Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:1854

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-05-2016
Datum publicatie
28-06-2016
Zaaknummer
200.175.193
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Heeft de vrouw op de man een vergoedingsvordering conform de akte van huwelijkse voorwaarden? Wat zijn kosten van de huishouding?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 18 mei 2016

Zaaknummer : 200.175.193/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 14-10254

Zaaknummer rechtbank : C/09/480215

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. P.B. van Eck-Molenaar te Gouda,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. I. Aardoom-Fuchs te Gouda.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 18 augustus 2015 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 20 mei 2015 van de rechtbank Den Haag.

De vrouw heeft op 30 september 2015 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De man heeft op 20 november 2015 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

De zaak is op 15 januari 2016 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Voorts is, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de man aan de vrouw ter zake van afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden dient te voldoen een bedrag van € 12.147,-. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van partijen.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en opnieuw rechtdoende de vordering van de vrouw aangaande de afwikkeling van de tussen partijen bestaande huwelijkse voorwaarden af te wijzen en vast te stellen dat partijen ter zake de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden over en weer niets van elkaar te vorderen hebben.

3. De vrouw bestrijdt het beroep en verzoekt in incidenteel appel de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de man aan de vrouw een bedrag van € 12.680,51 ter zake van de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden dient te voldoen dan wel bij afwijzing van het verzochte incidenteel appel de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. De man is onder aanvoering van drie grieven in hoger beroep gekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat de vrouw op grond van artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden van partijen een vergoedingsrecht op de man heeft ter grootte van € 12.147,-. De man is, kort samengevat, van mening dat de door de vrouw betaalde kosten dienen te worden aangemerkt als kosten van de huishouding en dat de vrouw ter zake van het betalen van die kosten (thans) geen vergoeding (meer) van de man kan vorderen. De man verwijst in dit verband naar het bepaalde in artikel 10 van de huwelijkse voorwaarden.

5. De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd weersproken.

6. Het hof overweegt als volgt. De grieven van de man lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Partijen zijn gehuwd op [datum 2] 2009. Voorafgaand aan de huwelijkssluiting zijn zij huwelijkse voorwaarden overeengekomen bij notariële akte van 22 augustus 2009. De huwelijkse voorwaarden van partijen houden enkel een gemeenschap van inboedel in; elke andere gemeenschap van goederen is tussen hen uitgesloten. In de akte huwelijkse voorwaarden is voorts onder meer het volgende bepaald:

Artikel 3

1. Er kunnen geen schulden ontstaan ten laste van de gemeenschap.

2. De kosten van aanschaf van zaken die tot de gemeenschap van inboedel behoren komen als kosten van de huishouding ten laste van de echtgenoten zoals hierna aangegeven in artikel 10. Dit geldt ook voor de kosten van onderhoud, herstel en verbetering van de zaken die tot de gemeenschap behoren.

3. Indien tijdens het huwelijk tot de gemeenschap behorende zaken worden vervreemd, komt ieder van de echtgenoten de helft van de tegenprestatie toe.

Vergoedingsrechten

Artikel 7

Een echtgenoot heeft een vergoedingsrecht jegens de andere echtgenoot, indien een bedrag of waarde ten behoeve van die andere echtgenoot aan zijn vermogen is onttrokken. De vergoeding is gelijk aan het bedrag of de waarde ten tijde van de onttrekking en is direct opeisbaar, tenzij redelijkheid en billijkheid zich tegen die opeisbaarheid verzetten.

(....)

Kosten van de huishouding

Artikel 10

1. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden door de echtgenoten gedragen naar evenredigheid van ieders inkomen. Zijn de inkomens onvoldoende, dan worden de kosten gedragen naar evenredigheid van ieders vermogen. Een en ander geldt niet voor zover bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten.

2. Onder de kosten van de huishouding zijn begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van de tot het gezien behorende kinderen, de premies voor de gebruikelijke verzekeringen, de kosten van vakanties, de huurprijs van de echtelijke woning en rente van geldleningen die verband houden met de aanschaf van de echtelijke woning en de vakantiewoning.

Tevens behoren daartoe de kosten van aanschaf van de inboedel en van de voor het gezin bestemde auto’s/vaartuigen.

3. Indien de echtgenoten in onderling overleg niet samenwonen, worden de gezamenlijke kosten van de afzonderlijke huishoudens, waaronder begrepen de kosten die verband houden met de huisvesting van de echtgenoten, gedragen op de wijze als in lid 1 is bepaald.

4. De echtgenoot die in een kalenderjaar meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan hij op grond van het bepaalde in artikel zou moeten dragen, kan dit meerdere van de andere echtgenoot terugvorderen, mits hij die vordering instelt binnen een jaar na afloop van het desbetreffende kalenderjaar.

5. Indien de vordering overeenkomstig lid 4 is ingesteld, moet deze direct worden voldaan, tenzij redelijkheid en billijkheid zich daartegen verzetten.

(...)

7. Beide partijen zijn het erover eens dat de vrouw de navolgende bedragen heeft betaald, een en ander zoals nader is omschreven in haar verweerschrift op het zelfstandig verzoek in eerste aanleg:

Rekeningen € 1.000,-

Rekeningen € 1.000,-

Voor die mat € 200,-

Rekeningen € 1.200,-

[naam] schuld € 2.500,-

Ter aanvulling € 500,-

Rekeningen € 1.300,-

Hypotheek € 400,-

Auto € 2.000,-

Geen € 37,-

Radio € 100,-

[plaats 2] € 100,-

Rekeningen € 500,-

Rekeningen € 500,-

Rekeningen € 685,-

Tanken € 75,-

Koffiepot € 50,-

Totaal € 12.147,-

Vergoedingsrecht artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden

8. Uit artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden volgt dat een vergoedingsrecht ontstaat indien vermogen van de ene partij is onttrokken ten bate van de andere partij. Het hof heeft in het licht van de gemotiveerde betwisting van de man niet kunnen vaststellen dat zijn vermogen is gebaat door de door de vrouw gedane betalingen. De vrouw heeft niet kunnen aantonen dat zij uit hoofde van artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden een vergoedingsrecht heeft jegens de man.

Vergoedingsrecht artikel 10 van de huwelijkse voorwaarden

9. Het hof kwalificeert de navolgende kosten die de vrouw heeft betaald en die mede ten behoeve van haar hebben gestrekt, als kosten van de gemeenschappelijke huishouding, zoals is overeengekomen in artikel 10 van de huwelijkse voorwaarden, waaronder de kosten van de vakantie naar [plaats 2] van € 100,- en de kosten van de hypotheek van € 400,-. Ook de kosten van de aanschaf van de auto van € 2.000,- en de koffiepot van € 50,- vallen naar het oordeel van het hof onder de kosten van de huishouding, gelet op het bepaalde in het hiervoor geciteerde artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden. Met betrekking tot de afbetaling van de lening aan [naam] van € 2.500,- is het hof van oordeel dat de vrouw, tegenover de gemotiveerde betwisting door de man, niet heeft aangetoond dat deze geldlening, anders dan ten behoeve van de kosten van de huishouding, is aangewend voor het bedrijf van de man. Het hof is voorts van oordeel dat de vrouw niet heeft aangetoond dat de kosten “voor die mat” van € 200,- geen betrekking hebben op de kosten van de huishouding.

10. Degene van de echtgenoten die meer bijdraagt in de kosten van de huishouding dan hij of zij overeenkomstig de overeengekomen – of bij gebreke daarvan de wettelijke - fourneerplicht dient bij te dragen, heeft in beginsel een vergoedingsrecht. Met betrekking tot de fourneerplicht zijn partijen in artikel 10 van hun huwelijkse voorwaarden een regeling met elkaar overeengekomen. Waar de vrouw vergoeding verzoekt van het bedrag dat zij volgens haar meer heeft gefourneerd dan uit haar fourneerplicht volgt, kan het hof bij gebreke aan relevante inkomensgegevens, echter niet vaststellen of en in welke mate de vrouw meer heeft gefourneerd, nog afgezien van de vervaltermijn in artikel 10 van de huwelijkse voorwaarden.

Incidenteel appel

11. De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de opleidingskosten van € 515,- en € 18,51 die zij voor de man heeft betaald. Zij is van mening dat de man deze bedragen aan haar dient te vergoeden.

12. De man heeft de stelling van de vrouw gemotiveerd weersproken.

13. Het hof overweegt als volgt. Onweersproken is dat de vrouw deze bedragen, het hof begrijpt op 1 september 2010 respectievelijk 14 september 2010, ten behoeve van de man heeft voldaan. In geschil is in hoeverre de vrouw ter zake van deze kosten thans een vergoedingsrecht toekomt. In hoger beroep is vast komen te staan dat de vrouw op 15 november 2011 een bedrag van de man heeft ontvangen van € 20.230,-, als terugbetaling op een lening van totaal € 17.850,-, derhalve € 2.380,- meer dan de man aan haar verschuldigd was. In dit licht bezien, heeft de vrouw naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd dat zij thans nog een vergoedingsrecht jegens de man toekomt ter zake van de door haar gedane betalingen van € 515,- en € 18,51.

Conclusie

14. De conclusie is dat de vrouw geen vergoedingsrecht toekomt en dat de grieven van de man slagen en de incidentele grief faalt. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt vernietigen en opnieuw recht doen.

15. Het verzoek van de man om vast te stellen dat partijen ter zake van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden over en weer niets van elkaar te vorderen hebben, zal het hof afwijzen. Het hof beslist op hetgeen aan hem voorligt. Op grond waarvan het hof zou kunnen beoordelen dat partijen over en weer niets meer te vorderen hebben wegens de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun huwelijk is niet duidelijk geworden.

16. Hetgeen partijen ieder voor zich voorts nog naar voren hebben gebracht vergt, gelet op het vorenstaande, naar het oordeel van het hof geen bespreking meer, omdat dat niet tot een ander oordeel kan leiden.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarin het verzoek van de vrouw tot toekenning van een vergoedingsrecht (deels) is gehonoreerd en voor zover de man daarin is veroordeeld om aan de vrouw een bedrag van € 12.147,- te betalen en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst de vergoedingsvordering van de vrouw ter zake van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden af;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.H.N. Stollenwerck, A.N. Labohm en L.C.A. Verstappen, bijgestaan door mr. A. Wijtzes als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 mei 2016.