Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:1986

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17-06-2016
Datum publicatie
13-07-2016
Zaaknummer
BK-15/01212
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:13626, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep houdt partijen, net als voor de rechtbank, het antwoord op de vraag verdeeld of belanghebbende voor het jaar 2014 is gehouden aan de met de Inspecteur gemaakte afspraken over de feitelijke gang van zaken in de onderneming van belanghebbende en de gevolgen voor de heffing van omzetbelasting, die zijn neergelegd in de vaststellingsovereenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1614
V-N 2016/46.17.16
FutD 2016-1792
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-15/01212

Uitspraak van 17 juni 2016

in het geding tussen:

mevrouw [X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Rotterdam, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 november 2015, nr. SGR 15/3408.

Procesverloop

1.1.

Belanghebbende, een kwartaalaangever, heeft bezwaar gemaakt tegen de op de aangiften voor het jaar 2014 voldane bedragen aan omzetbelasting.

1.2.

Bij gezamenlijke uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de bezwaren afgewezen.

1.3.

Tegen de uitspraak van de Inspecteur heeft belanghebbende beroep bij de rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 167 is geheven.

1.4.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 248 is geheven.

1.6.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.7.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 10 juni 2016 in Den Haag. Partijen zijn verschenen.

Feiten

Met inachtneming van wat de rechtbank heeft vastgesteld, gaat het Hof uit van de volgende feiten:

2.1.

Belanghebbende exploiteert onder de naam [Y] een privéhuis, voor welke activiteit zij ondernemer voor de omzetbelasting is. Het privéhuis bestaat uit een ruimte waar klanten kunnen kennismaken met prostituees en kamers waar de prostituees hun diensten verlenen. De klant betaalt de vergoeding voor de (standaard)dienstverlening van de prostituee aan belanghebbende en belanghebbende betaalt de prostituees.

2.2.

Partijen hebben voor het jaar 2014, net als voor de jaren 2008 t/m 2013, een vaststellingsovereenkomst gesloten. Blijkens de overeenkomst zijn afspraken gemaakt over de fiscale consequenties van de exploitatie van het privéhuis, waaronder de praktische gevolgen voor de heffing van omzetbelasting:

"(…)

In aanmerking nemende dat:

1. De duiding van de arbeidsverhouding voor sekswerkers, en daaruit voortvloeiend de heffing van omzetbelasting, de loonheffing en de bijdrage Zorgverzekeringswet in de prostitutiebranche verschil van inzicht oplevert tussen enerzijds de Belastingdienst en anderzijds exploitanten in deze branche;

2. De Belastingdienst enerzijds en exploitanten en adviseurs anderzijds in gezamenlijkheid hebben gewerkt aan de totstandkoming van een regeling binnen bestaande kaders, volgens welke de heffing van omzetbelasting, de loonheffing en de bijdrage Zorgverzekeringswet wordt afgewikkeld;

3. Binnen dit overleg overeenstemming is bereikt over een toe te passen regeling, die naar de mening van de Belastingdienst past binnen zowel de nationale wettelijke kaders als de Europees rechtelijke fiscale regelgeving;

4. De Belastingdienst exploitanten in de prostitutiebranche in de gelegenheid stelt onderhavige overeenkomst te sluiten ter voorkoming van geschilpunten en/of onzekerheden voor de toekomst;

5. Belastingplichtige onder de naam [Y] te [Z] een onderneming drijft in de prostitutiebranche. Hierna zal deze onderneming worden aangeduid als 'de Onderneming';

6. Binnen de Onderneming één of meerdere sekswerkers werkzaam zijn, hierna te noemen: 'de Sekswerker';

7. Belastingplichtige en Belastingdienst ter voorkoming van geschilpunten en/of onzekerheden ter zake van de heffing van enerzijds loonbelasting, premies volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en de bijdrage ingevolge de Zorgverzekeringswet, en anderzijds omzetbelasting afspraken wensen te maken;

8. Partijen hun gemaakte afspraken schriftelijk wensen vast te leggen.

Verklaren het navolgende te zijn overeengekomen:

Artikel 1 - Bijlagen en Onverbrekelijkheid

Een integraal en onverbrekelijk onderdeel van deze overeenkomst vormt het 'Voorwaardenpakket' zoals vastgelegd in de volgende bijlagen:

1. Bijlage 1: De brochure 'Belasting, hoe werkt dat in de relaxbranche';

2. Bijlage 2: De kleedkamerposter 'Werk jij bij de exploitant volgens het Voorwaardenpakket?';

3. Bijlage 3: Het informatiedocument voor de exploitant, behorende bij Bijlage 1;

4. Bijlage 4: De aanwezigheidslijst;

5. Bijlage 5: De drankgeldlijst;

6. Bijlage 6: De omzetdagstaat;

7. Bijlage 7: De verzameldagstaat;

8. Bijlage 8: Het overzicht 'Loonheffing en privacy';

9. Bijlage 9: Het uitbetaaloverzicht;

10. Bijlage 10: De 'Verklaring loonheffingen opting-in',

hierna gezamenlijk te noemen: 'de Bijlagen', welke de Belastingdienst aan Belastingplichtige heeft verstrekt en welke Belastingplichtige verklaart te hebben ontvangen.

Artikel 2 - Reikwijdte van deze overeenkomst

Deze overeenkomst regelt de afspraken tussen de Belastingdienst en Belastingplichtige ter zake navolgende afdrachten:

1. De afdracht van omzetbelasting ten laste van Belastingplichtige;

(…)

Artikel 3 - Heffing van omzetbelasting

De gehele binnen de onderneming van Belastingplichtige gerealiseerde omzet (inclusief het door de Sekswerker te genieten aandeel in deze omzet) is omzet van Belastingplichtige welke is onderworpen aan de heffing van omzetbelasting ten laste van Belastingplichtige tegen het algemeen tarief, zoals is uiteengezet in de Bijlagen.

(…)

Artikel 5 - Aanvang en duur van deze overeenkomst alsmede opzegging

1. Deze overeenkomst treedt, na ondertekening, met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2014 in werking. Belastingplichtige zal derhalve vanaf die datum voldoen aan de overeengekomen verplichtingen, waaronder met name de aangifte- en afdrachtplicht.

2. Deze overeenkomst heeft een looptijd tot 1 januari 2015. In 2014 zal een evaluatie plaatsvinden. De intentie is er op gericht om te komen tot een voortzetting van de overeenkomst.

3. Ieder der partijen heeft het recht deze overeenkomst per kalenderjaar op te zeggen, met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden.

Artikel 6 - Opzegging door de Belastingdienst

1. Opzegging van deze overeenkomst door de Belastingdienst kan voorts plaats vinden indien en voor zover:

a. Middels een gerechtelijke procedure onherroepelijk komt vast te staan dat de integrale inhoud van deze overeenkomst niet rechtsgeldig is en dientengevolge deze overeenkomst niet in stand kan blijven;

b. Wetswijziging de instandhouding van deze overeenkomst redelijkerwijs niet langer rechtvaardigt.

2. Indien en zodra één van de omstandigheden als bedoeld in lid 1 van dit artikel zich voordoet, zullen de Belastingdienst en de Belastingplichtige zich inspannen om een nieuwe overeenkomst te sluiten respectievelijk deze overeenkomst aan te passen, waarbij de inhoud enerzijds zoveel als mogelijk aansluit bij doel en strekking van deze overeenkomst en anderzijds wel rechtsgeldig is respectievelijk zoveel als mogelijk aansluit bij de nieuwe wetgeving.

Artikel 7 - Tussentijdse beëindiging

1. De Belastingdienst heeft het recht deze overeenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen op het moment dat blijkt dat Belastingplichtige handelt in strijd met deze overeenkomst.

2. In geval van tussentijdse beëindiging als bedoeld in lid 1, heeft deze beëindiging terugwerkende kracht tot het tijdstip dat Belastingplichtige voor het eerst heeft gehandeld in strijd met deze overeenkomst.

Artikel 8 - Inspanning Belastingdienst

De Belastingdienst zal Belastingplichtige, voor zover mogelijk, medewerking verlenen voor de invoering en naleving van de in deze overeenkomst gemaakte afspraken. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan informatiebijeenkomsten voor sekswerkers.

Artikel 9 - Algemene bepalingen

1. Deze overeenkomst met de Bijlagen bevat alle afspraken welke tussen partijen zijn gemaakt omtrent de aangelegenheden, waaraan in deze overeenkomst wordt gerefereerd en treedt in de plaats van alle eerdere overeenkomsten die tussen partijen omtrent die aangelegenheden zijn gesloten.

2. Indien enige bepaling van deze overeenkomst ongeldig mocht zijn, behouden de overige bepalingen hun werking. In dat geval zullen partijen de ongeldige bepaling vervangen door een geldige bepaling overeenkomstig doel en strekking van deze overeenkomst en wel zodanig dat de nieuwe bepaling zo weinig als mogelijk verschilt van de ongeldige bepaling.

3. De Belastingdienst verklaart dat zij volledig bevoegd is tot het sluiten van de onderhavige overeenkomst.

4. Wijzigingen van deze overeenkomst en de Bijlagen zijn eerst rechtsgeldig wanneer zij schriftelijk zijn overeengekomen. Wijzigingen voortvloeiend uit de wet (bijvoorbeeld tarieven) zijn zonder meer rechtsgeldig.

5. Deze overeenkomst wordt beheerst door Nederlands recht.

6. Alle geschillen tussen partijen, welke mochten ontstaan naar aanleiding van deze overeenkomst of van overeenkomsten welke daarvan het gevolg zijn, zullen in eerste instantie worden beslecht door middel van een gerechtelijke procedure voor de bevoegde rechter.

(…)"

2.3.

Voor het jaar 2014 heeft belanghebbende conform de afspraken in de vaststellingsovereenkomst de aangiften voor de omzetbelasting gedaan.

De rechtbank

3. De rechtbank heeft overwogen:

"(…)

Geschil

5. In geschil is of [belanghebbende] terecht omzetbelasting heeft voldaan over de totale binnen de onderneming gerealiseerde omzet.

6. [ Belanghebbende] stelt zich op het standpunt dat zij alleen omzetbelasting hoeft te voldoen over de omzet die ziet op de verhuur van kamers. De prostituees moeten zelf over de door hun verrichte diensten omzetbelasting betalen, omdat zij deze als zelfstandig ondernemer verrichten. Aangezien artikel 3 van de vaststellingsovereenkomst deze omzet aan [belanghebbende] toerekent en aldus bepaalt dat [belanghebbende] hierover omzetbelasting moet voldoen, is deze bepaling in de vaststellingsovereenkomst contra legem. Volgens [belanghebbende] kan [de Inspecteur] geen beroep doen op toepassing van artikel 64 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr).

7. [ De Inspecteur] stelt zich op het standpunt dat de vaststellingsovereenkomst niet contra legem is. Daartoe voert [de Inspecteur] aan dat de achtergrond van de overeenkomst is voorkoming van (verdere) onzekerheid over de kwalificatie van de dienstverlening van [belanghebbende] en de daarmee samenhangende belastingplicht. Volgens [de Inspecteur] heeft [belanghebbende] niet aannemelijk gemaakt dat de werkwijze waarvan wordt uitgegaan in de vaststellingsovereenkomst, afwijkt van de feitelijke werkwijze bij [belanghebbende]. [De Inspecteur] voert verder aan dat [belanghebbende] voor het aangaan van de vaststellingsovereenkomst voldoende de gelegenheid heeft gehad haar werkwijze aan de orde te stellen. [Belanghebbende] heeft dit niet gedaan, waardoor het haar niet vrij staat om op de afspraken terug te komen. [De Inspecteur] stelt verder dat ook de door [belanghebbende] beschreven werkwijze er toe zou kunnen leiden dat [belanghebbende] omzetbelasting moet voldoen over de diensten van de prostituee. In het geval de rechtbank van oordeel zou zijn dat de vaststellingsovereenkomst contra legem is, doet [de Inspecteur] een beroep op artikel 64 Awr.

Beoordeling van het geschil

8. Een vaststellingsovereenkomst wordt gesloten ter beëindiging of ter voorkoming van een geschil. Partijen zijn gebonden aan een vaststellingsovereenkomst, tenzij dat in redelijkheid niet van een partij mag worden verwacht. Dit is het geval wanneer de overeenkomst zozeer in strijd is met hetgeen de wet bepaalt, dat partijen niet op nakoming daarvan mochten rekenen (zie Hoge Raad 9 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU7728). [Belanghebbende] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij de overeenkomst onder dwang heeft getekend en dat zij daarom niet aan de vaststellingsovereenkomst gehouden kan worden. De enkele, eerst ter zitting ingenomen, stelling dat zij zich gedwongen voelde de overeenkomst te tekenen, is daartoe, tegenover de weerspreking door [de Inspecteur], onvoldoende.

9. De vraag of [belanghebbende] omzetbelasting moet voldoen over de vergoedingen die worden betaald voor de dienstverlening van de prostituees, is afhankelijk van de feiten en de waardering daarvan. Als [belanghebbende] geacht moet worden gelegenheid te geven tot prostitutie is zij ook over die vergoedingen de omzetbelasting verschuldigd. Indien zij slechts kan worden beschouwd als verhuurder van kamers maken die vergoedingen in beginsel geen deel uit van haar omzet. Uit artikel 3 van de vaststellingsovereenkomst volgt dat ervan wordt uitgegaan dat de diensten van [belanghebbende] bestaan uit het gelegenheid geven tot prostitutie. Anders dan [belanghebbende] stelt wordt in dat artikel derhalve niet omzet van de ene belastingplichtige toegerekend aan de andere, maar wordt de totale omzet geacht te zijn gerealiseerd door [belanghebbende]. Een dergelijke uitgangspunt is niet in strijd met de voor de omzetbelasting geldende wettelijke bepalingen. [Belanghebbende] heeft aangevoerd dat de feitelijke werkwijze binnen het bedrijf anders is dan waarvan in de vaststellingsovereenkomst wordt uitgegaan. Nu de vaststellingsovereenkomst juist is gesloten om discussie over de feiten te voorkomen, dient aan dat betoog voorbij te worden gegaan. Dat die feitelijke werkwijze anders is, heeft [belanghebbende] overigens ook niet aannemelijk gemaakt. Artikel 3 van de vaststellingsovereenkomst is gezien het voorgaande niet contra legem en [belanghebbende] is dan ook gebonden aan de vaststellingsovereenkomst.

10. Nu de rechtbank van oordeel is dat de vaststellingsovereenkomst niet contra legem is, behoeft het beroep van [de Inspecteur] op artikel 64 Awr geen behandeling meer.

11. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

(…)"

Geschil en standpunten

4.1.

In hoger beroep houdt partijen, net als voor de rechtbank, het antwoord op de vraag verdeeld of belanghebbende voor het jaar 2014 is gehouden aan de met de Inspecteur gemaakte afspraken over de feitelijke gang van zaken in de onderneming van belanghebbende en de gevolgen voor de heffing van omzetbelasting, die zijn neergelegd in de vaststellingsovereenkomst, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

4.2.

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Beoordeling

5.1.

De rechtbank heeft naar 's Hofs oordeel terecht en op goede gronden geoordeeld dat het beroep ongegrond is. Het Hof neemt in aanmerking dat - nog los dat belanghebbende geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd, laat staan, tegenover de betwisting door de Inspecteur, aannemelijk heeft gemaakt, ook in het licht van het beeld dat uit de feiten en de overige beschikbare informatie naar voren komt, die de conclusie rechtvaardigen dat zij, los van de vaststellingsovereenkomst, te veel omzetbelasting op de aangiften heeft voldaan - uit niets blijkt 1) dat de afspraken tot stand zijn gekomen op basis van door de Inspecteur verstrekte onjuiste informatie, 2) dat belanghebbende de afspraken onder dwang van de Inspecteur heeft gemaakt dan wel 3) dat belanghebbende bij het maken van de afspraken heeft gedwaald waar het gaat om de fiscale consequenties. Daarbij komt dat belanghebbendes gemachtigde, ter zitting geconfronteerd met al die gedachten, niets naar voren heeft gebracht op grond waarvan anders moet worden geoordeeld. Integendeel, veeleer heeft het Hof de indruk gekregen dat ook de gemachtigde beseft dat de vaststellingsovereenkomst niet alleen fiscaal acceptabele afspraken bevat, maar juist ook is aangegaan om fiscaalinhoudelijke procedures te voorkomen, dus ook in de zin dat de Inspecteur alleszins bevoegd is belanghebbende aan de afspraken te houden. Opmerkelijk is dat belanghebbende niet alleen voor diverse jaren voorafgaand aan het jaar 2014, maar opnieuw ook voor het jaar 2015 min of meer dezelfde afspraken met de Inspecteur heeft gemaakt, leidend tot gevolgen voor de heffing van omzetbelasting die nu, zij het geheel ongefundeerd, worden bestreden.

5.2.

Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

Het Hof ziet geen reden een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. van den Bogerd. De beslissing is op 17 juni 2016 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.