Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:1841

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-06-2016
Datum publicatie
29-06-2016
Zaaknummer
BK-15/00998
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:11124, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is in geschil of belanghebbende recht heeft op aftrek van premies voor particuliere verzekeringen, aftrek van uitgaven voor onderhoudsverplichtingen, kosten voor levensonderhoud kinderen, specifieke zorgkosten en giften. Daarnaast is in geschil of belanghebbende recht heeft op inkomensafhankelijke kortingen en of de Inspecteur in de bezwaarfase heeft gehandeld in strijd met de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1440
V-N 2016/46.17.15
FutD 2016-1665
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-15/00998

Uitspraak d.d. 22 juni 2016

in het geding tussen:

[X] te [Z] (België), belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Rotterdam, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 augustus 2015, nummer SGR 14/11132, betreffende de onder 1.1 vermelde aanslag en beschikking.

Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2011 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 49.188 (hierna: de aanslag). Bij gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag gegeven beschikking heeft de Inspecteur € 655 heffingsrente in rekening gebracht (hierna: de beschikking).

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de aanslag en de beschikking bezwaar gemaakt. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 45.

1.4.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 123. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft vervolgens een conclusie van repliek ingediend, waarop de Inspecteur heeft gereageerd met een conclusie van dupliek.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 16 maart 2016, gehouden te Den Haag. De Inspecteur is verschenen. Belanghebbende, die door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 14 januari 2016, en nogmaals bij brief, verzonden op 11 februari 2016, onder vermelding van plaats, datum en tijdstip is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen, heeft schriftelijk bericht niet ter zitting aanwezig te zullen zijn en heeft daarbij niet om uitstel van de zitting verzocht.

2.3.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1.

Met dagtekening 15 januari 2011 heeft de Inspecteur (geautomatiseerd) een voorlopige aanslag IB/PVV voor het jaar 2011 opgelegd aan belanghebbende, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.755.

3.2.

Op 17 december 2011 heeft belanghebbende een aanvraag wijziging voorlopige aanslag ingediend met het verzoek het belastbaar inkomen uit werk en woning vast te stellen op € 37.758.

3.3.

Per brief van 9 januari 2012, opgemaakt door [A] , heeft de Inspecteur belanghebbende bericht voornemens te zijn om af te wijken van het verzoek/wijziging van de voorlopige aanslag. Hierop heeft belanghebbende per brief van 11 januari 2012 ge-reageerd.

3.4.

Met dagtekening 9 maart 2012 heeft de Inspecteur (geautomatiseerd) een (tweede) voorlopige aanslag IB/PVV voor het jaar 2011 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.758, conform de aanvraag wijziging voorlopige aanslag.

3.5.

Belanghebbende heeft op 14 februari 2012 aangifte IB/PVV voor het jaar 2011 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.449. Dit is als volgt berekend:

Loon € 49.906

Premies inkomensvoorzieningen € 1.494 -/-

€ 48.412

Betaalde alimentatie € 1.800

Kosten levensonderhoud kinderen € 5.250

Specifieke zorgkosten € 997

Giften € 1.916

€ 9.963 -/-

Belastbaar inkomen uit werk en woning € 38.449

Hierbij heeft belanghebbende verzocht om toepassing van de inkomensafhankelijke combinatiekorting en de alleenstaande ouderkorting.

3.6.

Met dagtekening 5 juni 2012 heeft de Inspecteur (geautomatiseerd) een (derde) voorlopige aanslag IB/PVV voor het jaar 2011 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.449, conform de ingediende aangifte.

3.7.

Op 3 april 2014 heeft de Inspecteur een vragenbrief gestuurd, opgemaakt door [B] . Naar aanleiding van de beantwoording hiervan op 23 april en 18 mei 2014 is op 19 juni 2014 door [B] een afwijkingsbrief gestuurd waarin is vermeld dat het voornemen bestaat op een aantal punten van de aangifte IB/PVV voor het jaar 2011 af te wijken.

3.8.

Op 25 juni 2014 heeft belanghebbende hierop gereageerd, waarbij zij tevens vraagt om een andere behandelaar.

3.9.

Met dagtekening 10 juli 2014 heeft [C] de brief van 25 juni 2014 beantwoord.

3.10.

Met dagtekening 18 juli 2014 heeft de Inspecteur (geautomatiseerd) een definitieve aanslag IB/PVV op voor het jaar 2011 opgelegd, naar een vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning van € 49.188. Dit bedrag is als volgt berekend:

Loon € 38.449

Correcties:

- Premies particuliere verzekeringen € 1.494

- Alimentatie/onderhoudsverplichting € 1.800

- Kosten levensonderhoud kinderen € 5.250

- Uitgaven voor specifieke zorgkosten € 997

- Giften € 1.198

€ 10.739 +

Belastbaar inkomen uit werk en woning € 49.188

De Inspecteur heeft de inkomensafhankelijke combinatiekorting en de alleenstaande ouderkorting niet verleend.

3.11.

Op 21 juli 2014 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de definitieve aanslag.

3.12.

Per email van 11 september 2014 is belanghebbende door [D] uitgenodigd voor een hoorgesprek op 23 september 2014.

3.13.

Op 23 september 2014 heeft het hoorgesprek plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig van de Belastingdienst [D] en [C] . Van het hoorgesprek is een verslag gemaakt welke op 29 september 2014 aan belanghebbende is opgestuurd door [C] .

3.14.

Per brief van 8 oktober 2014 heeft belanghebbende gereageerd op het verslag van de hoorzitting.

3.15.

Per brief van 30 oktober 2014, nogmaals verzonden per e-mail van 12 november 2014, heeft [D] belanghebbende uitgenodigd voor een tweede hoorgesprek.

Geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

In hoger beroep is in geschil of belanghebbende recht heeft op aftrek van premies voor particuliere verzekeringen, aftrek van uitgaven voor onderhoudsverplichtingen, kosten voor levensonderhoud kinderen, specifieke zorgkosten en giften. Daarnaast is in geschil of belanghebbende recht heeft op inkomensafhankelijke kortingen en of de Inspecteur in de bezwaarfase heeft gehandeld in strijd met de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

4.2.

Belanghebbende beantwoordt de in geschil zijnde vragen bevestigend. De Inspecteur beantwoordt de vragen ontkennend.

4.3.

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.449. Voorts heeft belanghebbende verzocht om vergoeding van de proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep.

5.2.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, omtrent het geschil overwogen:

"Beoordeling van het geschil

Gedingstukken

11. [Belanghebbende] stelt zich op het standpunt dat [de Inspecteur] diverse op de zaak betrekking hebbende stukken niet bij de rechtbank heeft ingediend. Dit beroep faalt. [Belanghebbende] heeft niet aangegeven welke stukken thans nog ontbreken en ook overigens is niet aannemelijk geworden dat [de Inspecteur] niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ingediend.

Premies particuliere verzekeringen/uitgaven voor inkomensvoorzieningen

12. Uit de door [belanghebbende] overgelegde bankafschriften blijkt dat zij onder andere betalingen heeft gedaan aan […] , […] , […] , […] en […] . Voor zover [belanghebbende] met de overgelegde bankafschriften heeft bedoeld te stellen dat zij op haar drukkende premies heeft betaald ten behoeve van inkomensvoorzieningen in de zin van artikel 3.124 Wet IB 2001, welke premies voor aftrek in aanmerking komen, kan de rechtbank [belanghebbende] niet volgen. [Belanghebbende] heeft met hetgeen zij heeft overgelegd niet aannemelijk gemaakt dat zij premies heeft betaald voor periodieke uitkeringen en verstrekkingen in bovengenoemde zin. [De Inspecteur] heeft derhalve terecht de aftrek voor particuliere verzekeringen gecorrigeerd. Ook overigens (bijvoorbeeld in het kader van de persoonsgebonden aftrek) zijn deze kosten niet aftrekbaar.

Onderhoudsverplichtingen

13. [Belanghebbende] heeft geld overgemaakt naar [E] en [F] (oom en tante). Op grond van artikel 6.1, tweede lid, onderdeel a, en artikel 6.3, eerste lid, onderdeel f, van de Wet IB 2001 zijn uitgaven voor onderhoudsverplichtingen aftrekbaar indien sprake is van in rechte vorderbare periodieke uitkeringen of verstrekkingen die berusten op een dringende morele verplichting tot voorziening in het levensonderhoud. Op [belanghebbende] rust de bewijslast dat daarvan sprake is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [belanghebbende] dit niet aannemelijk gemaakt. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat [belanghebbende] geen nadere concrete gegevens heeft ingebracht omtrent haar oom en tante. Zo ontbreken onder meer gegevens over hun inkomens- en vermogenspositie. De enkele stelling van [belanghebbende] dat zij zich genoodzaakt voelt om haar oom en tante financieel en materieel te ondersteunen, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat sprake is van behoeftigheid aan de zijde van oom en tante. Ook overigens heeft [belanghebbende] niets ingebracht waaruit zou kunnen worden afgeleid dat het gaat om ‘in rechte vorderbare’ periodieke uitkeringen. Op grond van het vorenstaande komt het door [belanghebbende] in aanmerking genomen bedrag aan onderhoudsverplichtingen niet voor aftrek in aanmerking.

Kosten levensonderhoud kinderen

14. Ingevolge artikel 6.13, eerste lid, van de Wet IB 2001 (tekst 2011), worden als uitgaven voor levensonderhoud van kinderen aangemerkt uitgaven voor levensonderhoud van kinderen jonger dan 30 jaar die ten minste in belangrijke mate door de belastingplichtige worden onderhouden. Ingevolge artikel 2, lid 3, onderdeel i, van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen verstaat de belastingwet onder kind een eerstegraads bloedverwant en aanverwant in de neergaande lijn.

15. Op [belanghebbende] rust de bewijslast aannemelijk te maken dat daarvan sprake is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [belanghebbende] niet aan haar bewijslast voldaan. [Belanghebbende] verzoekt een aftrek voor haar kinderen [G] (geboren [in] 1986) en [H] (geboren [in] 1987). Van deze kinderen is niet bekend waar zij wonen en [belanghebbende] heeft niet aangegeven hoeveel zij heeft bijgedragen. [Belanghebbende] heeft evenmin aangegeven waarom zij zich gedrongen voelde deze gestelde uitgaven te doen.

[Belanghebbende] lijkt thans eveneens aftrek te wensen van onderhoudsverplichtingen voor haar schoondochter en voor haar kleinzoon. Voor de schoondochter en kleinzoon geldt dat zij geen kinderen zijn in de zin van eerder genoemde bepaling. De schoondochter is niet gehuwd met de zoon van [belanghebbende] en er is geen geregistreerd partnerschap bekend. Zij is aldus geen eerstegraad aanverwant. Voor de kleinzoon geldt dat hij geen eerstegraads bloedverwant is.

Zorgkosten

16. Artikel 6.1 Wet IB 2001 luidt – voor zover van belang – als volgt:

“1. Persoonsgebonden aftrek is het gezamenlijke bedrag van:

a. de in het kalenderjaar op de belastingplichtige drukkende persoonsgebonden aftrekposten en (…)

2. Persoonsgebonden aftrekposten zijn de:

(…) d. uitgaven voor specifieke zorgkosten (afdeling 6.5); (…)”

17. Ingevolge artikel 6.17, eerste lid, van de Wet IB 2001 zijn - voor zover van belang - uitgaven voor specifieke zorgkosten uitgaven wegens ziekte of invaliditeit die gedaan zijn voor genees-, en heelkundige hulp, vervoer, farmaceutische hulpmiddelen op voorschrift van een arts, andere hulpmiddelen, extra gezinshulp en diëten.

18. Ook ten aanzien van de zorgkosten rust op [belanghebbende] de bewijslast aannemelijk te maken dat zij dergelijke uitgaven heeft gedaan. Zowel in de bezwaarfase als in de beroepsfase heeft [belanghebbende] geen bewijsstukken overgelegd waaruit de door haar opgevoerde medische kosten over 2011 kunnen worden afgeleid. [Belanghebbende] heeft ook op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat de door haar opgevoerde kosten in 2011 zijn betaald, dat deze op doktersvoorschrift dan wel op advies van een diëtist(e) zijn gemaakt dan wel dat het kosten betreffen die niet voor vergoeding door de ziektekostenverzekeraar in aanmerking zijn gekomen. Gelet hierop heeft [belanghebbende] geen recht op aftrek wegens specifieke zorgkosten.

Giften

19. Ingevolge artikel 6.32 Wet IB 2001 worden als aftrekbare giften aangemerkt periodieke giften en andere giften. Periodieke giften als bedoeld in artikel 6.34 Wet IB 2001 zijn giften in de vorm van vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen die eindigen uiterlijk bij overlijden, aan instellingen of verenigingen. Andere giften als bedoeld in artikel 6.32 Wet IB 2001 zijn op grond van artikel 6.35 Wet IB 2001 giften aan instellingen. Giften aan instellingen worden op de voet van artikel 6.39 Wet IB 2001 in aanmerking genomen voor zover zij met schriftelijk bescheiden kunnen worden gestaafd en voor zover zij samen zowel € 60 als 1% van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek te boven gaan.

20. Het is aan [belanghebbende] om aannemelijk te maken dat zij tot de door haar gestelde bedragen uitgaven heeft gedaan voor giften als vorenbedoeld. Naar het oordeel van de rechtbank is [belanghebbende] daarin niet geslaagd. [Belanghebbende] heeft een bedrag van € 2.400 in aftrek gebracht, waarvan een bedrag van € 1.217 door [de Inspecteur] is geaccepteerd. Voor het meerdere heeft [belanghebbende] geen betaalbewijzen overgelegd zodat niet aannemelijk is gemaakt dat meer aftrekbaar is dan thans door [de Inspecteur] is toegestaan. [De Inspecteur] heeft het door [belanghebbende] geclaimde bedrag aan giften derhalve terecht niet in aftrek toegelaten voor zover het meer bedroeg dan € 1.217.

Inkomensafhankelijke kortingen

21. Blijkens de tekst van de artikelen 8.14a en 8.15 Wet IB 2001 geldt voor toekenning van de onder 10 genoemde heffingskortingen als voorwaarde dat het kind waarvoor deze kortingen worden gevraagd in het kalenderjaar gedurende ten minste zes maanden op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie.

22. Vaststaat dat in 2011 geen kind van [belanghebbende] in de gemeentelijke basisadministratie stond ingeschreven op haar woonadres [I] te [J] . Hiermee staat vast dat niet is voldaan aan de onder 20 omschreven voorwaarde voor toekenning van de gevraagde heffingskortingen.

Hoorplicht

23. De rechtbank heeft in hetgeen [belanghebbende] heeft aangedragen onvoldoende aanleiding gevonden om te oordelen dat sprake is van schending van de hoorplicht. [Belanghebbende] stelt dat er geen objectieve heroverweging tijdens de bezwaarbehandeling heeft plaatsgevonden omdat de ambtenaar [C] zowel bij de aanslagregeling als bij de bezwaarbehandeling (tijdens het horen) betrokken is geweest. [De Inspecteur] heeft om verdere discussie te voorkomen in de brief van 30 oktober 2014 (bijlage 20 bij het verweerschrift), [belanghebbende] aangeboden opnieuw en op een juiste wijze te horen. Omdat een reactie van [belanghebbende] uitbleef heeft [de Inspecteur] dit aanbod in een mail op 12 november 2014 herhaald. [Belanghebbende] heeft van dit aanbod geen gebruik gemaakt. Onder die omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat [de Inspecteur] de hoorplicht heeft geschonden.

Opgewekt vertrouwen

24. [Belanghebbende] stelt zich nog op het standpunt dat zij aan de voorlopige aanslagregeling het vertrouwen kan ontlenen dat daarvan niet zal worden afgeweken bij de vaststelling van de definitieve aanslag. In de (eerste) voorlopige aanslag die aan [belanghebbende] is opgelegd is het volgende vermeld:

“Deze voorlopige aanslag is gebaseerd op een inschatting van uw situatie in 2011. U kunt aan deze voorlopige aanslag geen rechten ontlenen voor een eventuele definitieve aanslag over 2011.”

In de (tweede) voorlopige aanslag die aan [belanghebbende] is opgelegd is het volgende vermeld:

“Deze aanslag is op uw verzoek gewijzigd”

In de (derde) voorlopige aanslag die aan [belanghebbende] is opgelegd is het volgende vermeld:

“Deze aanslag is uitsluitend gebaseerd op de gegevens uit uw aangifte 2011. De Belastingdienst gaat uw gegevens nog controleren. De definitieve aanslag kan afwijken van deze voorlopige aanslag, wellicht moet u bijbetalen of krijgt u geld terug.”

Uit deze teksten blijkt naar het oordeel van de rechtbank duidelijk dat aan de voorlopige aanslagen geen vertrouwen kan worden ontleend. Gelet hierop faalt het beroep op het vertrouwensbeginsel.

Schending termijnen Awb

25. [Belanghebbende] stelt dat de Awb-termijnen zijn geschonden nu [de Inspecteur] de termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar heeft verdaagd op 15 oktober 2014 terwijl de termijn afliep op 10 oktober 2014. Nog daargelaten dat [belanghebbende] niet heeft aangegeven welke consequentie hieraan moet worden verbonden, stelt de rechtbank vast dat [de Inspecteur] tijdig en wel op 29 september 2014 (bijlage 17 van het verweerschrift) een verdagingsbrief heeft verzonden.

26. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

27. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding."

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het Hof maakt de beslissing van de rechtbank en de gronden waarop zij berust tot de zijne. Daarbij overweegt het Hof nog het volgende.

Hoorplicht

7.2.

Artikel 7:2, eerste lid, van de Awb luidt:

"Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbende in de gelegenheid te worden gehoord."

7.3.

Artikel 7:5, eerste lid van de Awb luidt:

"Tenzij het horen geschiedt door of mede door het bestuursorgaan zelf dan wel de voorzitter of een lid ervan, geschiedt het horen door:

a. een persoon die niet bij de voorbereiding van het bestreden besluit betrokken is geweest, of

b. meer dan een persoon van wie de meerderheid, onder wie degene die het horen leidt, niet bij de voorbereiding van het besluit betrokken is geweest."

7.4.

In de Memorie van Toelichting bij de Awb (Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, p. 150) is met betrekking tot artikel 7:5 van de Awb het volgende vermeld:

"Teneinde een goede heroverweging te bevorderen is het gewenst dat degenen die bij de voorbereiding van het bestreden besluit betrokken zijn geweest, niet ook de gang van zaken bij het horen bepalen. Daarom is in het artikel bepaald dat een dergelijke persoon niet de leiding van de hoorzitting mag hebben noch als enige mag horen. Bovendien is vastgelegd dat bij het horen door meer dan een persoon de meerderheid uit niet-betrokkenen bij de oorspronkelijke besluitvorming moet bestaan. (…). De betrokkenheid van een ambtenaar bij de totstandkoming van het besluit zou bijvoorbeeld ook kunnen blijken uit het feit dat hij medeparaaf heeft verleend."

7.5.

In het onderhavige geval is het horen namens de Inspecteur geschied door twee ambtenaren van de Belastingdienst: [D] en [C] . Met [C] heeft belanghebbende eerder, bij het vaststellen van de aanslag, contact gehad, namelijk naar aanleiding van haar brief van 25 juni 2014 waarin zij vraagt om een andere behandelaar. Bij het hoorgesprek was er, anders dan artikel 7:5, eerste lid, onderdeel b, van de Awb, voorschrijft, geen meerderheid van personen aanwezig die niet ook bij de voorbereiding van het besluit betrokken was.

7.6.

Desalniettemin is de hoorplicht naar het oordeel van het Hof niet geschonden. Namens de Inspecteur heeft [D] belanghebbende, nog tijdens de bezwaarfase, per brief van 30 oktober 2014 (nogmaals verzonden per e-mail van 12 november 2014) in de gelegenheid gesteld te worden gehoord, buiten aanwezigheid van [C] . Belanghebbende heeft niet binnen de door de Inspecteur gestelde, naar het oordeel van het Hof redelijke, termijn van een week gereageerd op de brief omdat zij, zoals blijkt uit de stukken van het geding, het aanbod niet geloofwaardig vond. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onderdeel d, van de Awb, mocht de Inspecteur uit het uitblijven van een reactie afleiden dat belanghebbende geen gebruik wilde maken van het recht (voor een tweede keer) te worden gehoord.

Aftrekposten

7.7.

Belanghebbende heeft gesteld dat zij recht heeft op de persoonsgebonden aftrekposten uitgaven voor onderhoudsverplichtingen en uitgaven voor specifieke zorgkosten. Daarnaast heeft belanghebbende gesteld dat zij recht heeft op aftrek van kosten voor levensonderhoud kinderen en aftrek van giften. Het Hof is met de rechtbank van oordeel dat belanghebbende, die in deze de bewijslast heeft, niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de kosten heeft gemaakt dan wel de giften heeft gedaan. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gebracht die, indien aannemelijk bevonden, het Hof tot een ander oordeel zouden kunnen brengen.

Gebrek aan professionaliteit

7.8.

Belanghebbende stelt in hoger beroep dat verschillende medewerkers van de Belastingdienst verschillende standpunten hebben ingenomen over haar recht op verschillende aftrekposten. Belanghebbende wijt dit aan een gebrek aan professionaliteit van de medewerkers en verzoekt het Hof hierover een standpunt in te nemen. Het is echter niet aan het Hof om een oordeel over de professionaliteit van (de medewerkers van) de Inspecteur te geven. Voorzover belanghebbende met deze grief tevens beoogt te betogen dat zij, gelet op de uiteenlopende standpunten binnen de Belastingdienst, erop mocht vertrouwen dat haar standpunt in die kwestie zou worden gevolgd, volgt het Hof belanghebbende hierin niet, reeds omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat verschillende medewerkers van de Belastingdienst zich over dezelfde kwestie verschillend hebben uitgelaten. Gelet hierop behoeft de vraag of het uitdragen van verschillende standpunten door de Belastingdienst tot een rechtens te honoreren vertrouwen kan leiden, geen beantwoording.

Gedingstukken

7.9.

Met de rechtbank is het Hof van oordeel dat belanghebbende haar stelling dat de Inspecteur diverse op de zaak betrekking hebbende stukken niet heeft overgelegd, niet aannemelijk heeft gemaakt, omdat belanghebbende heeft nagelaten aan te geven welke stukken thans nog zouden ontbreken en omdat het Hof, gelet op hetgeen daarover uit de gedingstukken blijkt, ook overigens geen reden heeft om eraan te twijfelen dat de Inspecteur zijn verplichting tot het overleggen van de op zaak betrekking hebbende stukken is nagekomen. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gebracht die, indien aannemelijk bevonden, het Hof tot een ander oordeel zouden kunnen brengen.

7.10.

Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, brengt het Hof niet tot een ander oordeel.

Slotsom

7.11.

Gelet op het bovenstaande is het hoger beroep ongegrond en zal het Hof beslissen zoals hierna is vermeld.

Proceskosten

8. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. J.J.J. Engel, mr. G.J. van Leijenhorst en mr. A.H.N. Stollenwerck, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.A. Brits. De beslissing is op 22 juni 2016 in het openbaar uitgesproken.

Wegens verhindering van de voorzitter is de uitspraak door het oudste lid van de belastingkamer ondertekend.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.