Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:1857

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
30-03-2016
Datum publicatie
28-06-2016
Zaaknummer
200.185.519/01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroepschrift op nader aan te voeren gronden in alimentatiezaak. Gronden en petitum ontbreken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 30 maart 2016

Zaaknummer : 200.185.519/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 15-5663

Zaaknummer rechtbank : C/09/492928

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. S.K. Gopal te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M. Lindhout te Den Haag.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 11 februari 2016 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 12 november 2015 van de rechtbank Den Haag.

De zaak is op 16 maart 2016 mondeling behandeld uitsluitend voor wat betreft de ontvankelijkheid van het hoger beroep door mr. E.A. Mink als raadsheer-commissaris.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de advocaat van de man en

  • -

    de advocaat van de vrouw;

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is, uitvoerbaar bij voorraad, de door de man met ingang van 28 januari 2015 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige: [naam] , geboren te [plaats] [in] 1998, hierna te noemen: de minderjarige, bepaald op

€ 150,- per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen, vermeerderd met iedere

uitkering die de man op grond van geleende wetten of regelingen ten behoeve van die minderjarige kan of zal worden verleend.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten.

ONTVANKELIJKHEID

1. Ingevolge artikel 359 in verbinding met artikel 278 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moet het verzoekschrift in hoger beroep een duidelijke omschrijving van het verzoek en de gronden waarop het berust inhouden. Achtergrond van deze eis is dat een appellant aan de rechter en de verweerder in hoger beroep kenbaar moet maken niet alleen wat hij verzoekt, maar ook wat de grondslag is van zijn verzoek. Verweerder moet kunnen weten waarover een beslissing wordt gevraagd. De omschrijving van het verzoek moet daaruit bestaan dat gronden moeten worden aangevoerd waaruit blijkt waarom vernietiging van de bestreden beschikking wordt verzocht en voorts wordt aangegeven welke andere beslissing van de rechter in hoger beroep wordt verwacht. Dit laatste komt hierop neer dat het verzoekschrift met redenen moet zijn omkleed. Alle gronden die de appellant binnen dit kader aanvoert, kunnen als gronden gelden. Het ontbreken van gronden leidt tot (ambsthalve) niet-ontvankelijkverklaring van het beroep, behoudens zeer uitzonderlijke omstandigheden.

2. De man heeft een beroepschrift op nader aan te voeren gronden ingediend bij dit hof. Bij dit blanco beroepschrift is tevens verzuimd het petitum te vermelden. Dit voert in beginsel tot niet-ontvankelijkverklaring. De omstandigheden die de man in het beroepschrift en door zijn advocaat ter zitting hebben aangevoerd als oorzaak daarvoor zijn onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. De man is door het hof onmiddellijk na binnenkomst van het appelschrift erop gewezen dat uiterlijk op de laatste dag van de appeltermijn - 12 februari 2016 - alsnog gronden kunnen worden aangevoerd. Dit is nagelaten. De man had reeds, zo blijkt uit het appelschrift en is ook ter zitting verklaard, in elk geval enkele weken voor het aflopen van de appeltermijn, de beschikking over de bestreden beschikking. Hem moet dan ook duidelijk zijn geweest wat de beslissing inhield en welke gronden hij in het kader van het alimentatiegeschil had kunnen aanvoeren voor wat betreft behoefte en (zijn) draagkracht. Dat de man eerst later de processtukken van de eerste aanleg zou hebben ontvangen, is dan ook niet beslissend nu het essentiële processtuk dat nodig is om gronden op te baseren: de bestreden beschikking, reeds ten tijde van het indienen van het appelschrift bij de man bekend was. De aard van de zaak, een procedure betreffende levensonderhoud, maakt dit niet anders. In zo’n zaak mogen nog wel in een later stadium gronden worden aangevuld, maar dan moeten wel in het beroepschrift de gronden al zijn opgenomen.

3. Het hof is de hele gang van zaken overziend van oordeel dat het beroepschrift van de man niet voldoet aan de door artikel 359 in verbinding met artikel 278 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalde, zodat de man in het hoger beroep niet kan worden ontvangen. De man zal in dit verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard, nu het ingediende appelschrift reeds hierom niet voldoet aan de eisen die de wet daaraan stelt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep;

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A. Mink, mr. L.F.A. Husson en mr. P.B. Kamminga, bijgestaan door C. van de Vijver-Spaans als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 maart 2016.