Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:1735

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
15-06-2016
Datum publicatie
22-09-2017
Zaaknummer
BK-15/00760 t/m BK-15/00766
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is de verbindendheid van de Wet verhuurderheffing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/2215
V-N 2017/52.17.6
Viditax (FutD), 25-09-2017
FutD 2017-2431
NTFR 2017/2546
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-15/00760 tot en met BK-15/00766

Uitspraak van 15 juni 2016

in het geding tussen:

BK-15/ [A] B.V.,

BK-15/ [B] B.V.,

BK-15/ [C] B.V.,

BK-15/00763B.V. [D] ”,

BK-15/00764B.V. [E] ”,

BK-15/ [F] ,

BK-15/00766 [G] B.V., alle te [Z] , hierna: te samen belanghebbenden

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Doetinchem, de Inspecteur,

inzake het hoger beroep van belanghebbenden tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 1 mei 2015, nummers SGR 14/7683 tot en met 14/7688 en SGR 14/7690 betreffende de onder 1.1 vermelde voldoeningen op aangifte.

Voldoening op aangifte, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

Belanghebbenden hebben voor het jaar 2013 op 27 september 2013 verhuurderheffing op aangifte voldaan. Belanghebbenden hebben op 5 november 2013 bezwaar gemaakt tegen de voldoeningen op aangifte.

1.2.

De Inspecteur heeft bij de uitspraken op bezwaar de bezwaren ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbenden hebben tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbenden zijn van de uitspraken van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 496. De Inspecteur heeft verweerschriften ingediend.

2.2.

Voorafgaand aan de zitting heeft het Hof op 1 april 2016 van belanghebbenden en op 14 april 2016 van de Inspecteur nadere stukken ontvangen waarvan een afschrift is gezonden aan de wederpartij. De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 20 april 2016, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn partijen verschenen. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3. Op grond van de stukken van het geding is in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1.

Belanghebbenden zijn eigenaar en verhuurder van respectievelijk 120, 253, 233, 194, 294, 640 en 1.074 huurwoningen in de zin van de Wet verhuurderheffing. Zij zijn geen woningbouwcorporatie.

3.2.

Belanghebbenden hebben voor het jaar 2013 de volgende bedragen aan verhuurderheffing op aangifte voldaan:

Belanghebbende

Belastbaar bedrag

Bedrag heffing

[A] BV

€ 16.883.625

€ 2.363

[B] BV

€ 38.652.368

€ 5.411

[C]

€ 29.349.863

€ 4.108

BV [D]

€ 23.749.278

€ 3.324

BV [E]

€ 37.605.367

€ 5.264

[F]

€ 88.806.867

€ 12.432

[G] BV

€ 150.395.013

€ 21.055

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

In geschil is de verbindendheid van de Wet verhuurderheffing.

4.2.

Belanghebbenden stellen zich op het standpunt dat de Wet verhuurderheffing onverbindend is omdat zij leidt tot een belastingheffing die in strijd is met de artikelen 14 van het EVRM, artikel 26 van het IVBPR, artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (EP), de artikelen 16, 17 en 21 van het EU-Handvest en artikel 107 van het EU-Werkingsverdrag.

4.3.

De Inspecteur heeft het standpunt van belanghebbende gemotiveerd betwist.

4.4.

Voor de gronden waarop partijen hun standpunten doen steunen verwijst het hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1.

Belanghebbenden hebben geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraken van de rechtbank, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar en tot teruggave van de op aangifte voldane verhuurderheffing, dan wel de Inspecteur op te dragen een voorlopige voorziening te treffen die leidt tot eenzelfde besluit.

5.2.

De Inspecteur heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft in elke zaak het beroep ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiseres en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid:

“6. De rechtbank stelt voorop dat het de rechter ingevolge artikel 11 van de Wet algemene bepalingen niet is toegestaan de innerlijke waarde of billijkheid van een wet te beoordelen. Dit brengt mee dat het de rechtbank niet is toegestaan de Wet als zodanig te toetsen, behoudens voor zover deze in strijd zou zijn met een ieder verbindende verdragsbepalingen. Voorts stelt de rechtbank vast dat zij ingevolge artikel 120 van de Grondwet niet bevoegd is de grondwettigheid van de Wet te beoordelen zodat zij de Wet niet mag toetsen aan de door de Minister-President geformuleerde Aanwijzingen voor de regelgeving. De rechtbank zal derhalve uitsluitend toetsen of de verhuurderheffing in strijd is met artikel 14 van het EVRM, artikel 26 van het IVBPR, artikel 1 van het Eerste Protocol of het EU-Handvest en of sprake is van verboden staatssteun. De rechtbank stelt verder vast dat in onderhavige procedure uitsluitend de verhuurderheffing over het jaar 2013 aan de orde is. De wetgeving zoals die per 1 januari 2014 geldt, zal de rechtbank daarom niet in haar oordeel betrekken.

Artikel 14 EVRM en artikel 26 IVBPR: Gelijkheidsbeginsel/verbod van willekeur

7. Eiseres stelt dat de verhuurderheffing leidt tot een ongeoorloofde ongelijke behandeling van gelijke gevallen, omdat eigenaren van minder dan elf woningen en eigenaren van meer dan tien woningen in de niet-gereguleerde sector niet in de heffing worden betrokken.

8. Vooropgesteld dient te worden dat artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbieden, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling ontbreekt. Daarbij verdient opmerking dat op fiscaal gebied aan de wetgever in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van de bedoelde verdragsbepalingen als gelijk moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. Indien het niet gaat om onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon, zoals geslacht, ras en etnische afkomst, dient het oordeel van de wetgever daarbij te worden geëerbiedigd, tenzij het van redelijke grond ontbloot is. Dit laatste kan niet snel worden aangenomen. Het onderscheid moet van dien aard zijn dat de keuze van de wetgever evident van redelijke grond ontbloot is (zie Hoge Raad 22 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1206).

9. Uit de parlementaire behandeling blijkt dat de heffingsvrije voet van tien woningen tot doel heeft om verhuurders van slechts enkele woningen buiten de heffing te laten, waardoor zowel de administratieve lasten voor bedrijven en burgers als de uitvoeringskosten voor de Belastingdienst aanzienlijk beperkt worden. Daarnaast is in de parlementaire behandeling opgemerkt dat door deze vrijstelling wordt geheven van meer professionele verhuurders (zie MvT, Tweede Kamer, vergaderjaar 2012-2013, 33407, nr. 3, pag. 3). Gelet hierop is de keuze van de wetgever om verhuurders van tien of minder woningen buiten de heffing te laten, naar het oordeel van de rechtbank niet evident van redelijke grond ontbloot.

10. De rechtbank volgt eiseres evenmin in haar standpunt dat zij ten onrechte ongelijk wordt behandeld ten opzichte van eigenaren van meer dan tien woningen in de niet-gereguleerde sector. Uit de parlementaire behandeling blijkt dat de verhuurderheffing zich beperkt tot het gereguleerde segment, omdat de verhuurders die op die markt actief zijn belang hebben bij de stabiliteit en gewaarborgde inkomsten die door de overheid zijn gecreëerd door het verstrekken van objectsubsidies gericht op de bouw van sociale huurwoningen en door het bestaan van de huurtoeslag. Verder is voor deze beperking gekozen, omdat de maatregelen die gericht zijn op het tegengaan van het zogenoemde scheefwonen geen betrekking hebben op verhuurders buiten het gereguleerde segment en daar ook niet tot directe extra huuropbrengsten leiden (zie MvT, Tweede Kamer, vergaderjaar 2012-2013, 33407, nr. 3, pag. 3). Zo al sprake is van gelijke gevallen, is de keuze van de wetgever om de heffing te beperken tot het gereguleerde segment daarom niet evident van redelijke grond ontbloot.

11. Verder stelt eiseres dat zij ten onrechte gelijk wordt gesteld met woningcorporaties. Commerciële verhuurders kennen volgens eiseres een hoger basishuurniveau dan woningcorporaties, omdat zij geen voordelen hebben kunnen genieten van bijvoorbeeld lagere grondprijzen, borging door het Waarborgfonds Sociale Woningbouw, vrijstellingen van diverse belastingen en de saneringssteun. Hierdoor hebben commerciële beleggers minder huurstijgingspotentieel om de door hen verschuldigde verhuurderheffing te bekostigen.

12. Weliswaar zijn er in andere wet- en regelgeving verschillen te onderkennen tussen de behandeling van commerciële verhuurders en woningcorporaties, maar die omstandigheid kan niet tot de conclusie leiden dat zij ook voor de verhuurderheffing ongelijk behandeld dienen te worden. Bezien in het licht van de verhuurderheffing is geen sprake van ongelijke gevallen, aangezien zowel eiseres als de woningcorporaties kwalificeren als verhuurders van woningen in de gereguleerde sector en als zodanig in de heffing worden betrokken.

13. Eiseres heeft gesteld dat de verhuurderheffing tot willekeur leidt, omdat in een situatie van mede-eigendom belastingplichtig is degene aan wie de WOZ-beschikking is bekendgemaakt en het afhankelijk is van het beleid van de desbetreffende gemeente aan welke eigenaar de WOZ-beschikking wordt bekendgemaakt. Eiseres heeft aangegeven dat in tenminste drie van de ter zitting behandelde zaken sprake is van mede-eigendom. Zo daarvan in onderhavige zaak sprake is, overweegt de rechtbank het volgende.

14. Uit de parlementaire behandeling blijkt dat de wetgever heeft onderkend dat door de aansluiting bij de basisregistratie WOZ als gevolg van gemeentelijke beleidsregels de ene mede-eigenaar wel als belastingplichtige voor de Wet kwalificeert en de andere mede-eigena(a)r(en) niet (Nota naar aanleiding van het verslag, Tweede Kamer, vergaderjaar 2012-2013, 33515, nr. 6, pag. 6). Dit onderscheid is een gevolg van de gekozen heffingssystematiek. Van deze keuze door de wetgever, kan niet worden gezegd dat zij evident van redelijke grond is ontbloot. De wetgever heeft daarom de grenzen van de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid niet overschreden.

15. De stelling van eiseres dat de verhuurderheffing strijdig is met het gelijkheidsbeginsel dan wel het verbod op willekeur, treft gezien het voorgaande geen doel.

Artikel 1 van het Eerste Protocol

16. Belastingheffing vormt op zichzelf een inbreuk op het ongestoorde genot van eigendom als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol. Een dergelijk inbreuk is echter toegestaan indien deze “lawful” is en er een redelijke mate van evenredigheid bestaat tussen de daartoe in het algemeen belang gebruikte middelen en het legitieme doel dat daarmee wordt nagestreefd. Aan de “lawful-eis” is in onderhavig geval voldaan nu de verhuurderheffing een basis heeft in het nationale recht welk voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar is in de uitoefening en vergezeld gaat van procedurele garanties die de betrokkene een redelijke mogelijkheid biedt tot effectieve betwisting van de rechtmatigheid van de inbreuk.

17. Dat er een redelijke mate van evenredigheid moet bestaan tussen de daartoe in het algemeen belang gebruikte middelen en het legitieme doel dat daarmee wordt nagestreefd, vereist het bestaan van een redelijke verhouding (“fair balance”) tussen het algemeen belang en de bescherming van individuele rechten. Waar het gaat om de beoordeling van wat in het algemeen belang is en de keus van de middelen om dit belang te dienen, komt aan de wetgever op het terrein van het belastingrecht een ruime beoordelingsvrijheid toe. In de parlementaire geschiedenis is als primaire doelstelling van de verhuurderheffing het genereren van inkomsten genoemd. De Wet is daarom meegenomen in het Stabiliteitsprogramma dat op 27 april 2012 aan de Tweede Kamer is gezonden met het oog op het terugdringen van het begrotingstekort tot 3% van het bruto binnenlands product. Er is daarbij voor een verhuurderheffing gekozen omdat een belastingheffing op onroerende zaken tot een minder verstorend effect leidt dan bijvoorbeeld een tariefsverhoging in de inkomsten- of vennootschapsbelasting. Verder vormt de verhuurderheffing volgens de wetgever een belangrijk element van een pakket aan maatregelen die zijn gericht op een betere werking van de woningmarkt (zie MvT, Tweede Kamer, vergaderjaar 2012-2013, 33 407, nr. 3, pag. 2).

Gelet op het bovenstaande heeft de wetgever met de verhuurderheffing de grenzen van de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid dan ook niet overschreden. Dat aan de verhuurderheffing primair budgettaire overwegingen ten grondslag liggen, leidt overigens ook niet tot de conclusie dat de verhuurderheffing geen legitiem doel in het algemeen belang nastreeft (vergelijk Hof Den Haag, 16 december 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:4131).

18. Eiseres heeft haar stelling dat zij wordt getroffen door een individuele en buitensporige last omdat de verhuurderheffing voor haar leidt tot een structureel verliesgevende situatie niet aannemelijk gemaakt.

19. Het beroep van eiseres op artikel 1 van het EP faalt derhalve.

EU Handvest

20. Uit artikel 51 van het EU-Handvest volgt dat lidstaten alleen gebonden zijn aan het Handvest wanneer zij optreden binnen het toepassingsgebied van het recht van de Unie. De verhuurderheffing betreft geen uitvoering van het Unierecht en valt in het onderhavige geval ook anderszins niet binnen het toepassingsgebied van het EU-recht. Het EU-Handvest vindt daarom geen toepassing. Het standpunt van eiseres dat de verhuurderheffing een beperking van het vrije verkeer en mededinging vormt faalt reeds omdat zij dit standpunt niet nader heeft onderbouwd.

Staatssteun

21. Wat betreft het standpunt van eiseres dat de verhuurderheffing verboden staatssteun oplevert, constateert de rechtbank allereerst dat de hier van toepassing zijnde wettekst (2013) geen steunmaatregelen bevat. Dat deze wet onderdeel uitmaakt van een geheel aan steunmaatregelen die leiden tot een onrechtmatige belemmering voor de mededinging op de markt, heeft eiseres onvoldoende geconcretiseerd en niet aannemelijk gemaakt. Anders dan eiseres stelt, is er geen directe relatie te onderkennen tussen de verhuurderheffing en de beschikking van de Europese Commissie (de Commissie) van 15 december 2009 met nummer C(2009)9963 final. Het enkele feit dat de Commissie in het verleden heeft geconstateerd dat bepaalde steunmaatregelen ten aanzien van woningcorporaties niet verenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt en dat door de Commissie in de beschikking van 15 december 2009 in dat verband voorwaarden zijn geformuleerd, betekent niet dat ten aanzien van de desbetreffende woningmarkt geen nieuwe belastingwetgeving mag worden ingevoerd of dat die nieuwe wetgeving reeds daardoor verboden staatssteun oplevert. Hetgeen eiseres overigens omtrent verboden staatssteun heeft aangevoerd ziet op de Wet verhuurderheffing die geldt voor 2014 en latere jaren en is in voorliggende geval dan ook niet relevant.

22. Gelet op het bovenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

23. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

Beoordeling van het hoger beroep

Toetsingskader

7.1.

Belanghebbenden hebben bezwaar gemaakt tegen de voldoeningen op aangifte van de verhuurderheffing voor het jaar 2013. Hetgeen belanghebbenden aanvoeren buiten dit onderwerp, onder meer met betrekking tot de met ingang van 1 januari 2014 geldende wetgeving, kan in dit geding niet aan de orde komen.

Oordeel rechtbank 14 EVRM en artikel 26 IVBPR

7.2.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de verhuurderheffing niet in strijd komt met artikel 14 van het EVRM en artikel 26 van het IVBPR omdat van een ongeoorloofde ongelijke behandeling van de door belanghebbenden met elkaar vergeleken gevallen geen sprake is, daartoe – kort gezegd – overwegende dat de keuzen van de wetgever om verhuurders van tien of minder woningen buiten de heffing te laten en om de heffing te beperken tot het gereguleerde segment niet evident van redelijke grond zijn ontbloot (zie de overwegingen 7 tot en met 10 van de rechtbank). Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de in andere wet- en regelgeving te onderkennen verschillen in de behandeling van commerciële verhuurders en woningcorporaties niet meebrengen dat deze groepen van verhuurders ook voor de verhuurderheffing ongelijk behandeld dienen te worden. Voor de toepassing van de verhuurdersheffing is geen sprake van ongelijke gevallen, aangezien zowel commerciële verhuurders als woningcorporaties kwalificeren als verhuurders van woningen in de gereguleerde sector en als zodanig in de heffing worden betrokken (rechtsoverwegingen 11 en 12 van de rechtbank). Tenslotte heeft de rechtbank het in dit kader door belanghebbende ingenomen standpunt dat de verhuurderheffing tot willekeur leidt verworpen (overwegingen 13 en 14 van de rechtbank). Het Hof heeft deze beslissingen en de gronden waarop zij rusten gewogen en is tot de conclusie gekomen dat deze juist zijn. Het Hof maakt de beslissingen en de gronden waarop zij berusten tot de zijne. In aanvulling daarop overweegt het Hof naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd het volgende.

Heffingsvrije voet voor verhuurders met 10 woningen

7.3.

Het Hof volgt de rechtbank in haar oordeel dat de heffingsvrije voet zijn rechtvaardiging kent in de beperking van de administratieve last voor kleine verhuurders en de beperking van de heffing tot de meer professionele verhuurders. Indien het zo is dat, zoals belanghebbenden stellen, verhuurders dochterondernemingen creëren teneinde per vennootschap niet meer dan tien woningen te verhuren, zou de wetgever daarin aanleiding kunnen vinden om ter bestrijding van dit handelen in strijd met doel en strekking van de Wet maatregelen te treffen. Dat de wetgever zulks niet heeft gedaan kan echter voor de rechter geen grond zijn de keuze van de wetgever om de vrijstelling aan de voet te beperken tot verhuurders van niet meer dan tien woningen terzijde te stellen en de vrijstelling aan de voet uit te breiden tot verhuurders met meer dan tien woningen. De vergelijking die belanghebbenden in dit verband maken met kamerverhuurders die in één woning meer dan tien kamers verhuren, treft geen doel. Kamerverhuurders en belanghebbenden zijn feitelijk noch rechtens als gelijke gevallen aan te merken, reeds omdat de feitelijke en juridische verschillen tussen kamerverhuur en verhuur van woningen daaraan in de weg staan, en voorts omdat belanghebbenden, gelet op de aantallen en de waarden van de door hen geëxploiteerde onroerende zaken zozeer van kamerverhuurders verschillen dat zij niet met hen op één lijn kunnen worden gesteld.

Vergelijking particuliere verhuurders en woningbouwcorporaties

7.4.

Ook in de door belanghebbenden gemaakte vergelijking van particuliere verhuurders en woningbouwcorporaties onderkent het Hof geen op de Wet verhuurderheffing terug te voeren ongelijke behandeling van gelijke gevallen noch een daaraan toe te rekenen onevenredig ongelijke behandeling van ongelijke gevallen. Belanghebbenden hebben niet aannemelijk gemaakt dat de verhuurderheffing op zich leidt tot een onevenredig zware last voor de ene groep in vergelijking met de andere groep. Hetgeen belanghebbenden aanvoeren met betrekking tot de verstrekking van subsidies in de vorm van maatregelen in een energieakkoord, fondsenergiebesparing huursector, goedkopere leningen en maatregelen ter bevordering van de concurrentie aan de kant van woningbouwcorporaties en de bestaande steunregelen, betreft geen omstandigheden die uit de Wet verhuurderheffing voortvloeien of daarmee verband houden.

Art. 1 EP

7.5.

De heffing van belastingen betekent in beginsel een inmenging in het door artikel 1 EP gegarandeerde ongestoorde genot van eigendom. Deze inmenging is ingevolge de slotzin van deze bepaling in het algemeen gerechtvaardigd aangezien daarin uitdrukkelijk is voorzien in een uitzondering om de betaling van belastingen te verzekeren (zie EHRM 29 april 2008, nr. 13378/05, Burden and Burden tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR: 2008:0429JUD001337805, NJ 2008/306, onderdeel 59). Ook indien de inmenging onder de reikwijdte van de zo-even genoemde slotzin valt, moet zij volgens vaste rechtspraak van het EHRM ‘lawful’ zijn, een ‘legitimate aim’ dienen en een ‘fair balance’ tussen de belangen van het betrokken individu en het algemene belang respecteren. Bij de beoordeling van de vraag of aan de laatstgenoemde voorwaarde is voldaan, moet de wetgever op fiscaal gebied een ruime beoordelingsmarge worden gelaten (zie de punten 57 en 61 van het arrest EHRM 14 mei 2013, nr. 66529/11, N.K.M. tegen Hongarije, ECLI:CE:ECHR: 2013:0514JUD006652911, FED 2013/79).

7.6.

Aan de “lawful-eis” is in onderhavig geval voldaan nu de verhuurderheffing een basis heeft in het nationale recht welke voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar is in de uitoefening en vergezeld gaat van procedurele garanties die de betrokkene een redelijke mogelijkheid biedt tot effectieve betwisting van de rechtmatigheid van de inbreuk. Of bij de totstandkoming van de Wet verhuurderheffing al dan niet is voldaan aan de Aanwijzingen voor de regelgeving acht het Hof daarbij niet van belang, reeds omdat deze Aanwijzingen geen rechtsregels bevatten waaraan wetten in formele zin kunnen worden getoetst.

7.7.

Wat betreft de toets van “legitimate aim” stelt het Hof voorop dat het heffen van belastingen in het algemeen belang, zoals in de slotzin van artikel 1 EP ligt besloten, in beginsel voldoet aan het vereiste van een legitiem doel. Ook overigens is er naar het oordeel van het Hof geen grond voor het oordeel dat de verhuurderheffing geen legitiem doel dient. Hierbij neemt het Hof het volgende in aanmerking. In de parlementaire geschiedenis is als primaire doelstelling van de verhuurderheffing het genereren van inkomsten genoemd. De Wet Verhuurderheffing is daarom meegenomen in het Stabiliteitsprogramma dat op 27 april 2012 aan de Tweede Kamer is gezonden met het oog op het terugdringen van het begrotingstekort tot 3% van het bruto binnenlands product. Er is daarbij voor een verhuurderheffing gekozen omdat een belastingheffing op onroerende zaken tot een minder verstorend effect leidt dan bijvoorbeeld een tariefsverhoging in de inkomsten- of vennootschapsbelasting. Verder vormt de verhuurderheffing volgens de wetgever een belangrijk element van een pakket aan maatregelen die zijn gericht op een betere werking van de woningmarkt (zie MvT, Tweede Kamer, vergaderjaar 2012-2013, 33 407, nr. 3, pag. 2). Dat aan de verhuurderheffing primair een budgettair belang ten grondslag ligt, leidt niet tot de conclusie dat de heffing geen legitiem doel in algemeen belang nastreeft (vgl. Hoge Raad 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:124). Niet geoordeeld kan worden dat de keuze van de wetgever voor een verhuurderheffing evident van redelijke grond is ontbloot. Gelet op het vorenoverwogene dient de verhuurderheffing naar ’s Hofs oordeel een “legitimate aim”.

7.8.

Het Hof is voorts van oordeel dat de wetgever met de verhuurderheffing gelet op de hem toekomende ruime beoordelingsmarge, de vereisten van ‘fair balance’ niet heeft geschonden. Dat het aanvankelijk de bedoeling was alleen woningbouwcorporaties in de heffing te betrekken en dat de verhuurderheffing niet vanuit huurverhogingen kan worden opgebracht, zoals belanghebbenden stellen, doet daar niet aan af. Hetgeen belanghebbenden overigens hebben aangevoerd, brengt het Hof evenmin tot een ander oordeel.

Individueel niveau

7.9.

Belanghebbenden hebben ook in hoger beroep onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat in hun individuele geval sprake is van een buitensporige last. De omstandigheid dat, zoals belanghebbenden gemotiveerd hebben gesteld, de heffing niet kan worden betaald uit huurverhogingen is daartoe onvoldoende.

EU-Handvest en vrije kapitaalverkeer

7.10.

Hetgeen belanghebbenden aanvoeren omtrent het EU-Handvest en het vrije kapitaalverkeer als bedoeld in artikel 63 VWEU faalt op de door de rechtbank in overweging 20 van haar uitspraak gebezigde gronden, welke het Hof tot de zijne maakt.

Staatssteun

7.11.

Het Hof verwerpt op dezelfde gronden als de rechtbank in overweging 21 van haar uitspraak het beroep op artikel 107 van het EU-werkingsverdrag met betrekking tot onrechtmatige staatssteun. Het Hof neemt hierbij nog het volgende in aanmerking.

Benadrukt en herhaald zij dat, ook al is sprake van onvolkomen mededinging in de markt van verhuurders, dit niet betekent dat geen nieuwe belastingwetgeving mag worden ingevoerd of reeds vanwege de invoering van die nieuwe wetgeving staatsteun ontstaat.

De Wet verhuurderheffing kent noch naar tekst, bedoeling of gevolg een selectief voordeel toe aan bepaalde ondernemingen of economische activiteiten. Ook betekent het geen vorm van lastenverlichting en pleegt zij geen inbreuk of dreigende inbreuk op de markt. Daarbij geldt dat de door belanghebbenden geconstateerde begunstiging van woningbouwcorporaties (zie 7.4 hiervoor) geen verband houdt met de Wet verhuurderheffing.

7.12.

Op grond van het vorenoverwogene is het hoger beroep ongegrond.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraken van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. S.E. Postema, mr. G.J. van Leijenhorst en mr. J.J.J. Engel , in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De beslissing is op 15 juni 2016 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.