende] bij de bestrijding van de navorderingsaanslag zijn keuze kan herzien om de bedrijfswoning tot zijn ondernemingsvermogen te rekenen.

12. De grief van [belanghebbende] dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd faalt. Naar het oordeel van de rechtbank is de uitspraak op bezwaar ten aanzien van de keuzeherziening weliswaar summier, maar niet zodanig ondeugdelijk gemotiveerd, dat deze wegens strijd met het motiveringsbeginsel vernietigd dient te worden.

13. Gelet op het bovenstaande is het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

De Inspecteur heeft de navorderingsaanslag bij uitspraak op bezwaar verminderd tot op nihil en heeft aan belanghebbende dienaangaande een proceskostenvergoeding toegekend. Bij de beantwoording van de vraag of belanghebbende een belang, in de zin van de door de rechtbank aangehaalde arresten van de Hoge Raad, heeft bij een oordeel van de rechter over de gegrondheid van het beroep moet het volgende worden vooropgesteld.

7.2.

Volgens vaste jurisprudentie moet ‘belang’ worden opgevat als financieel belang bij een door een belanghebbende bestreden aanslag. Het kan daarbij gaan om een direct financieel belang bij een (verdere) vermindering van een bestreden aanslag. Doorgaans bestaat dat belang uit een gehele of gedeeltelijke vermindering van een aanslag of de algehele vernietiging daarvan. Het kan ook gaan om indirect financieel belang, bijvoorbeeld indien de belanghebbende een civielrechtelijke schadevergoeding of vergoeding van proceskosten wil vorderen. Het door een partij ingestelde bezwaar of beroep dient aldus, direct of indirect, tot een voor die partij in het kader van de regeling van die aanslag, gunstiger resultaat te kunnen leiden. Als zo een belang geheel ontbreekt (of hangende de procedure is komen te ontbreken) is een bezwaar, beroep, hoger beroep of beroep in cassatie (nadien) niet-ontvankelijk te achten, zodat niet (meer) kan worden toegekomen aan inhoudelijke behandeling van de grieven.

7.3.

De inspecteur mag bij de gegrondbevinding van een tegen een belastingaanslag ingediend bezwaarschrift de elementen van de aanslag herzien met gebruikmaking van de hem ten dienste staande gegevens, ook indien aldus de bezwaarde geen baat heeft bij de gegrondbevinding van zijn bezwaar, mits de aanslag niet op een hoger bedrag wordt vastgesteld dan het oorspronkelijke. Zelfs kan het brutobedrag van de aanslag verhoogd worden, mits het nettobedrag ("te betalen") na verrekening van voorheffingen en voorlopige aanslagen niet verhoogd wordt.

7.4.

De belastingrechter kan een beroep tegen een uitspraak op bezwaar tegen een belastingaanslag gegrond achten maar niettemin op een daartoe strekkend betoog van de inspecteur (niet van ambtswege) de uitspraak van de inspecteur handhaven op de grond dat de aanslag op een ander, door de inspecteur ten processe aangevoerd en zo nodig bewezen geschilpunt in het nadeel van de belastingplichtige herzien moet worden, mits de aanslag door hem niet hoger wordt vastgesteld dan het bedrag waarop hij bij de uitspraak was gesteld en mits rekening wordt gehouden met de processuele belangen van de belanghebbende.

7.5.

Het staat de rechter niet vrij een door een belanghebbende bestreden aanslag op grond van door een belanghebbende aangedragen argumenten, op een hoger te betalen bedrag vast te stellen dan de inspecteur heeft gedaan. Belanghebbende heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit volgt dat hij belang in vorenbedoelde zin heeft bij een oordeel van de rechter over de gegrondheid van zijn beroep.

7.6.

Gelet op het vorenoverwogene heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de door belanghebbende ingestelde beroepsprocedure hem niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot de onderhavige navorderingsaanslag en evenmin met betrekking tot de verliesvaststellingsbeschikking, aangezien de tot nihil verminderde navorderingsaanslag in beroep niet op een hoger te betalen bedrag kan worden vastgesteld en de verliesvaststellingsbeschikking niet op een lager te verrekenen verlies kan worden vastgesteld.

7.7.

Het vorenstaande voert tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is.

Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, E.M. Vrouwenvelder en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier drs. N. El Allaoui. De beslissing is op 17 mei 2016 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.