Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:1782

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21-06-2016
Datum publicatie
29-06-2016
Zaaknummer
BK-15/00136 en BK-15/00137
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:15816, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:187
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of de stukken met betrekking tot het tussen de gemachtigde van belanghebbende en de Belastingdienst bestaande geschil inzake de toepassing van de Becon-regeling dienen te worden aangemerkt als op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb;of de Inspecteur een dwangsom heeft verbeurd;of de verrekening van verliezen op de juiste wijze heeft plaatsgevonden; en of belanghebbende recht heeft op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1467
FutD 2016-1651
NTFR 2016/1981 met annotatie van Mr. P.G.M. Jansen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-15/00136 en BK-15/00137

Uitspraak van 21 juni 2016

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (hierna: de Rechtbank) van 25 november 2014, nummers SGR 14/4324 en 14/4325, betreffende na te vermelden aanslagen.

Aanslagen, beschikkingen, bezwaar en geding in eerste aanleg

BK-15/00136

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.286 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 182. Gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur een boetebeschikking en een beschikking inzake heffingsrente opgelegd van respectievelijk € 226 en € 608.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de hiervoor vermelde aanslag en beschikkingen gegrond verklaard en heeft hij de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 2.789, de heffingsrente overeenkomstig verminderd en de boetebeschikking vernietigd.

BK-15/00137

1.3.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 een aanslag Inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 50.000. Bij beschikking is een bedrag van € 113 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.4.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de hiervoor in 1.3 vermelde aanslag en beschikking gegrond verklaard en heeft hij de aanslag Zvw verminderd tot een berekend naar een bijdrage-inkomen van € 17.278 en de heffingsrente overeenkomstig verminderd.

Beide zaken

1.5.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van eenmaal € 123. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft vervolgens een conclusie van repliek ingediend, waarop de Inspecteur heeft gereageerd met een conclusie van dupliek.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 10 mei 2016 te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde staat in hoger beroep het volgende vast:

3.1.

Belanghebbende is uitgenodigd om vóór 1 april 2012 aangifte te doen voor de heffing van IB/PVV en Zvw voor het jaar 2011. Na deze datum heeft de Inspecteur belanghebbende daartoe aangemaand. Bij brief van 28 juni 2012 heeft de gemachtigde van belanghebbende gewezen op het ingediende uitstelverzoek ingevolge de uitstelregeling voor belastingconsulenten (hierna: de Becon-regeling). Bij brief van 30 juli 2012 heeft belanghebbende tegen de aanmaning bezwaar gemaakt en de Inspecteur in gebreke gesteld.

3.2.

Op 29 april 2013 heeft belanghebbende voor het jaar 2011 aangifte gedaan voor de IB/PVV naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.336. Het door belanghebbende aangegeven inkomen uit werk en woning vóór de verrekening van het bedrag van de persoonsgebonden aftrek bedraagt € 17.278.

3.3.

Met dagtekening 5 maart 2014 heeft de Inspecteur de onderhavige aanslagen opgelegd. De Inspecteur heeft de aanslagen ambtshalve vastgesteld, omdat hij meende dat geen aangiften waren ingediend.

3.4.

Belanghebbende heeft bij brief van 20 maart 2014 bezwaar gemaakt tegen de aanslagen. In deze brief heeft belanghebbende tevens gesteld dat de beslistermijn is verstreken en verzocht om toepassing van de dwangsomregeling van artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

3.5.

Bij brief van 31 maart 2014 (motivering van de uitspraken op bezwaar) heeft de Inspecteur aan belanghebbende meegedeeld dat de aanslagen en de beschikkingen inzake heffingsrente overeenkomstig de aangiften worden verminderd en de boetebeschikking wordt vernietigd. Verder heeft de Inspecteur meegedeeld dat hij belanghebbende een vergoeding van de kosten van het bezwaar toekent van € 243. Wat betreft het verzoek om toepassing van de dwangsomregeling heeft de Inspecteur laten weten dat de wettelijke termijn om te beslissen op het bezwaar nog niet was verstreken, zodat hij nog niet in gebreke kon worden gesteld.

3.6.

Bij uitspraak op bezwaar, met dagtekening 17 april 2014, is het inkomen uit werk en woning nader vastgesteld op € 2.789. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

Inkomen uit werk en woning vóór persoonsgebonden aftrek: € 17.278

-/- persoonsgebonden aftrek over 2011: € 775

-/- persoonsgebonden aftrek over 2010: € 182

Inkomen uit werk en woning: € 16.321

-/- te verrekenen ondernemingsverlies: € 2.345

-/- te verrekenen niet ondernemingsverlies: € 11.187

Belastbaar inkomen uit werk en woning: € 2.789

3.7.

De Inspecteur heeft in zijn conclusie van dupliek in hoger beroep het volgende overzicht opgenomen van de vastgestelde inkomens en toegepaste verrekening van verliezen in de periode 2004 tot en met 2011:

Jaar

Inkomen

Carry back (cb) of forward (cf)

Belastbaar inkomen na cb of cf

2004

€ 15.793

uit 2007: € 8.347

€ 7.446

2005

- € 14.969

naar 2002

2006

€ 8.694

uit 2008: € 8.694

€ 0

2007

- € 8.347

naar 2004

2008

- € 15.782

naar 2006: € 8.694

naar 2011: € 7.088

2009

- € 6.444

naar 2011: € 6.444

2010

€ 0

2011

€ 16.321

uit 2008: € 7.088

uit 2009: € 6.444

€ 2.789

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

In geschil is of:

i) de stukken met betrekking tot het tussen de gemachtigde van belanghebbende en de Belastingdienst bestaande geschil inzake de toepassing van de Becon-regeling dienen te worden aangemerkt als op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb;

ii) de Inspecteur een dwangsom heeft verbeurd;

iii) de verrekening van verliezen op de juiste wijze heeft plaatsgevonden;

iv) belanghebbende recht heeft op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

4.2.

Belanghebbende beantwoordt de voormelde vragen i), ii) en iv) bevestigend en vraag iii) ontkennend. De Inspecteur is de tegenovergestelde mening toegedaan.

4.3.

Voor de onderbouwing van de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding.

Conclusies van partijen

5.1.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vermindering van de aanslagen. Belanghebbende concludeert voorts dat de Inspecteur aan hem een dwangsom heeft verbeurd van € 1.260 en dat hij recht heeft op een proceskostenvergoeding en immateriële schadevergoeding.

5.2.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Oordeel van de Rechtbank

6. De Rechtbank heeft in haar uitspraak, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende overwogen:

"7. Ter zake van zijn stelling dat [de Inspecteur] een dwangsom heeft verbeurd heeft [belanghebbende] aangevoerd dat hij met zijn brief van 28 juni 2012 bezwaar heeft gemaakt tegen de weigering van [de Inspecteur] tot het verlenen van uitstel tot het doen van aangifte – aangezien de aangifte kennelijk niet was opgenomen in de beconregeling van de gemachtigde – en [de Inspecteur] niet binnen zes weken op dat bezwaar uitspraak heeft gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank is een beslissing tot het al dan niet verlenen van uitstel tot het doen van aangifte geen voor bezwaar vatbare beschikking en kan de dwangsomregeling van artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) reeds hierom geen toepassing vinden. Deze beroepsgrond faalt dus ook. Om die reden zal de rechtbank tevens geen gebruikmaken van het door [belanghebbende] in dezen ter zake van de beconregeling gedane bewijsaanbod.

(…)

9. Tegenover de stelling van [belanghebbende] dat het verlies uit voorafgaande jaren € 44.119 bedraagt heeft [de Inspecteur] aangevoerd dat [belanghebbende] tegen de verliezen in de voorafgaande jaren geen rechtsmiddelen heeft aangewend. [Belanghebbende] heeft - ook met de brief aan [de Inspecteur] van 3 oktober 2013 die [belanghebbende] ter zitting heeft overgelegd – het tegendeel niet aannemelijk gemaakt zodat deze verliezen onherroepelijk vaststaan. [De Inspecteur] heeft kopieën overgelegd van de aanslagbiljetten waarmee de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2008, 2009 en 2010 zijn bekendgemaakt, alsmede schermprints waarop is vermeld hoe de verrekening van verliezen heeft plaatsgevonden. Uit deze stukken blijkt dat in 2008 een verlies is geleden van € 15.782 dat voor € 8.694 is verrekend met inkomen van het jaar 2006 en dat in 2009 een verlies is geleden van € 6.444. Het aanslagbiljet voor 2010 vermeldt een verzamelinkomen van nihil. Het vorenstaande laat geen ander oordeel toe dan dat met het inkomen uit werk en woning van 2011 terecht een bedrag van in totaal € 13.532 (€ 15.782 -/- € 8.694 + € 6.444, ofwel € 2.345 + € 11.187), bestaande uit € 2.345 ondernemingsverlies en € 11.187 aan ander verlies, aan verliezen uit voorafgaande jaren is verrekend. Ook deze beroepsgrond faalt derhalve."

Beoordeling van het hoger beroep

Op de zaak betrekking hebbende stukken (artikel 8:42 Awb)

7.1.

De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting van het Hof zijn klacht dat de Inspecteur niet heeft voldaan aan de ingevolge artikel 8:42, lid 1, van de Awb op hem rustende verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen, aldus verduidelijkt dat het daarbij gaat om correspondentie tussen hemzelf en de Belastingdienst inzake de eliminatie van hem als gemachtigde en zijn cliënten uit de Becon-regeling.

7.2.

De klacht wordt verworpen. De bedoelde stukken worden niet aangemerkt als op de zaak betrekking hebbende stukken, aangezien deze niet van belang zijn geweest voor de besluitvorming over het bezwaarschrift inzake de aanslagen en beschikkingen hiervoor onder 1.1 tot en met 1.4 vermeld.

Dwangsom

7.3.

De Rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de dwangsomregeling van artikel 4:17 Awb wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar geen toepassing kan vinden omdat de beslissing van de Inspecteur om al dan niet uitstel tot het doen van aangifte te verlenen geen voor bezwaar vatbare beschikking is.

Hoogte van het inkomen uit werk en woning; verliesverrekening

7.4.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de in geschil zijnde aanslagen overeenkomstig de op 29 april 2013 ingediende aangifte vastgesteld. Hij is daarbij uitgegaan van het door belanghebbende aangegeven inkomen uit werk en woning van € 17.278 vóór de verrekening van het bedrag van de persoonsgebonden aftrek (zie 3.2 en 3.6).

7.5.

Belanghebbende heeft in hoger beroep, naar het Hof begrijpt, naar de kern genomen aangevoerd dat in het verleden (de jaren vóór het jaar 2011) de te verrekenen verliezen op een te laag bedrag zijn vastgesteld.

7.6.

De Inspecteur heeft ter zitting van het Hof onweersproken gesteld dat voor bezwaar vatbare verliesvaststellings- en verliesverrekeningsbeschikkingen zijn genomen ter zake van de hiervoor in 3.7 vermelde verliezen. Evenals in eerste aanleg heeft belanghebbende in hoger beroep, tegenover gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat tegen de vaststelling en verrekening van verliezen in voorafgaande jaren rechtsmiddelen zijn aangewend. De hoogte van de in het verleden geleden verliezen staat derhalve onherroepelijk vast. Voorts heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat in het onderhavige jaar tot een onjuist bedrag verliesverrekening is toegepast.

Immateriële schadevergoeding

7.7.

Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

7.8.

Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn voor berechting van een belastinggeschil is overschreden gelden de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984, ECLI:NL:HR:2005:AO9006, BNB 2005/337. De in aanmerking te nemen termijn begint op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. Als uitgangspunt geldt dat de redelijke termijn is overschreden indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadien uitspraak doet. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het gerechtshof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld.

7.9.

Belanghebbende heeft niet in de beroepsfase, maar voor het eerst in hoger beroep verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. In een zodanig geval heeft te gelden dat de vraag of die termijn is overschreden door het hof moet worden beoordeeld naar de stand van het geding ten tijde van zijn uitspraak op het hoger beroep, waarbij de duur van de totale procedure tot dan toe in ogenschouw wordt genomen. Een voortvarende behandeling van het hoger beroep kan er in een zodanig geval dan ook toe leiden dat de overschrijding van de redelijke termijn door het bestuursorgaan en/of de rechtbank wordt gecompenseerd (Hoge Raad 12 december 2014, nr. 14/00797, ECLI:NL:HR:2014:3562, BNB 2015/43).

7.10.1.

De Inspecteur heeft de brief waarin bezwaar wordt gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2011 en de aanslag Zvw 2011 ontvangen op 21 maart 2014. De stelling van belanghebbende dat hij reeds op 3 oktober 2013 bezwaar heeft gemaakt, heeft hij tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, niet aannemelijk gemaakt. Indien en voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat een bezwaarschrift met betrekking tot een aanslag inzake een aan 2011 voorafgaand jaar te dezen relevant is, geldt dat deze stelling reeds faalt omdat het onderhavige geschil uitsluitend het jaar 2011 betreft.

7.10.2.

Het Hof doet op 28 juni 2016 uitspraak. Geoordeeld moet derhalve worden dat de redelijke termijn niet is overschreden. Het verzoek van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wordt daarom afgewezen.

Slotsom

7.11.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat het hoger beroep ongegrond is. De overige klachten die belanghebbende heeft aangevoerd kunnen aan voorliggende oordelen niet afdoen. Beslist dient te worden als hierna vermeld.

Proceskosten

8. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. E.M. Vrouwenvelder, P.J.J. Vonk en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.S.H.M. Strik. De beslissing is op 21 juni 2016 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.