Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:2036

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-07-2016
Datum publicatie
01-08-2016
Zaaknummer
200.158.790/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid assurantietussenpersoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2016/104
NTHR 2016, afl. 5, p. 269
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.158.790/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/410023/ HA ZA 12-22

arrest van 19 juli 2016

inzake

1. […],

2. [.] ,

3. [.] ,

alle gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellanten, tevens geïntimeerden in het incidenteel appel,

hierna te noemen: [K] , [L] en [M&K] en gezamenlijk [K] c.s.,

advocaat: mr. E.J. Eijsberg te Rotterdam,

tegen

[…] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde, tevens appellant in het incidenteel appel,

hierna te noemen: [R] ,

advocaat: mr. C. Blanken te Den Haag.

Het geding

Bij exploot van 14 augustus 2014 zijn [K] c.s. in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen vonnis van 21 mei 2014. Bij memorie van grieven met producties hebben Kivitis c.s. drie grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft [R] de grieven bestreden en in incidenteel appel een tweetal grieven tegen het bestreden vonnis van 21 mei 2014 gericht. Bij memorie van antwoord in het incidenteel appel hebben [K] c.s. de incidentele grieven bestreden.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling

1. Het hof merkt op dat in het van de zijde van [K] c.s. overgelegde procesdossier zich ook de dagvaarding en de conclusie van antwoord in de in eerste aanleg onder rolnummer C/09/450958 / HA ZA 13-1066 tussen [R] en [VK] gevoerde vrijwaringsprocedure bevindt. Deze stukken behoren niet tot de processtukken in de onderhavige zaak. Immers, in het vonnis van de rechtbank van 21 mei 2014 wordt daarvan geen melding gemaakt onder de processtukken. Evenmin zijn deze stukken als producties overgelegd; het hof heeft deze daarom terzijde gelegd zonder er kennis van te nemen.

2. De door de rechtbank in haar vonnis van 21 mei 2014 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan. Het hof stelt aanvullend enkele feiten vast, die enerzijds zijn gesteld en anderzijds niet (gemotiveerd) zijn betwist. Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.1.

[K] c.s. zijn een groothandel in voedingsmiddelen en delicatessen, waaronder horeca-snacks. Een deel van de producten waarin [K] c.s. handelen, zijn zij in de loop der tijd zelf gaan produceren. Het bedrijfspand waarin [K] c.s. de activiteiten uitoefenen, is eigendom van [M&K] .

2.2.

[R] treedt op als assurantietussenpersoon.

2.3.

[R] heeft in 2004 de assurantieportefeuille waarin zich de verzekeringen van [K] c.s. bevonden overgenomen. De verzekeraar van [K] c.s. was Reaal Schadeverzekering. De verzekeringen liepen via [VK] .

2.4

[K] c.s. beschikten over :

- een brandverzekering ten behoeve van de bedrijfsschade van [K] en [L] ;

- twee brandverzekeringen ten behoeve van de roerende zaken van [K] en [L] ;

- een brandverzekering ten behoeve van het bedrijfsgebouw en de inventaris van [M&K] .

2.5.

De contactpersoon van [K] c.s. bij [R] was aanvankelijk de heer [naam] (hierna: [G] ) en later de heer [naam] (hierna: [P] ).

2.6.

In of rond 2009 hebben de bedrijfsactiviteiten en omzet van [K] en [L] een aanzienlijke groei doorgemaakt.

2.7.

Op 1 juli 2010 heeft een brand gewoed in het bedrijf van [K] c.s..

2.8.

Bij de afwikkeling van de schade bleek sprake te zijn van onderverzekering, waarmee rekening is gehouden bij de door verzekeraar uitgekeerde bedragen.

2.9.

Tussen [K] c.s. als verzekerden en [R] als assurantietussenpersoon is een geschil ontstaan omtrent de vraag of [R] in voldoende mate aan de op haar als assurantietussenpersoon rustende zorgplicht heeft voldaan. In dat kader heeft de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van [R] een voorschot van € 250.000,= aan [K] c.s. betaald.

3. [K] c.s. hebben in eerste aanleg gevorderd [R] te veroordelen tot betaling aan [K] van een bedrag van € 102.138,13, aan [L] van een bedrag van € 81.436,18 en aan [K] en [L] gezamenlijk van een bedrag van € 735.766,00, en aan [K] c.s. van een bedrag van € 5.160,00, alle bedragen vermeerderd met de wettelijke (handels)rente vanaf 1 juli 2010, althans vanaf 24 februari 2011.

4. [K] c.s. hebben aan hun vorderingen – kort gezegd – het volgende ten grondslag gelegd. [R] heeft niet gehandeld zoals van een redelijk bekwaam, redelijk handelend assurantietussenpersoon mocht worden verwacht. [R] heeft er ten onrechte niet voor gezorgd dat de verzekerde sommen voldoende waren, zodat van onderverzekering sprake was. [R] heeft onder meer nagelaten te bevorderen dat taxaties plaatsvonden.

Verder heeft [R] de looptijd van de bedrijfsschadeverzekering zonder overleg met [K] c.s. verlaagd van 52 naar 26 weken. Voor zover zou moeten worden aangenomen dat de looptijd van de bedrijfsschadeverzekering steeds 26 weken is geweest, had [R] als redelijk bekwaam en redelijk handelend tussenpersoon moeten onderkennen dat een uitkeringsduur van 26 weken voor een bedrijf als dat van [K] c.s. onvoldoende was en [K] c.s. moeten adviseren de looptijd aan te passen.

5. De rechtbank heeft [R] bij vonnis van 21 mei 2014 veroordeeld om aan [K] een bedrag van € 102.138,13 en aan [L] een bedrag van € 81.436,18 te betalen, beide bedragen met de wettelijke rente daarover vanaf 30 november 2010 en voorts om aan [K] en [L] te betalen het bedrag van € 357.097,00 met de wettelijke rente daarover vanaf 13 mei 2011, met veroordeling van [R] in de proceskosten.

6. De rechtbank heeft aan haar oordeel kort gezegd ten grondslag gelegd dat [R] had moeten waarschuwen voor onderverzekering, zoals ook door [R] erkend. Het door [R] gedane beroep op eigen schuld aan de zijde van [K] c.s. is afgewezen, kort gezegd omdat [R] er op bedacht moest zijn dat de directie van [K] c.s. wat betreft de verzekeringszaken volledig vertrouwde op de deskundigheid van [R] en [R] haar wijze van informeren daarop diende af te stemmen. Het door [R] betaalde voorschot dient met de toegewezen bedragen te worden verrekend. Met betrekking tot de looptijd van de bedrijfsschadeverzekering heeft de rechtbank overwogen dat [K] c.s. tegenover de gemotiveerde betwisting van [R] niet heeft aangetoond dat de uitkeringstermijn voor bedrijfsschade ooit meer dan 26 weken is geweest. [K] c.s. hebben voorts onvoldoende onderbouwd dat op [R] de plicht rustte [K] c.s. er op te wijzen dat de uitkeringstermijn van 26 weken naar 52 weken verlengd diende te worden.

7. In hoger beroep vorderen [K] c.s. dat het bestreden vonnis wordt vernietigd en hun vorderingen alsnog volledig worden toegewezen, met veroordeling van [R] in de kosten van het hoger beroep. In het incidentele appel vordert [R] dat het hof het vonnis ter zake van de in het incidenteel appel aan de orde zijnde punten vernietigt en opnieuw rechtdoende de vorderingen van [K] c.s. afwijst, met veroordeling van [K] c.s. in de kosten van de eerste aanleg en het hoger beroep.

8. Bij de beoordeling van de grieven in het principale en incidentele appel stelt het hof het volgende voorop. Een assurantietussenpersoon dient tegenover zijn opdrachtgever de zorg te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht. Het is zijn taak te waken over de belangen van de verzekeringnemers bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen. Wat er precies van de assurantietussenpersoon mag worden verwacht, hangt af van de omstandigheden van het geval. Daarbij is van belang de aard en inhoud van de opdracht en de belangen van de cliënt, voor zover kenbaar voor de tussenpersoon.

9. De grieven 1 en 2 in het principale appel richten zich tegen het oordeel dat omtrent de looptijd van de bedrijfsschadepolis. Het hof stelt vast dat door partijen diverse polisbladen in het geding zijn gebracht met betrekking tot de bedrijfsschadepolis. Het betreft:

- een polisblad met polisnummer 95114611, gedateerd 29 oktober 2007, dat als wijzigingsdatum vermeldt 28 oktober 2007 (ingangsdatum 27-01-1992) en “de maximum uitkeringstermijn is 26 weken”

- een polisblad met polisnummer VKG95114611, gedateerd 28 december 2007, dat als mutatiedatum vermeldt 28 oktober 2007. Op vervolgblad 5 is een maximale uitkeringsduur van 52 weken opgenomen.

- een polisblad met polisnummer VKG95114611, gedateerd 16 oktober 2008, dat als mutatiedatum 1 augustus 2008 vermeldt. Op vervolgblad 5 is een maximale uitkeringsduur van 26 weken opgenomen.

- een polisblad met polisnummer VKG95114611, gedateerd 19 december 2009, dat als mutatiedatum vermeldt 27 januari 2010. Op vervolgblad 5 is een maximale uitkeringsduur opgenomen van 26 weken.

- een polisblad gedateerd 26 juli 2010, dat als mutatiedatum vermeldt 27 januari 2009 en op vervolgblad 5 een maximale uitkeringsduur van 52 weken.

10. [K] c.s. hebben zich aanvankelijk uitsluitend op het standpunt gesteld dat de maximale uitkeringsduur altijd 52 weken is geweest en dat [R] in 2008, zonder medeweten van [K] c.s., de uitkeringsduur heeft teruggebracht tot 26 weken. [R] heeft aanvankelijk (bij conclusie van antwoord) het standpunt ingenomen dat zij de uitkeringsduur niet heeft teruggebracht, maar dat [VK] dat heeft gedaan. Na de comparitie van partijen heeft [R] toegelicht dat de uitkeringstermijn altijd 26 weken is geweest, maar dat [VK] eenmaal (in 2007) een polisblad heeft afgegeven waarop ten onrechte een uitkeringsduur van 52 weken is vermeld. Omdat [P] pas eind 2007 contactpersoon van [K] c.s. is geworden, is het hem ontgaan dat die polis een onjuiste uitkeringsduur bevatte.

11. Op grond van de door partijen in het geding gebrachte polisbladen en gezien hetgeen door [R] daarover is aangevoerd, acht het hof onvoldoende onderbouwd dat de uitkeringstermijn van de bedrijfsschadepolis, zoals door [K] c.s. gesteld, vanaf het afsluiten steeds 52 weken was en op enig moment door [R] – zonder opdracht van of overleg met [K] c.s. – is teruggebracht naar 26 weken. Het hof merkt nog op dat het hierboven als laatste genoemde polisblad – hoewel dit een mutatiedatum vermeldt van vóór de brand – dateert van na de brand, zodat dat polisblad geen gewicht in de schaal kan leggen.

12. [K] c.s. voeren subsidiair aan dat een uitkeringsduur van 26 weken onvoldoende was en dat [R] ten onrechte niet heeft geadviseerd voor een uitkeringsduur van 52 weken te kiezen. [K] c.s. hadden dit advies opgevolgd omdat zij veel waarde hechten aan goed verzekerd te zijn. [R] wist echter niet eens wat de uitkeringsduur was en heeft pas later (na de brand) ontdekt dat die 26 weken was. Dit is des te kwalijker nu [K] c.s. [R] herhaaldelijk heeft gevraagd of alles goed verzekerd was, waarop [R] steeds bevestigend heeft geantwoord.

13. [R] stelt dat moet worden aangenomen dat [K] c.s. een uitkeringsduur van 26 weken wensten, omdat dat de uitkeringsduur was die tot 2007 altijd op de polis heeft gestaan. Volgens [R] hebben [K] c.s. nimmer te kennen gegeven dat zij een langere uitkeringsduur wensten. Bovendien zou de uitkeringsduur van 26 weken in dit geval voldoende zijn geweest, als Reaal sneller was geweest met de betaling van de voorschotbedragen waardoor [K] c.s. meer voortvarend te werk had kunnen gaan bij de wederopbouw van het bedrijf.

14. Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen staat vast dat [R] gemiddeld zo’n drie keer per jaar bij [K] c.s. op het bedrijf langskwam om de verzekeringsportefeuille door te nemen. Dit gebeurde volgens [K] c.s. aanvankelijk met de heer [K] , maar toen die in 2007 arbeidsongeschikt raakte werden die gesprekken gevoerd met diens plaatsvervanger de heer [M] . [R] heeft niet, althans niet gemotiveerd, betwist dat vanaf 2007 bij [K] c.s. de verzekeringszaken werden behandeld door [M] , die daarvan weinig verstand had. Van de zijde van [R] is ter zitting in eerste aanleg bevestigd dat [M] in die periode herhaaldelijk heeft gevraagd of het met de verzekeringen wel goed zat. Niet is betwist dat op die vraag bevestigend is gereageerd. Ook heeft [R] ter comparitie bevestigd dat [P] bij deze bezoeken kon vaststellen, dat de bedrijfsvoering van [K] c.s. werd uitgebreid. Deze omstandigheden brengen mee dat van [R] een actieve houding mocht worden verwacht teneinde na te gaan, of de door [K] c.s. afgesloten verzekeringen voldeden aan hetgeen [K] c.s. in geval van een calamiteit nodig hadden.

15. Het hof constateert dat gesteld noch gebleken is dat [R] met [K] c.s. heeft besproken of de uitkeringstermijn van 26 weken nog wel voldoende was toen bleek dat het bedrijf van [K] c,s, groeide en inmiddels ook een productiebedrijf was geworden.

Partijen zijn het erover eens dat [VK] in 2007 een polisblad heeft afgegeven waarop een uitkeringstermijn van 52 weken is vermeld. Blijkens haar eigen stelling is [R] nadien uitgegaan van de juistheid van deze polis. [R] heeft niet (voldoende gemotiveerd) weersproken dat zij ten tijde van de gebruikelijke besprekingen bij [K] c.s. uitdrukkelijke met [M] heeft besproken dat de uitkeringstermijn 52 weken bedroeg. Dat de polis een fout bevatte, is [R] kennelijk ontgaan, ook nadat het polisblad in 2008 weer een uitkeringsduur van 26 weken vermeldde.

16. Het hof is van oordeel dat [K] c.s. gezien deze gang van zaken redelijkerwijs in de veronderstelling kon verkeren dat de uitkeringsduur daadwerkelijk 52 weken was, in ieder geval vanaf het moment dat dit met [K] c.s. is besproken, te meer tegen de achtergrond van de hierboven geschetste omstandigheden, waardoor men er aan de zijde van [R] van uit moest gaan dat [K] c.s. volledig vertrouwden op de van de zijde van [R] gegeven informatie. De stelling van [R] dat [K] c.s. in 2007 (eigenlijk) een uitkeringsduur van 26 weken wensten, is tegen deze achtergrond onvoldoende toegelicht. De enkele omstandigheid dat de uitkeringsduur in het verleden 26 weken had bedragen, hetgeen [M] (kennelijk) niet heeft geweten, is daarvoor onvoldoende. Mede gezien de gewijzigde bedrijfsvoering, had het op de weg van [R] gelegen [K] c.s. voor te lichten over de mogelijkheid te kiezen voor een langere uitkeringsduur, in ieder geval in 2008, toen [R] duidelijk had moeten zijn dat partijen in 2007 ten onrechte van een uitkeringsduur van 52 weken waren uitgegaan. [R] heeft aldus aan [K] c.s. de mogelijkheid onthouden om een afweging te maken welke uitkeringsduur het meest passend zou zijn geweest. Bij deze stand van zaken volgt het hof het standpunt van [K] c.s., dat een uitkeringsduur van 52 weken door hen gewenst was en dat daarvoor dus ook gekozen zou zijn. Door [R] zijn op dit punt geen feiten gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden. Het algemene bewijsaanbod van [R] in de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel onder punt 33, tot het horen van [P] , zal daarom worden gepasseerd als niet ter zake dienend of onvoldoende concreet.

17. [R] heeft in dit verband verder nog aangevoerd dat [K] c.s. er wat betreft de bedrijfsschade van uit zijn gegaan dat zij bij schade maximaal € 350.000,= uitgekeerd zou hebben gekregen, hetgeen voor haar kennelijk voldoende was. Dit volgt volgens [R] uit hetgeen van de zijde van [K] c.s. is opgemerkt tijdens de comparitie van partijen in eerste aanleg. Voor zover [R] hiermee beoogt te stellen dat [K] c.s. geen schade heeft geleden door de maximale uitkeringsduur van 26 weken, omdat het verzekerde bedrag ook bij een langere looptijd hoe dan ook was beperkt tot € 350.000,= volgt het hof [R] daarin niet. Vastgesteld moet immers worden dat, uitgaande van een maximale uitkeringsduur van 52 weken sprake is van (forse) onderverzekering. Het lag op de weg van [R] als assurantietussenpersoon om in overleg met [K] c.s. vast te stellen of de door [K] c.s. afgesloten verzekeringen (nog) voldeden in het licht van de bedrijfsvoering van [K] c.s..

18. Het bovenstaande brengt mee dat [R] door [K] c.s. aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade die zij heeft geleden doordat de uitkeringsduur van de bedrijfsschadeverzekering niet 52, maar 26 weken was.

Voor wat betreft de hoogte van die schade volgt het hof het standpunt van [R] , inhoudende dat deze door de experts van partijen gezamenlijk is vastgesteld op een bedrag van € 360.000,= (conclusie van antwoord, nr. 26). [K] c.s. hebben dit onderbouwde standpunt van [R] , hoewel zij daartoe in de gelegenheid zijn geweest, niet gemotiveerd weersproken. [R] heeft voorts bij grief 2 in incidenteel appel aangevoerd, dat ten onrechte door de rechtbank bij het bepalen van de te vergoeden bedrijfsschade geen rekening is gehouden met bespaarde premies. Indien over de periode 2008 – 2010 van een gemiddeld verzekerd belang van € 1.600.000,= wordt uitgegaan in plaats van € 350.000,= is het verschil € 1.250.000,=, aldus [R] , die daar de volgende berekening aan koppelt: (€ 1.250.000,= x 3 ‰) x 2 jaar = € 7.500,= aan bespaarde premie. [K] c.s. voeren aan dat op zichzelf voor de hand ligt dat inderdaad premies is bespaard, maar achten het door [R] voorgerekende bedrag onvoldoende onderbouwd. [K] c.s. voeren echter niet aan waarom de – inzichtelijke – berekening van [R] onjuist is. Het hof zal daarom uitgaan van het door [R] berekende bedrag en het schadebedrag derhalve verminderen met € 7.500,=.

19. Noch ten aanzien van de onderverzekering, noch ten aanzien van de uitkeringsduur van de bedrijfsschadeverzekering volgt het hof de in grief 1 in incidenteel appel ingenomen stelling van [R] dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van [K] c.s. [R] heeft daartoe aangevoerd dat de verzekerde sommen van de verzekeringen, waaronder die van de bedrijfsschadeverzekering, eenvoudig van het polisblad zijn af te lezen en dat dit voor [K] c.s. aanleiding had moeten zijn om aanpassing van die sommen te vragen als deze haar te laag waren voorgekomen. Gezien hetgeen hierboven is overwogen omtrent de gang van zaken, in het bijzonder de kenbare ondeskundigheid van [K] c.s. en het herhaalde verzoek zijdens [K] c.s. aan [R] om te bevestigen dat alles in orde was met de verzekeringen, kan [K] c.s. niet worden tegengeworpen dat zij niet zelf de verzekerde sommen heeft gecontroleerd. Het lag op de weg van [R] om, gezien de vraagstelling van [K] c.s., de verzekeringen na te lopen en de verzekerde sommen te controleren, afgezet tegen de bedrijfsvoering (waaronder de omzet, de waarde van de voorraden en inventaris enz.) van [K] c.s. op dat moment. Niets had er aan in de weg gestaan dat [R] de daarvoor benodigde gegevens bij [K] c.s. had opgevraagd. Dat zij, in tegenstelling tot de jaren daarvoor, verzuimd heeft bij [K] c.s. tijdig de relevante financiële gegevens over de jaren 2008 en 2009 op te vragen, blijkt uit [P] ’ verzoek daaromtrent op 9 juli 2010, dus na de brand (productie 29 bij brief van 26 november 2014 ten behoeve van de comparitie in eerste aanleg). Grief 1 in incidenteel appel faalt dus.

Het door [R] in eerste aanleg gevoerde verweer ten aanzien van de verzekeringsduur van de bedrijfsschade, inhoudende dat het op de weg van [K] c.s. lag om op de polisbladen te controleren of de door hen gewenste uitkeringsduur daarop was vermeld, gaat evenmin op. Daartoe is ten eerste redengevend dat wel degelijk op enig moment een polisblad is afgegeven waarop een uitkeringsduur van 52 weken was vermeld en ten tweede dat voor [R] duidelijk moest zijn dat [K] c.s. volledig blind voeren op de van de zijde van [R] verstrekte informatie.

20. Het bovenstaande brengt mee dat de grieven 1 en 2 in het principale hoger beroep in zoverre slagen en dat [R] alsnog zal worden veroordeeld om de schade te vergoeden die [K] en Landi hebben geleden doordat de uitkeringsduur van de bedrijfsschadeverzekering niet 52, maar 26 weken bedroeg. Deze schade wordt begroot op € 360.000,=, welk bedrag op grond van het slagen van grief 2 in het incidentele hoger beroep moet worden verminderd met de bespaarde premie van € 7.500,=, hetgeen een bedrag van € 352.500,= oplevert. Het vonnis van de rechtbank, zoals neergelegd in het dictum onder 5.3, zal derhalve worden vernietigd en aan [K] en [L] zal een bedrag worden toegewezen van € 709.597,=. (het bedrag van € 357.097,= verhoogd met € 352.500,=). [K] c.s. hebben geen grief gericht tegen het oordeel dat de wettelijke rente over de bedrijfsschade toewijsbaar is vanaf 13 mei 2011. Ook het hof zal de gevorderde wettelijke rente daarom toewijzen vanaf die datum.

21. [K] c.s. hebben tot slot een grief gericht tegen de afwijzing van de door hen gevorderde buitengerechtelijke kosten. Deze grief wordt verworpen. Voor zover sprake is van handelingen van de raadsman van [K] c.s. die tot een (gedeeltelijke) schikking tussen partijen hebben geleid, worden de daarmee samenhangende kosten geacht te zijn verdisconteerd in het overeengekomen bedrag. Voor het overige geldt dat niet is komen vast te staan dat pre-processueel werkzaamheden zijn verricht die niet vallen onder de voorbereiding van de procedure en die meer behelzen dan een enkele, mogelijk herhaalde, aanmaning. Bewijzen van betaling van enig bedrag aan de expert zijn niet overgelegd, nog daargelaten dat van de zijde van [K] c.s. ook een contra-expert zou zijn ingeschakeld ter vaststelling van de schade als gevolg van de brand, indien de beroepsfout van [R] wordt weggedacht.

22. De bewijsaanbiedingen van partijen, voor zover hierboven nog niet besproken, worden gepasseerd als niet ter zake dienend danwel onvoldoende concreet.

23. Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd voor zover het betreft het onder 5.3 van het dictum aan [K] en [L] toegewezen bedrag in verband met de bedrijfsschade en het dictum onder 5.6 voor zover daarin verdisconteerd is hetgeen in hoger beroep wordt toegewezen, en dat het vonnis voor het overige wordt bekrachtigd. Het hof gaat er met de rechtbank van uit dat het reeds door [R] uitgekeerde bedrag wordt verrekend met de toegewezen bedragen.

24. Bij de uitkomst van het principale hoger beroep past dat [R] , als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, wordt veroordeeld in de kosten daarvan. Deze worden aan de zijde van [K] c.s. begroot op € 5.194,17 aan verschotten (€ 5.114,= aan griffierecht en € 80,17 aan exploitkosten) en € 3.895,= aan kosten advocaat. In het incidentele appel zijn beide partijen over en weer in het gelijk en het ongelijk gesteld. Het hof zal daarom bepalen dat beide partijen daarvan de eigen kosten dragen.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het bestreden vonnis van 21 mei 2014 voor zover het betreft het dictum onder randnummer 5.3 juncto 5.6, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [R] om aan [K] en [L] te betalen het bedrag van € 709.597,= met de wettelijke rente daarover vanaf 13 mei 2011 tot aan de dag van betaling;

- bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

- veroordeelt [R] in de kosten van het principaal appel, tot op heden aan de zijde van [K] c.s. begroot op € 5.194,17 aan verschotten en € 3.895= aan salaris advocaat;

- bepaalt dat beide partijen de eigen kosten dragen in het incidenteel appel;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de hierin uitgesproken veroordelingen;

- wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.A. Schreuder, C.A. Joustra en J.M. Willink en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 juli 2016 in aanwezigheid van de griffier.