Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:2106

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
05-07-2016
Datum publicatie
19-07-2016
Zaaknummer
BK-15/00360
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:11116, Overig
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:684
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is in geschil of de in rekening gebrachte heffingsrente tot een juist bedrag is vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het gehanteerde rentepercentage te hoog is. Voorts is in geschil of terecht van iedere erfgenaam griffierecht is geheven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1667
FutD 2016-1840 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2016/2118 met annotatie van MR. J. VAN DE MERWE
ERF-Updates.nl 2016-0158
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-15/00360

Uitspraak d.d. 5 juli 2016

in het geding tussen:

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Rotterdam, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (hierna: de Rechtbank) van 26 maart 2015, nummer SGR 14/10301, betreffende de hierna vermelde aanslag en beschikking.

Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende een voorlopige aanslag erfbelasting opgelegd ten bedrage van € 20.605. Gelijktijdig is bij beschikking een bedrag van € 860 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de beschikking bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar is de beschikking gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft hiertegen beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake daarvan is € 45 griffierecht geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Ter zake daarvan is € 123 griffierecht geheven.

2.2.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 24 mei 2016, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Ter zitting zijn tevens behandeld de hoger beroepen van [A] , met kenmerk BK-15/00361 en van [B] , met kenmerk BK-15/00364 betreffende de, aan ieder van hen, bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente inzake de opgelegde voorlopige aanslag erfbelasting. Voor zover in die zaken door partijen stukken zijn overgelegd, worden die stukken geacht ook in de onderhavige procedure te zijn overgelegd. Tevens wordt hetgeen door partijen in die zaken voor het overige is aangevoerd, aangemerkt als te zijn aangevoerd in de onderhavige zaak. Van het verhandelde ter zitting is één proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

3.1.

De heer [Y] , erflater, is overleden [in] 2012. Hij was tot aan zijn overlijden gehuwd met mevrouw [C] . Uit dit huwelijk zijn drie kinderen geboren, te weten:

1. de heer [X] (belanghebbende),

2. mevrouw [D] , overleden [in] 2010, met achterlating van drie kinderen te weten:

a. de heer [E] ;

b. de heer [F] ;

c. mevrouw [B] ;

3. mevrouw [A] .

3.2.

De onder 1 en 3 vermelde kinderen van erflater zijn ieder voor een derde deel gerechtigd tot de nalatenschap. Zijn vorenvermelde drie kleinkinderen zijn gezamenlijk tot een derde deel van de nalatenschap gerechtigd.

3.3.

De Inspecteur heeft, met dagtekening 15 mei 2014, aan ieder van vijf hiervoor vermelde erfgenamen een voorlopige aanslag erfbelasting opgelegd, en heeft bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht.

3.4.

Na afwijzing van de tegen de beschikkingen gemaakte bezwaren heeft de gemachtigde van belanghebbende, in één geschrift namens de vijf erfgenamen beroep ingesteld tegen de beslissingen van de Inspecteur waarin de bezwaren van de erfgenamen inzake de beschikkingen heffingsrente ongegrond zijn verklaard. De Rechtbank heeft het in één geschrift ingediende beroep gesplitst in vijf afzonderlijke beroepen en van ieder van de erven griffierecht geheven. Het geschil en het feitencomplex is in alle vijf zaken identiek.

3.5.

De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard en tevens geoordeeld dat terecht van belanghebbende, gelet op het bepaalde in artikel 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), griffierecht is geheven. De Rechtbank heeft ten aanzien van alle vijf erven eenzelfde besluit genomen.

3.6.

De gemachtigde van belanghebbende heeft in één geschrift namens de vijf erfgenamen hoger beroep ingesteld tegen de beslissingen van de Rechtbank. Daarbij heeft de gemachtigde van belanghebbende verzocht om voeging van de procedure in de onderhavige zaak met die van de zaken van de andere erfgenamen met procedurenummers BK-15/00360, BK-15/00362, BK-15/00363 en BK-15/00364.

Geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

In hoger beroep is in geschil of de in rekening gebrachte heffingsrente tot een juist bedrag is vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het gehanteerde rentepercentage te hoog is, hetgeen belanghebbende stelt doch de Inspecteur betwist. Voorts is in geschil of terecht van iedere erfgenaam griffierecht is geheven.

4.2.

Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, wordt verwezen naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de beschikking heffingsrente gebaseerd op een percentage van twee, en voorts tot vermindering van het griffierecht, in die zin dat ten aanzien van de procedures van de vijf erven slechts éénmaal griffierecht wordt geheven.

5.2.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Oordeel van de Rechtbank

6. De Rechtbank heeft – voor zover hier van belang - omtrent het geschil het volgende overwogen:

"4. [Belanghebbende] heeft niet betwist dat [de Inspecteur] de belastingrente heeft berekend met inachtneming van het bepaalde in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de daaruit voortvloeiende rentepercentages. Ook anderszins is niet gebleken dat de heffingsrente op een verkeerd bedrag is vastgesteld.

5. Anders dan [belanghebbende] kennelijk meent staat het [de Inspecteur] niet vrij om van de onder 4 genoemde wettelijke regeling af te wijken en in plaats daarvan een ander percentage toe te passen dat meer zou aansluiten op de rente voor staatsobligaties. Ook de bestuursrechter kan hiervan niet afwijken. Dat, volgens [belanghebbende], de in rekening gebrachte rente onredelijk hoog is, kan hem niet baten. Het is de rechter ingevolge artikel 11 van de Wet algemene bepalingen immers niet toegestaan de innerlijke waarde of de billijkheid van wettelijke bepalingen als zodanig te toetsen, behoudens voor zover de wettelijke regeling in strijd zou zijn met een ieder verbindende verdragsbepalingen. Gesteld noch gebleken is dat dit in onderhavige zaak het geval is.

6. Artikel 8:41, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

1. Van de indiener van het beroepschrift wordt door de griffier een griffierecht geheven.

(…)

3. Indien het een beroepschrift tegen twee of meer samenhangende besluiten dan wel van twee of meer indieners tegen hetzelfde besluit betreft, is eenmaal griffierecht verschuldigd.

Aan de parlementaire geschiedenis van artikel 8:41, eerste lid, van de Awb kan worden ontleend dat de wetgever met deze bepaling heeft beoogd dat, indien beroep is ingesteld door twee of meer indieners ter zake van twee of meer besluiten die zijn genomen ten aanzien van hen afzonderlijk, voor de indiening van het beroepschrift door elk van die indieners griffierecht is verschuldigd. Slechts indien twee of meer indieners één beroepschrift indienen ter zake van hetzelfde besluit is eenmaal griffierecht verschuldigd (vgl. Kamerstukken II 1993/94, 23 780, nr. 3, blz. 5 t/m 6, en Kamerstukken II 1994/95, 23 780, nr. 8, blz. 2 t/m 3). In dit verband is met 'indiener' bedoeld degene die voor zichzelf beroep instelt, respectievelijk namens wie beroep wordt ingesteld (ECLI:NL:HR:2010:BO7505).

7. Gelet op het feit dat onderhavig beroepschrift is ingediend namens vijf erfgenamen en dit beroepschrift is gericht tegen aan ieder van hen afzonderlijk opgelegde rentebeschikkingen, is geen sprake van een beroepschrift dat is gericht tegen hetzelfde besluit, als bedoeld in artikel 8:41, derde lid, van de Awb. Er is daarom terecht van [belanghebbende] griffierecht geheven.

8. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard."

Beoordeling van het hoger beroep

Ten aanzien van de heffingsrente

7.1.

Belanghebbende heeft in hoger beroep geen feiten en omstandigheden gesteld die in eerste aanleg nog niet zijn aangevoerd en evenmin argumenten gebezigd die een zodanig nieuw licht op het onderhavige geschil werpen, dat op grond daarvan de conclusie kan worden getrokken dat beslissing van de Rechtbank op het punt van de heffingsrente onjuist is. Dit leidt tot het oordeel dat de Rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordelen is gekomen. Het Hof acht de zienswijze van de Rechtbank en de gronden waarop deze zienswijze berust, juist en maakt deze tot de zijne.

Ten aanzien van het griffierecht

7.2.

In de zaken met de kenmerknummers BK-15/00362 en BK-15/00363 van de mede-erfgenamen [E] en [F] heeft het Hof in zijn uitspraken van 23 februari 2016 voor zover van belang – overwogen en geoordeeld:

4.4. (…)

Ingevolge artikel 8:41, eerste lid van de Awb wordt van de indiener van het beroepschrift door de griffier een griffierecht geheven. Het derde lid van artikel 8:41 Awb bestrijkt twee situaties, te weten (i) de situatie dat een beroepschrift wordt ingediend tegen twee of meer samenhangende besluiten en (ii) de situatie dat door twee of meer indieners een beroepschrift wordt ingediend tegen hetzelfde besluit.

In beide gevallen is eenmaal griffierecht verschuldigd. Artikel 8:41 Awb is – met uitzondering van het tweede lid – in artikel 8:108, eerste lid Awb van overeenkomstige toepassing verklaard op het hoger beroep.

4.5.1.

In de parlementaire behandeling is met betrekking tot artikel 8:41 van de Awb onder meer het volgende opgemerkt:

“Tijdens de parlementaire behandeling van hoofdstuk 8 van de Awb is onder meer aandacht besteed aan de wettelijke mogelijkheden om een ongewenste cumulatie van griffierechten tegen te gaan als beroep wordt ingesteld tegen verschillende, maar met elkaar samenhangende besluiten. Een van de in dat kader van de zijde van de regering genoemde mogelijkheden is het bij één beroepschrift instellen van beroep tegen twee of meer samenhangende besluiten, in welk geval slechts eenmaal griffierecht verschuldigd is. Mede gelet op de eerste praktische ervaringen in dezen is het gewenst, deze mogelijkheid uitdrukkelijk in artikel 8:41, eerste lid, neer te leggen en daarbij tevens te bepalen welk griffierecht verschuldigd is. Het is immers denkbaar dat voor een of meer van de bestreden besluiten een griffierecht van f 50 geldt en voor een of meer van de andere bestreden besluiten een griffierecht van f 200.”

MvT, Kamerstukken II 1993-1994, 23 780, nr. 3. p 5.

4.5.2.

En voorts:

“Indien twee of meer indieners gezamenlijk beroep instellen tegen gelijkluidende besluiten, kan onder omstandigheden materieel sprake zijn van «hetzelfde besluit» in de zin van artikel 8:41, eerste lid, tweede volzin. Dat zal met name het geval zijn als er geen reden is waarom het betrokken bestuursorgaan de beslissingen ten aanzien van de onderscheiden belanghebbenden niet ook formeel in hetzelfde besluit heeft neergelegd, bijvoorbeeld in het geval van een gezamenlijke aanvraag. Deze situatie wordt derhalve door de voorgestelde wettekst bestreken. Voor een verruiming zien wij, gelet op de doelstelling van de anti-cumulatieregelingen de risico’s voor oneigenlijk gebruik, geen reden.”

Nota n.a.v. verslag, Kamerstukken II 1994-1995, 23780, nr. 8 p 2.

4.6.

In dit geval is sprake van vijf indieners die in één geschrift gezamenlijk in hoger beroep zijn gekomen tegen vijf besluiten die zijn genomen tegen elk van hen afzonderlijk, te weten vijf afzonderlijke beschikkingen heffingsrente die aan elk van hen afzonderlijk zijn opgelegd. Belanghebbende betoogt kennelijk dat zich voordoet een situatie zoals hiervoor onder (ii) omschreven. Wil in die situatie slechts eenmaal griffierecht worden geheven dan moet volgens de wettelijke bepaling sprake zijn van “hetzelfde besluit”. Hiervan is in casu geen sprake. De desbetreffende beschikkingen heffingsrente betreffen beschikkingen die aan iedere erfgenaam afzonderlijk zijn opgelegd inzake eveneens afzonderlijke, aan iedere erfgenaam individueel, opgelegde aanslagen erfbelasting.

4.7.

Voorts is met ‘indiener’ bedoeld degene die voor zichzelf beroep instelt respectievelijk namens wie beroep wordt ingesteld. In zijn arrest van 17 december 2010, nr. 09/04183, LJN:BO7505, BNB 2011/73 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat in een situatie waarin een beroepschrift betrekking heeft op vier aanslagen die aan de indieners afzonderlijk zijn opgelegd, niet gezegd kan worden dat de beroepen zich richten tegen hetzelfde besluit en dat daarom viermaal griffierecht is verschuldigd.

4.8.

Het Hof concludeert dat iedere erfgenaam ter zake van het ingestelde (hoger) beroep griffierecht is verschuldigd. De omstandigheid dat meerdere aanslagen op hetzelfde aanslagbiljet zijn verenigd, dan wel in een geleidebrief worden vermeld, maakt voormeld oordeel niet anders.

4.9.

Het Hof vindt steun voor dit oordeel in de parlementaire geschiedenis waaruit blijkt dat de wetgever de anti-cumulatieregeling heeft willen beperken tot voormelde twee situaties die hij in artikel 8:41, derde lid van de Awb heeft neergelegd (vgl. ook Hoge Raad 17 december 2010, nr. 09/04183, ECLI:NL:HR:2010:BO7505, BNB 2011/73 en Hoge Raad 27 maart 2015, nr. 14/03189, ECLI:NL:HR:2015:741, BNB 2015/108). In zoverre faalt belanghebbendes verzet.

4.10.

Belanghebbendes verzoek om de vijf zaken van de onderscheidene erfgenamen te voegen hetgeen een discretionaire bevoegdheid van de rechter betreft kan hem, wat er verder ook zij van dit verzoek, niet baten. Voeging van de zaken heeft gelet op artikel 8:41 Awb, in casu niet tot gevolg dat slechts één maal griffierecht is verschuldigd.

7.3.

De gemachtigde van belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen vorenvermelde uitspraken. De Hoge Raad heeft in die zaken nog geen arrest gewezen.

7.4.

Het Hof blijft bij zijn hiervoor vermelde oordelen. Zulks betekent dat terecht van elk van de indieners van het (hoger)beroepschrift griffierecht is geheven.

Conclusie

Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat het hoger beroep ongegrond is.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het hoger beroep ongegrond.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, E.M. Vrouwenvelder en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier drs. N. El Allaoui. De beslissing is op 5 juli 2016 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.