Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:2089

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-05-2016
Datum publicatie
13-07-2016
Zaaknummer
22-003081-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft in strijd met de Opiumwet gehandeld door een hennepplantage in zijn woning te hebben gehad.

Het hof stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 9.932,40 (negenduizend negenhonderdtweeëndertig euro en veertig cent) en legt de veroordeelde de verplichting op om dit bedrag aan de Staat te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003081-15 PO

Parketnummer: 09-807710-14

Datum uitspraak: 18 mei 2016

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 26 juni 2015 in de ontnemingszaak tegen de veroordeelde:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1958,

[adres].

Procesgang

Bij arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van dit gerechtshof 's-Gravenhage van 18 mei 2016 is de veroordeelde, voor zover hier van belang, onder meer ter zake van het in zijn strafzaak onder 1 bewezen verklaarde, gekwalificeerd als:

feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod,

veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis, waarvan 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

De in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie houdt in dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van in totaal € 9.932,40, ter ontneming van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel uit het in zijn strafzaak onder 1 bewezen verklaarde feit.

De politierechter in de rechtbank Den Haag heeft bij vonnis van 26 juni 2015 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 9.932,40 en ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 9.932,40.

Namens de veroordeelde is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 4 mei 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de veroordeelde naar voren is gebracht.

De vordering in hoger beroep

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewijsvoering

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

Berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel

In de strafzaak tegen de veroordeelde is onder meer bewezen verklaard dat hij in de periode van 19 juni 2013 tot en met 31 oktober 2013 een hennepplantage heeft gehad in zijn woning aan [adres] te Voorburg. Het hof is van oordeel dat de veroordeelde uit deze hennepplantage wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Bij de berekening van de hoogte van dit wederrechtelijk verkregen voordeel houdt het hof rekening met één oogst (zie hierna), het aantal planten dat de veroordeelde toen voorhanden heeft gehad en de opbrengst en de kosten die de veroordeelde heeft gemaakt. Het hof hanteert hierbij de uitgangspunten van het rapport ‘Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht; standaardberekeningen en normen’ van 1 november 2010 (hierna: het BOOM-rapport).

Eén oogst

De veroordeelde heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de (enige) oogst mislukt was. Volgens de veroordeelde zou deze mislukte oogst in vuilniszakken zitten die hij nog moest weggooien.

Het hof acht deze verklaring onaannemelijk nu zich in de vuilniszakken - volgens het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex. art 36e 2e lid Sr, met rapportnummer PL 1573 2013214619 - hennepresten, namelijk potgrond met daarin gebruikte stekblokjes/rondjes en wortelresten, bevonden.

Het hof gaat er bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel dan ook vanuit dat er één geslaagde oogst is geweest. Gelet op het feit dat er in ruimte 3 van voornoemde woning 120 hennepplanten stonden en diverse vuilniszakken zijn aangetroffen met hennepresten gaat het hof ervan uit dat het - in ruimte 3 - ging om een oogst van 120 planten.

Opbrengst

Het hof zal uitgaan van een gemiddelde opbrengst van 28,2 gram hennep per plant. Hieruit volgt dat de oogst ongeveer 3,3 kilogram hennep heeft opgeleverd (28,2 gram x 120 planten). Het hof zal uitgaan van de gemiddelde verkoopprijs van € 3.280,- per kilo hennep.

Kosten

Het hof houdt rekening met de kosten die de veroordeelde voor één oogst heeft moeten maken. Het hof houdt rekening met de kosten van de hennepstekken, afschrijvingskosten en de overige variabele kosten zoals omschreven in het BOOM-rapport.

Berekening

Het voorgaande leidt tot de volgende berekening:

Opbrengst (3,3 kilogram x € 3.280,-): € 10.824,-

Afschrijvingskosten : € 150,-

Hennepstekken (120 x € 2,85) € 342,-

Variabele kosten (120 planten x € 3,33): € 399,60

Totale kosten: € 891,60

Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel: € 9.932,40

Gelet op het bovenstaande stelt het hof, conform de vordering van de advocaat-generaal, het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 9.932,40.

Vaststelling van de betalingsverplichting

Het hof zal aan de veroordeelde de verplichting opleggen het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat aan de Staat te betalen.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 9.932,40 (negenduizend negenhonderdtweeëndertig euro en veertig cent).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 9.932,40 (negenduizend negenhonderdtweeëndertig euro en veertig cent).

Dit arrest is gewezen door mr. S.A.J. van 't Hul,

mr. L.F. Gerretsen-Visser en mr. I.P.A. van Engelen, in bijzijn van de griffier mr. T.E.J. Bruinen.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 mei 2016.