Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:181

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-02-2016
Datum publicatie
10-02-2016
Zaaknummer
200.160.187/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Koop-aannemingsovereenkomst. Aanleg van een tegelvloer in een woonhuis. Toerekenbare tekortkoming. Schade. Causaal verband.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.160.187/01

Zaaknummer kantonrechter : 2545274 CV EXPL 13-57568

arrest van 9 februari 2016

inzake

[bedrijf] ,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. L. Hennink te Rotterdam,

tegen

[naam]

wonend te [woonplaats], gemeente […],

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. M.J.W. van Osch te Nieuwegein.

1 Het verloop van het geding

1.1

Bij arrest van 16 december 2014 is in deze zaak een comparatie na aanbrengen gelast. Voor het verloop van het geding tot aan dat moment wordt verwezen naar dat arrest. Partijen hebben afgezien van de comparitie.

1.2

Bij memorie van grieven heeft [appellante] vervolgens vijftien grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht en een productie overgelegd. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden.

1.3

Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.

2 Beoordeling van het hoger beroep

2.1

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.16 een aantal feiten vastgesteld. Daartegen zijn geen grieven gericht of bezwaren ingebracht, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

2.2.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

( i) [geïntimeerde] heeft op 2 juli 2011 een systeem voor vloerverwarming en vloertegels gekocht bij [appellante]. Afgesproken is dat [appellante] de vloerverwarming en de tegelvloer zou laten aanleggen in de woning van [geïntimeerde]. Partijen zijn een prijs van € 4.700,- overeengekomen.

(ii) Begin september 2011 is de vloerverwarming aangelegd en is de door [appellante] ingeschakelde tegelzetter [X] begonnen met het aanbrengen van een tegelvloer in de woonkamer en keuken. Omdat bleek dat de tegelvloer niet in het door [geïntimeerde] gewenste patroon werd gelegd, heeft hij [X] verzocht dit te herstellen. [X] is daarop op 6 september 2011 opnieuw begonnen met het leggen van de vloer. [geïntimeerde] heeft hiervoor een extra bedrag van € 1.150,- voldaan.

(iii) Bij het schoonmaken van de vloer bemerkte [geïntimeerde] dat de tegels niet goed lagen: volgens hem staken sommige tegels uit en was de strip voor de vloerbedekking te kort. [geïntimeerde] heeft hierover bij e-mail van 15 september 2011 geklaagd bij [appellante].

(iv) [appellante] heeft de tegelvloer op 19 september 2011 geïnspecteerd en heeft toegezegd dat de vloer zou worden hersteld.

( v) Tussen 17 tot en met 21 oktober 2011 is de tegelvloer opnieuw gelegd, ditmaal door tegelzetter [Y]. Naar aanleiding van klachten van [geïntimeerde] is [Y] op 22 oktober 2011 naar de woning van [geïntimeerde] teruggegaan en heeft hij een aantal tegels opnieuw gelegd.

(vi) Bij e-mail 28 oktober 2011 heeft [geïntimeerde] bij [appellante] geklaagd over de kwaliteit van het werk van [Y]:

“(…) De vloertegels zijn in een combinatie van mortel en lijm gelegd. Dit zou resulteren in een strak egaal resultaat. Echter is dit niet het geval. Veel tegels liggen niet vlak in en over de gehele kamer ligt de vloer er volgend (het hof begrijpt: golvend) in. Ook is er tijdens reparatie van de tegelvloer waar de trapkastdeur vast liep op de woonkamertegels, de vloerverwarming geraakt, wat resulteerde in lekkage.

De lekkage is nu gerepareerd met een koppeling, wat niet mijn voorkeur heeft.

(…)

Wij verzoeken u contact met ons op te nemen voor het maken van een afspraak om de situatie wederom te beoordelen. (…)”

(vii) Bij e-mail van 29 oktober 2011 heeft [geïntimeerde] [appellante] bevestigd dat is overeengekomen dat het werk de week daarop zou worden afgemaakt, waarbij de vloer opnieuw zou worden gecorrigeerd en zou worden gevoegd, waarna er plinten zouden worden aangebracht. De aanvang van de werkzaamheden is vervolgens enkele malen uitgesteld.

(viii) Bij e-mail van 21 november 2011 heeft [geïntimeerde] aan [appellante] geschreven:

“Op 23 september 2011 zijn wij overeengekomen dat u de volgende werkzaamheden zou verrichten: Het opnieuw leggen van de Tegelvloer op ons adres (…).

Helaas ben ik niet tevreden over de uitgevoerde werkzaamheden. Over het resultaat heb ik de volgende klachten: Er liggen nog steeds tegels ongelijk en daarbij is in de nieuwe situatie het tegelwerk niet vlak gelegd.

Ook zijn bij een poging tot het herstellen hiervan de vloerverwarming en andere tegels beschadigd (krassen en slijpbeschadigingen).

Ik stel u hierbij in gebreke wegens bovenbedoelde toerekenbare tekortkomingen en het niet nakomen van gemaakte afspraken.

Ik wijs u erop dat de toezegging voor vandaag 21 november 2011 eveneens niet is nagekomen.

(…)”

(ix) [Y] heeft tussen 21 en 23 november 2011 wederom (herstel)werkzaamheden aan de tegelvloer uitgevoerd. Bij e-mailbericht van 28 november 2011 heeft [geïntimeerde] opnieuw bij [appellante] geklaagd:

“Uw tegelzetter heeft de vloer afgelopen woensdag 23 november het tegelwerk na zijn zeggen opgeleverd. Het tegels werk is absoluut niet verbeterd ten op zichtte van de eerste keer, sterker nog het is erger geworden. Hierbij wil ik u dan ook uitnodigen om nogmaals het tegelwerk te komen bezichtigen ons conclusie te bevestigen. De vloer ligt ongelijk, deuren lopen vast op de vloer, het voegwerk is zeer slecht en de vloerverwarming is beschadigd.

( x) Bij brief van 30 november 2011 heeft [geïntimeerde] [appellante] in gebreke gesteld en haar een termijn van twee weken gegeven om de overeengekomen werkzaamheden alsnog deugdelijk uit te voeren. [appellante] heeft hieraan geen gehoor gegeven.

2.2

In deze procedure heeft [geïntimeerde] gevorderd (samengevat weergegeven):

  • -

    Primair: ontbinding van de overeenkomst tussen hem en [appellante] met veroordeling van [appellante] tot betaling van een bedrag van € 5.850,- uit hoofde van onverschuldigde betaling, alsmede van een bedrag aan aanvullende schadevergoeding van € 2.065,84 dan wel € 2.019,40, te vermeerderen met de wettelijke rente.

  • -

    Subsidiair: veroordeling van [appellante] tot betaling van vervangende schadevergoeding ten bedrage van € 6.915,84 dan wel € 6.869,40, te vermeerderen met de wettelijke rente.

  • -

    Meer subsidiair: [appellante] te veroordelen tot vervanging, dan wel herstel van de vloer op straffe van verbeurte van een dwangsom.

  • -

    En voorts: [appellante] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.179,47 aan buitengerechtelijke incassokosten en een bedrag van € 1.628,91 aan kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, alsmede veroordeling in de proceskosten.

2.3

De kantonrechter heeft de primaire vordering van [geïntimeerde] toegewezen, alsmede de vordering tot betaling van de kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en (deels) de vordering ter zake van buitengerechtelijke incassokosten. [appellante] is als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure.

2.4

[appellante] heeft in hoger beroep geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, uitvoerbaar bij voorraad.

2.5

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging, met veroordeling van [appellante] in de kosten van (naar het hof begrijpt) het hoger beroep, onder bepaling dat de kosten binnen zeven dagen na datum arrest voldaan dienen te zijn, bij gebreke waarvan [appellante] daarover de wettelijke rente zal zijn verschuldigd.

2.6

Tussen partijen is in geschil of [appellante] de tegelvloer op deugdelijke wijze heeft laten aanleggen. [geïntimeerde] is van mening dat dat niet het geval is. Hij onderbouwt deze stelling door verwijzing naar diverse e-mails waarin hij bij [appellante] heeft geklaagd over de kwaliteit van de werkzaamheden. Voorts stelt hij dat hij de vloer heeft laten inspecteren door twee verschillende deskundigen, die beiden tot het oordeel kwamen dat de vloer niet deugdelijk was gelegd.

( a) […] bv heeft bij brief van 2 april 2012 het volgende geconstateerd ter zake van de in november 2011 uitgevoerde werkzaamheden:

“(…)

De tegelzetter heeft plaatselijk 14 stuks tegels uitgeslepen en uitgehakt, hierbij zijn kleine beschadigingen aan de omliggende tegels opgetreden, verder is in de keuken ook kleine krasvorming geconstateerd.

De tegelvloer is na reparatie nog steeds niet geheel vlak, op diverse posities in de vloer is het onderlinge hoogteverschil maximaal 2mm.

In de woning waren nog enkele extra vloertegels aanwezig, deze zijn visueel gecontroleerd op vlakheid, ze zijn volledig vlak.

Verder is geconstateerd dat de tegels zeer krasgevoelig zijn.

Het voegwerk is niet strak uitgevoerd.

Conclusie:

Of het nivo verschil van de vloertegels binnen de marge valt is ons naar onze bescheiden mening een grensgeval, het nivelleren van het hoogteverschil onderling tussen de tegels is middels reparatie volstrekt niet mogelijk, aangezien dit bij de 3e poging al diverse beschadigingen heeft opgeleverd.

Derhalve adviseren wij de bestaande vloer te vervangen inclusief het demonteren en monteren van de bestaande keuken. Dit heeft verder tot gevolg dat de bestaande tegelvloer en dekvloer en de bestaande vloerverwarming verwijderd en vervangen dient te worden.

(…)”

( b) Ing. […], werkzaam bij Bureau Bouwpathologie BB, heeft naar aanleiding van een onderzoek van de tegelvloer op 21 juni 2012 in zijn rapport van 17 augustus 2012 onder meer het volgende geschreven:

“(…)

WAARNEMINGEN EN DOSSIERSTUDIE

(…)

Tegelvloer

5. De voegen tussen de vloertegels zijn circa 3 mm breed en zijn korrelig aangebracht (…).

6. In de voegen zijn op verschillende plaatsen luchtbelletjes aanwezig (…).

7. Op enkele plaatsen ontbreken er voegen tussen de tegels (…).

8. In de voegen zijn op enkele plaatsen donkere verkleuringen zichtbaar (…).

9. Op plaatsen, waar volgens u herstel is uitgevoerd, zijn aan de randen van de tegels beschadigingen zichtbaar (…).

10. Op plaatsen, waar onderling hoogteverschil tussen twee aan elkaar grenzende tegels aanwezig is, is dit getracht te ontnemen door de voegen schuin aan te smeren (…).

11. In het hele tegelvloerveld is op verschillende plaatsen tussen twee aan elkaar grenzende tegels onderling hoogteverschil zichtbaar (…).

12. Het onderlinge hoogteverschil, dat op verschillende plaatsen in de tegelvloer is gemeten, blijft onder de 1 mm, op een enkele plaats uitlopend tot 1,5 mm (…).

13. De tegelvloer loopt op ter plaatse van de deur van de trapkast richting de achtergevel. Hierdoor loopt de deur vast op de vloer bij het openen van de trapkast (…).

ANALYSE

De vloer, zoals deze door ondergetekende is aangetroffen is beoordeeld conform de eisen voor goed en deugdelijk werk voor een tegelvloer en hiervoor is “Uitvoeringsrichtlijn 35-101 voor het aanbrengen van wand- en vloertegelwerk in reguliere toepassing als handvat toegepast. (…)

De vloertegels, die in uw tegelvloer zijn toegepast zijn gerectificeerde tegels van 30 cm x 60 c.. Dit houdt in dat de tegels op maat gezaagd zijn, hierdoor hebben de tegels scherpe randen. Wanneer er een tegel uit de vloer geslepen wordt is de kans groot dat er tijdens deze werkzaamheden naastgelegen tegels beschadigd kunnen worden. In uw tegelvloer zijn dan ook op verschillende plaatsen beschadigingen in de randen van de tegels aangetroffen.

De voegen tussen de tegels hebben een breedte van circa 3 mm. In het patroon van de voegen is geen verloop zichtbaar de voegen zijn niet vlakvol aangebracht. Bij de voegen mag er geen spraken zijn dat de scherf van de glazuurde tegel zichtbaar is. Bij uw tegelvloer is op veel plaatsen de scherf van de geglazuurde tegel zichtbaar, dit houdt in dat vloer niet vlakvol is gevoegd. Ook zijn er op enkele plekken de voegen schuin aangesmeerd om de onderlinge hoogte verschillen te ontnemen. Daarnaast zijn de voegen korrelig van structuur waardoor deze snel brokkelen en kapot springen.

Op enkele plaatsen ontbrekende er voegen. Deze voegen springen langzaam tussen de tegels uit.

Ook is de tegelvloer in het geheel niet vlak aangebracht, bij de trapkast loopt de vloer op. Hierdoor loopt bij het openen de deur vast op de tegelvloer. Uit meting met een waterpas blijkt dat dit gebrek veroorzaakt wordt door het niet vlak aanbrengen van de tegelvloer.

In de tegelvloer zijn op verschillende plaatsen onderlinge hoogte verschillen aangetroffen van 1 mm, op een enkele plaats tot 1,5 mm. Gezien de onderlinge hoogte verschillen tussen twee naast elkaar gelegen tegels, schrijft de norm een afwijking van 1 mm voor.

CONCLUSIE:

(…) Bij beoordeling van de tegelvloer aan de hand van [de uitvoeringsrichtlijn 35-101] is door ondergetekende vastgesteld dat de tegelvloer deels niet voldoet aan deze eisen en, naar de mening van ondergetekende, onvoldoende presteert.

De voegen zijn foutief en niet conform de norm uitgevoerd.

Het oplopen van de vloer bij de trapkast is fout, hierdoor kan de deur van de trapkast niet goed open en bestaat de kans op beschadigingen aan de vloer en deur.

De onderlinge hoogteverschillen tussen twee aan elkaar grenzende tegels voldoet aan de norm. Wel is het zo dat door de toegepaste tegels er veel hinder door kan ontstaan. De randen zijn scherp en wanneer er hoogteverschil aanwezig is bestaat de kans dat meubelen achter de randjes blijven hangen met beschadigingen aan meubels en vloer als gevolg.

(…)”

2.7

[appellante] heeft kritiek uitgeoefend op de beide rapportages onder meer omdat de rapporten zijn opgemaakt door partijdeskundigen van [geïntimeerde], van wie niet is komen vast te staan dat zij onpartijdig zijn. [appellante] heeft bewijs aangeboden van zijn stelling dat de deskundigen niet onpartijdig zijn. Naar het oordeel van het hof heeft zij echter onvoldoende concreet toegelicht welke specifieke bezwaren zij heeft tegen de door [geïntimeerde] ingeschakelde deskundigen die de hiervoor genoemde rapporten hebben opgesteld, anders dan dat dit deskundigen zijn die door [geïntimeerde] zijn ingeschakeld. Reeds om die reden passeert het hof het bewijsaanbod.

2.8

Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] in hoger beroep niet (voldoende gemotiveerd) de feitelijke bevindingen van beide deskundigen bestreden, te weten (kort gezegd): de beschrijvingen van de wijze waarop het voegwerk is uitgevoerd, de omstandigheid dat de vloer oploopt waardoor de deur van de trapkast niet goed open kan en de omstandigheid dat sommige vloertegels aan de randen zijn beschadigd. Tot slot is geconstateerd dat de onderlinge hoogteverschillen tussen de tegels maximaal 1-2 mm bedragen, hetgeen overigens wel (net) binnen de norm voor goed tegelwerk valt en derhalve niet als tekortkoming kan worden aangemerkt. De bevindingen van de deskundigen stroken bovendien met de klachten die [geïntimeerde] van meet af aan over de tegelvloer heeft geuit; niet is gebleken dat [appellante] deze klachten destijds heeft weersproken. Bij deze stand van zaken zal het hof tot uitgangspunt nemen dat de feitelijke bevindingen van de hiervoor genoemde deskundigen juist zijn. In zoverre is het hiervoor onder 2.7 genoemde bewijsaanbod dus bovendien ook niet terzake dienend.

2.9

[appellante] heeft betwist dat sprake is van aan haar toe te rekenen tekortkomingen. [appellante] stelt dat de beide, door haar ingeschakelde tegelzetters goed werk hebben geleverd. Volgens [appellante] zijn de gebreken veroorzaakt door toedoen van [geïntimeerde] zelf. [geïntimeerde] en/of zijn familieleden hebben over de vloer gelopen voordat deze was uitgehard en [geïntimeerde] heeft de vloertegels zelf beschadigd doordat hij heeft getracht de tegels die volgens hem niet goed waren gelegd, met een schroevendraaier te verwijderen. [appellante] heeft bewijs aangeboden. [geïntimeerde] heeft een en ander bestreden.

2.10

Op [geïntimeerde] rust de bewijslast van zijn stelling dat de tekortkomingen aan het tegelwerk zijn veroorzaakt door de tegelzetters. Het hof is van oordeel dat hiervan voorshands moet worden uitgegaan, omdat het tegelwerk nu eenmaal is uitgevoerd door de tegelzetters. Het hof merkt op dat [geïntimeerde] destijds reeds diverse keren heeft geklaagd over de kwaliteit van het tegelwerk, zowel over het werk van [X] als over het werk van [Y]. Uit de stukken blijkt niet dat [appellante] toen te kennen heeft gegeven dat zij van mening was dat die klachten ongegrond waren. Bovendien staat vast dat verschillende malen herstellingen zijn verricht aan het tegelwerk, hetgeen niet nodig is indien (in het geheel) geen sprake is van tekortkomingen. Het hof verwerpt dan ook de stelling van [appellante] dat zonder meer kan worden aangenomen dat beide tegelzetters goed werk hebben verricht.

2.11

[appellante] heeft voorts niet voldoende toegelicht waarom het (door [geïntimeerde] weersproken) feit dat er over de vloer is gelopen voordat deze was uitgehard, geleid kan hebben tot de door de deskundigen geconstateerde gebreken: slecht voegwerk, oplopende vloer, beschadigde vloertegels. [appellante] heeft in hoger beroep nagelaten gemotiveerd te betwisten dat het lopen over de vloer slechts tot gevolg zou kunnen hebben dat de tegels iets zouden kunnen zakken, waardoor ongelijkheid in de tegels zou kunnen ontstaan, zoals [geïntimeerde] reeds in eerste aanleg naar voren heeft gebracht.

De stelling dat [geïntimeerde] heeft getracht diverse tegels met een schroevendraaier omhoog te wippen teneinde deze te verwijderen en (kennelijk) zelf opnieuw te leggen, waardoor er beschadigingen aan de randen zijn ontstaan, lijkt vooral te berusten op de veronderstelling dat het niet goed denkbaar is dat de door [appellante] ingeschakelde tegelzetters deze beschadigingen zouden hebben kunnen veroorzaken. In deze stand van het geding had evenwel van [appellante] verwacht mogen worden dat zij haar stelling nader zou onderbouwen. Daarbij betrekt het hof dat de deskundige Nomen heeft geconstateerd dat de tegels scherpe randen hebben en dat de kans groot is dat er naastgelegen tegels beschadigd raken wanneer er een tegel uit de vloer wordt geslepen. Het hof passeert dan ook het bewijsaanbod van [appellante] dat [geïntimeerde] de tegels zelf met een schroevendraaier heeft beschadigd.

2.12

Het hof concludeert dat aldus is komen vast te staan dat de tegelvloer gebreken vertoont welke gebreken zijn veroorzaakt door de door [appellante] ingeschakelde tegelzetters. Er is dan ook geen reden om een deskundige te benoemen. De vraag of [appellante] de tegelvloer reeds op 21 of 22 oktober 2011 had opgeleverd behoeft geen beantwoording. Immers, voor de vraag of [geïntimeerde] ontbinding van de overeenkomst kan vorderen en/of de vraag of [appellante] aansprakelijk is voor de uit de tekortkomingen voortvloeiende schade, is deze kwestie niet relevant.

2.13

[appellante] heeft voorts bepleit dat zij alsnog de gelegenheid zou moeten krijgen de tegelvloer te herstellen. Met de kantonrechter is het hof evenwel van oordeel dat gezien hetgeen tussen partijen heeft plaatsgevonden van [geïntimeerde] niet langer kan worden verwacht dat hij [appellante] toelaat tot het verrichten van herstelwerkzaamheden. Voorts is het hof van oordeel dat de kantonrechter de overeenkomst terecht heeft ontbonden omdat [appellante] toerekenbaar is tekortgeschoten.

2.14

De ontbinding brengt mee dat partijen over en weer gehouden zijn tot ongedaanmaking van de reeds verrichte prestaties. De kantonrechter heeft ter zake van de door [appellante] verrichte prestatie overwogen dat deze bezwaarlijk ongedaan gemaakt kan worden en dat de waarde van de prestatie nihil is. [appellante] heeft dit oordeel in hoger beroep niet gemotiveerd weersproken, zodat ook het hof hiervan zal uitgaan.

2.15

De prestatie van [geïntimeerde] kan ongedaan gemaakt worden. [appellante] is derhalve gehouden tot terugbetaling van het bedrag dat [geïntimeerde] ter zake van de tegelvloer aan [appellante] heeft betaald. Dit betreft in ieder geval de koop-aanneemsom ten bedrage van € 4.700,-.

2.16

Partijen strijden over de vraag of [geïntimeerde] ook aanspraak kan maken op terugbetaling van het bedrag van € 1.150,-. [geïntimeerde] stelt terzake dat de tegelzetter [X] de tegels aanvankelijk niet in het door hem gewenste strakke patroon had gelegd en dat [X] het werk slechts wilde overdoen als [geïntimeerde] een bedrag van € 1.150,- zou bijbetalen. [appellante] heeft in hoger beroep niet langer bestreden dat [geïntimeerde] een bedrag van € 1.150,- aan [X] heeft betaald, maar stelt dat deze betaling voortvloeit uit een overeenkomst tussen [X] en [geïntimeerde] en dat die overeenkomst haar niet aangaat.

2.17

Het hof overweegt als volgt. Partijen zijn het erover eens dat [appellante] [X] heeft ingeschakeld om de tegelvloer te leggen. Ook zijn zij het erover eens dat [geïntimeerde] de bijbetalingsafspraak rechtstreeks met [X] heeft gemaakt, dat [X] de bijbetaling heeft vermeld op de achterzijde van de orderbevestiging van [appellante] en dat [geïntimeerde] het totaalbedrag, te weten € 5.850,- (€ 4.700,- + € 1.150,-) direct aan [X] heeft betaald. Het hof gaat voorts ervan uit dat [appellante] op de hoogte was van de bijbetaling reeds omdat [geïntimeerde] in een e-mail van 15 september 2011 schrijft:

“Op verzoek van de tegelzetter, de heer [X] het totale eindbedrag + de meerprijs direct voldaan.

Uit de bewoordingen van deze e-mail kan voorts worden afgeleid dat [geïntimeerde] in de veronderstelling verkeerde dat [X], die door [appellante] was gestuurd om de werkzaamheden uit te voeren, de afspraak over het bedrag van € 1.150,- namens [appellante] maakte.

2.18

Naar het hof begrijpt, stelt [geïntimeerde] zich op het standpunt dat hij de afspraak over de bijbetaling van € 1.150,- weliswaar met [X] heeft gemaakt, maar dat hij gerechtvaardigd erop mocht vertrouwen dat [X] daarbij optrad als vertegenwoordiger van [appellante]. Dat vertrouwen berust vooral op het feit dat [X] in opdracht van [appellante] belast was met het aanbrengen van de tegelvloer en dat [X] in één keer het totaalbedrag geïncasseerd en dat bedrag heeft vermeld op de achterkant van de opdrachtbevestiging van [appellante]. In het verweer van [appellante] ligt besloten dat zij van mening is dat zij nimmer jegens [geïntimeerde] vertrouwen heeft gewekt dat [X] bevoegd was deze bijbetalingsafspraak te maken. Naar het oordeel van het hof kan evenwel voor toerekening van schijn van volmachtverlening aan de vertegenwoordigde ([appellante]) ook plaats zijn ingeval [geïntimeerde] gerechtvaardigd heeft vertrouwd op vertegenwoordigingsbevoegdheid van [X] op grond van feiten en omstandigheden, die voor risico van [appellante] komen en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid. Die feiten en omstandigheden bestaan in het onderhavige geval met name uit het feit dat [X] door [appellante] was ingeschakeld voor het leggen van de tegelvloer en dus als hulppersoon van [appellante] kan worden aangemerkt, waarbij komt dat [geïntimeerde] aan [appellante] een totaalprijs betaalde voor zowel de tegels als het leggen van de tegels. Voorts is van belang dat de afspraak over de bijbetaling rechtstreeks verband hield met de werkzaamheden die [X] in opdracht van [appellante] bij [geïntimeerde] verrichtte.

2.19

[geïntimeerde] heeft voorts aanvullende schadevergoeding gevorderd bestaande uit:

- een bedrag van € 1.065,84 indien wordt uitgegaan van vervanging van de vloer, dan wel een bedrag van € 1.019,40 indien wordt uitgegaan van herstel van de vloer;

- een bedrag van € 1.000,- aan kosten voor het in- en uitruimen van de woning en vervangende woonruimte.

Voor de omvang van de schade beroept [geïntimeerde] zich op een rapport ing. […] (werkzaam bij Bureau voor Bouwpathologie BB) van 24 april 2014. Hierin staat onder meer het volgende over de kosten van herstel:

“De aangetroffen gebreken zijn enkele aan de randen beschadigde tegels, het niet volledig over het gehele oppervlak van de vloer vlakvol gevoegd zijn van de tegelvloer, de plaatselijk korrelige structuur van het voegwerk, het plaatselijk ontbreken van de voegen en het aanlopen van de deur van de trapkast als gevolg van het oplopen van de vloer. (…)

Om voornoemde gebreken te herstellen zijn er door ondergetekende enkele aannamen gedaan met betrekking van de hoeveelheden. Ondergetekende heeft dit niet exact kunnen bepalen. Er zullen ongeveer 20 stuks tegels (aanname0 moeten worden uitgeslepen en vervangen. Dit zal met zeer veel zorg, voorzichtigheid en aandacht moeten geschieden. Er zal een zone van 7 m2 voor de trapkost moeten worden verwijderd, eveneens met zeer veel zorg en aandacht, om de vloer uit te vlakken zodat de deur van de trapkast normaal open kan. En voor wat betreft de gebreken aan het voegwerk is ondergetekende ervan uitgegaan deze er in zijn geheel uit te slijpen, voor zover dat nog niet het geval was als gevolg van de overige werkzaamheden. Dit betekent nog eens 205 strekkende meter voeg uitslijpen en 52 m2 voeg aanbrengen. Ook dit dient weer met zeer veel zorg, aandacht en voorzichtigheid te geschieden. De met voornoemd herstel gemoeide kosten worden geraamd op € 6.915,84 all-in (bijlage 1). Hierin is niet opgenomen de kosten voor uit- en inruimen van de kamer en eventueel vervangende woonruimte.”

Ter zake van de kosten voor het vervangen van de tegelvloer vermeldt het rapport het volgende:

“Ondergetekende is zo vrij geweest om de herstelkosten te vergelijken met kosten voor algehele vervanging van de vloertegels. Deze kosten ontlopen elkaar weinig. Vervanging wordt geraamd op € 6.869,40 all-in (bijlage 2). Grote voordeel van algehele vervanging is dat de kans op kleurverschil niet speelt en beschadigingen aan de randen van de tegels zijn uit te sluiten. De grootste kostenpost bij herstel zit hem in het met zeer veel zorg uitslijpen van de voegen. Hierbij is sprake van een reële kans op opnieuw beschadigen van tegels.”

2.20

[appellante] heeft aangevoerd dat bij de vaststelling van de schade niet van bovengenoemd rapport kan worden uitgegaan. Naar het hof begrijpt, betoogt [appellante] dat […] niet onpartijdig is omdat [geïntimeerde] vaker met hem, althans met Bureau voor Bouwpathogie, zou hebben samengewerkt en omdat de brief aan Bureau voor Bouwpathologie waarin [appellante] vragen had geformuleerd over het herstel van de tegelvloer, onbeantwoord is gebleven. Het hof gaat hieraan voorbij: [appellante] heeft, uitgaande van de in rechte vaststaande tekortkomingen, onvoldoende gemotiveerd welke onderdelen van de kostenramingen voor herstel dan wel vervanging door […] te hoog zouden zijn vastgesteld. Daarbij acht het hof van belang dat […] de beide ramingen nader heeft gespecificeerd en [appellante] aldus voldoende aanknopingspunten heeft verschaft om de kostenraming – voor zover zij die te hoog acht – gemotiveerd te betwisten. Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter dan ook terecht de kostenramingen van […] tot uitgangspunt genomen.

2.21

[appellante] klaagt nog dat het onbegrijpelijk is dat de kosten voor herstel hoger zijn begroot dan de kosten voor vervanging, maar deze klacht faalt. […] heeft toegelicht dat de grootste kostenpost bij herstel zit in het zorgvuldig uitslijpen van de voegen omdat de vloertegels anders beschadigen. Deze constatering is door [appellante] niet betwist. Voorts voert [appellante] aan dat zij uitsluitend de werkelijk gemaakte kosten zou hoeven te vergoeden. Ook deze klacht faalt, omdat schadebegroting door middel van een kostenraming het meest in overeenstemming is met de aard van de onderhavige schade, te weten kosten van (nog uit te voeren) herstel van de tegelvloer (artikel 6:97 BW).

2.22

[appellante] betwist voorts dat [geïntimeerde] aanspraak kan maken op een bedrag van € 1.000,- voor het in- en uitruimen van de woning en vervangende woonruimte. Zij voert aan dat [geïntimeerde] deze kosten niet heeft aangetoond en dat kan worden volstaan met het aan de kant schuiven van enkele meubels; de woning zou dus niet uitgeruimd hoeven worden en er is volgens [appellante] ook geen behoefte aan vervangende woonruimte.

2.23

Het hof stelt voorop dat de bewijslast voor de noodzaak en omvang van deze kosten op [geïntimeerde] ligt. [geïntimeerde] heeft terzake aangevoerd dat het een vanzelfsprekendheid is dat de vloer leeg dient te zijn en dat de meubels en overige spullen ergens dienen te blijven. Bovendien kunnen [geïntimeerde] en zijn familie gedurende de werkzaamheden de woonkamer en de keuken niet gebruiken, aldus [geïntimeerde]. Naar het oordeel van het hof is dit onderdeel van de vordering, welke in het geheel niet is gespecificeerd, te summier toegelicht, omdat (bijvoorbeeld) onduidelijk is waarom de hele benedenruimte in één keer volledig zou moeten worden ontruimd en waarom [geïntimeerde] en zijn familie niet gedurende enkele dagen op de bovenverdieping zouden kunnen verblijven. Het hof zal het bestreden vonnis op dit punt dan ook vernietigen en dit onderdeel van de vordering van [geïntimeerde] alsnog afwijzen.

2.24

[appellante] klaagt tot slot erover dat zij is veroordeeld in de proceskosten. Zij wijst erop dat [geïntimeerde] een bedrag van ongeveer € 22.000,- heeft gevorderd en dat de kantonrechter minder dan de helft (een bedrag van € 10.391,71) heeft toegewezen. Deze grief faalt, reeds omdat [appellante] eraan voorbij ziet dat [geïntimeerde] in de loop van de procedure zijn vordering heeft verminderd en de kantonrechter die vordering vrijwel volledig heeft toegewezen.

2.25

De slotsom is dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd voor zover het betreft de toewijzing van een bedrag van € 1.000,- voor de kosten voor in- en uitruimen van de woning en vervangende woonruimte. Dit onderdeel van de vordering zal alsnog worden afgewezen. Voor het overige zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd. Wat betreft de proceskostenveroordeling in hoger beroep heeft te gelden dat [appellante] de overwegend in het ongelijk gestelde partij is. Zij zal worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Het algemeen bewijsaanbod van [appellante] onder 5 in de memorie van grieven wordt verworpen omdat het niet voldoet aan de in hoger beroep aan een bewijsaanbod te stellen eisen.

3 Beslissing

Het hof:

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis voorzover [appellante] daarbij wordt veroordeeld tot betaling van € 10.391,75 en in zoverre opnieuw rechtdoende:

- Veroordeelt [appellante] om aan [geïntimeerde] tegen kwijting te betalen € 9.391,75, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over € 6.915,84 vanaf 12 november 2013 tot aan de dag van algehele voldoening;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 308,- aan verschotten en € 894,- aan salaris advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, M. Flipse en M.C.M. van Dijk en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 februari 2016 in aanwezigheid van de griffier.