Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:1757

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17-06-2016
Datum publicatie
30-03-2017
Zaaknummer
22-005099-15
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:508, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005099-15

Parketnummer: 09-176331-15

Datum uitspraak: 17 juni 2016

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 18 november 2015 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [dag] 1964,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 3 juni 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Voorts is de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij is in hoger beroep niet meer aan de orde, aangezien de benadeelde partij zich, hoewel behoorlijk opgeroepen, in hoger beroep niet opnieuw heeft gevoegd.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 29 augustus 2015 te 's-Gravenhage [slachtoffer]heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend

- de woorden toegevoegd: 'ik maak je dood, ik prik je lek en/of 'als je aan m'n spullen zit maak ik je hardstikke dood', althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- een taser, althans een op een taser gelijkend voorwerp en/of een of meerdere messen getoond aan voornoemd slachtoffer.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 29 augustus 2015 te 's-Gravenhage [slachtoffer]heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling , immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend

- de woorden toegevoegd: 'ik maak je dood, ik prik je lek’ en/of 'als je aan m'n spullen zit maak ik je hardstikke dood', althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en /of

- een taser, althans een op een taser gelijkend voorwerp en/of een of meerdere mes sen getoond aan voornoemd slachtoffer.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Verweren ten aanzien van de strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de strafbaarheid van de verdachte

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte subsidiair betoogd dat de verdachte een beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt en derhalve van alle rechtsvervolging behoort te worden ontslagen. Hij heeft in dit verband betoogd dat de verdachte een mes heeft gepakt om zich te verdedigen nadat [slachtoffer] dreigend met een hamer op hem af kwam lopen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet aannemelijk geworden dat [slachtoffer] dreigend met een hamer op hem af kwam, waartegen de verdachte moest verdedigen. Het hof verwerpt het beroep op noodweer.

Nu naar het oordeel van het hof geen sprake is van een noodweersituatie komt het hof niet toe aan bespreking van de stelling van de raadsman dat sprake was van noodweerexces.

Nu geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde dan wel de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, is zowel het bewezen verklaarde als de verdachte strafbaar.

Het bewezen verklaarde levert op:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, waarvan 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging, op de wijze zoals is bewezenverklaard. Deze bedreiging van de verdachte is voor het slachtoffer beangstigend geweest.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 24 mei 2016, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof acht het opleggen van geen straf of maatregel, zoals meer subsidiair door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is bepleit, niet op zijn plaats, gelet op de ernst en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 63 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. A.A. Schuering,

mr. T.L. Tan en mr. P. van Essen, in bijzijn van de griffier R. Luijken.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 17 juni 2016.