Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:171

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-02-2016
Datum publicatie
03-02-2016
Zaaknummer
22-001756-15
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:2255, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na terugwijzing van de Hoge Raad komt het Haagse hof opnieuw tot een veroordeling van de verdachte voor het lekken van een staatsgeheim.

Het gerechtshof in Den Haag heeft op 3 februari 2016 in hoger beroep een voormalig ambtenaar van de AIVD tot een gevangenisstraf veroordeeld van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk.

Het hof acht bewezen dat de verdachte zich in 2009 met zijn partner schuldig heeft gemaakt aan het doorspelen (lekken) van staatsgeheime informatie naar een journaliste van De Telegraaf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2013/87
NJFS 2016/72
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001756-15

Parketnummer: 15-700461-09

Datum uitspraak: 3 februari 2016

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

na terugwijzing door de Hoge Raad gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage, zitting houdende te Haarlem, van 14 juli 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1961 te [geboorteplaats],

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van het Gerechtshof Den Haag van 7 en 15 juni 2012 en 14, 24, 28 en 31 januari en 7 februari 2013 en -na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden- het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 20 januari 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

In hoger beroep is de verdachte door het Gerechtshof Den Haag bij arrest van 21 februari 2013 ter zake van het onder 1, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is op 3 maart 2013 tegen het arrest cassatie ingesteld. Bij akte d.d. 11 maart 2013 is het cassatieberoep ter zake van het onder 1, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 ten laste gelegde ingetrokken.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 31 maart 2015 het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 21 februari 2013 vernietigd, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, en de zaak teruggewezen naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Omvang van het hoger beroep

Gelet op voormelde procesgang is met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 31 maart 2015 de zaak aan het oordeel van het hof onderworpen voor wat betreft het onder 2 ten laste gelegde.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en ter terechtzitting in hoger beroep op 20 januari 2016 - ten laste gelegd dat:

2.
(dalai lama)

Primair (Artikel 98a jo. 98 lid 1 en 2 Sr.)

dat hij in de periode van 1 maart 2009 tot en met 4 juni 2009, althans van 15 mei 2009 tot en met 4 juni 2009 te Voorburg en/of te Zoetermeer en/of te Amsterdam en/of te Hellevoetsluis en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (een) inlichting(en) waarvan de geheimhouding door het belang van de staat en/of van zijn bondgenoten werd geboden en/of (een) zodanig(e) gegeven(s), opzettelijk openbaar heeft doen maken en/of gemaakt, terwijl hij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) zodanige inlichting(en) en/of (een) zodanig(e) gegeven(s) betrof,

door toen en daar tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen informatie met betrekking tot de beveiliging van de dalai lama in verband met zijn bezoek aan Nederland, te verstrekken en/of ter beschikking te stellen aan [journalist A] en/of

[journalist B], journalist(e)(n) van De Telegraaf en/of De Telegraaf, terwijl hij/zij wist(en) of redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat die [journalist A] en/of [journalist B] en/of De Telegraaf (een) artikel(en) zou(den) gaan publiceren/schrijven in De Telegraaf in verband met deze informatie, althans door toen en daar deze informatie te verstrekken en/of ter beschikking te stellen aan [journalist A] en/of [journalist B], terwijl hij/zij wist(en) of redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat zij / hij journalist(e)(n) van De Telegraaf waren / was, waarna deze informatie, verwerkt in een artikel, op 4 juni 2009 in De Telegraaf is gepubliceerd, terwijl hij, verdachte, op de hoogte was dat zijn mededader, [medeverdachte], werkzaam was bij de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst en uit hoofde van die functie beschikte over die informatie

en/of

dat hij in de periode van 1 maart 2009 tot en met 4 juni 2009, althans van 15 mei 2009 tot en met 4 juni 2009 te Voorburg en/of te Zoetermeer en/of te Amsterdam en/of te Hellevoetsluis en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (een) inlichting(en) die van een verboden plaats afkomstig was / waren en tot de veiligheid van de staat in betrekking stond(en) en/of (een) zodanig(e) gegeven(s), opzettelijk openbaar heeft doen maken / gemaakt, terwijl hij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) zodanige inlichting(en) en/of (een) zodanig(e) gegeven(s) betrof,

door toen en daar tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen informatie met betrekking tot de beveiliging van de dalai lama in verband met zijn bezoek aan Nederland, afkomstig van een plaats die in gebruik was van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, welke plaats als verboden plaats was aangewezen, te verstrekken en/of ter beschikking te stellen aan [journalist A] en/of [journalist B], journalist(e)(n) van De Telegraaf en/of De Telegraaf, terwijl hij/zij wist(en) of redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat die [journalist A] en/of [journalist B] en/of De Telegraaf (een) artikel(en) zou(den) gaan publiceren/schrijven in De Telegraaf in verband met deze informatie, althans door toen en daar deze informatie te verstrekken en/of ter beschikking te stellen aan

[journalist A] en/of [journalist B], terwijl hij/zij wist(en) of redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat zij / hij journalist(e)(n) van De Telegraaf waren / was, waarna deze informatie, verwerkt in een artikel, op 4 juni 2009 in De Telegraaf is gepubliceerd, terwijl hij, verdachte, op de hoogte was dat zijn mededader, [medeverdachte], werkzaam was bij de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst en uit hoofde van die functie beschikte over die informatie

2. Subsidiair (Artikel 98 lid 1 en 2 Sr.)

dat hij in de periode van 1 maart 2009 tot en met 4 juni 2009, althans van 15 mei 2009 tot en met 4 juni 2009 te Voorburg en/of te Zoetermeer en/of te Amsterdam en/of te Hellevoetsluis en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (een) inlichting(en) waarvan de geheimhouding door het belang van de staat en/of van zijn bondgenoten werd geboden en/of (een) zodanig(e) gegeven(s), opzettelijk heeft verstrekt aan en/of ter beschikking heeft gesteld van een tot kennisneming daarvan niet gerechtigd persoon en/of lichaam, terwijl hij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) zodanige inlichting(en) en/of (een) zodanig(e) gegeven(s) betrof,

door toen en daar tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen informatie met betrekking tot de beveiliging van de dalai lama in verband met zijn bezoek aan Nederland, te verstrekken en/of ter beschikking te stellen aan [journalist A] en/of [journalist B], journalist(e)(n) van De Telegraaf en/of De Telegraaf, terwijl hij, verdachte, op de hoogte was dat zijn mededader, [medeverdachte], werkzaam was bij de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst en uit hoofde van die functie beschikte over die informatie

en/of

dat hij in de periode van 1 maart 2009 tot en met 4 juni 2009, althans van 15 mei 2009 tot en met 4 juni 2009 te Voorburg en/of te Zoetermeer en/of te Amsterdam en/of te Hellevoetsluis en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (een) inlichting(en) die van een verboden plaats afkomstig was / waren en tot de veiligheid van de staat in betrekking stond(en) en/of (een) zodanig(e) gegeven(s), opzettelijk heeft verstrekt aan en/of ter beschikking heeft gesteld van een tot kennisneming daarvan niet gerechtigd persoon en/of lichaam, terwijl hij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) zodanige inlichting(en) en/of (een) zodanig(e) gegeven(s) betrof,

door toen en daar tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen informatie met betrekking tot de beveiliging van de dalai lama in verband met zijn bezoek aan Nederland, afkomstig van een plaats die in gebruik was van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, welke plaats als verboden plaats was aangewezen, te verstrekken en/of ter beschikking te stellen aan [journalist A] en/of [journalist B], journalist(e)(n) van De Telegraaf en/of De Telegraaf, terwijl hij, verdachte, op de hoogte was dat zijn mededader, [medeverdachte], werkzaam was bij de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst en uit hoofde van die functie beschikte over die informatie.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

dat hij in de periode van 1 maart 2009 tot en met 4 juni 2009, althans van 15 mei 2009 tot en met 4 juni 2009 te Voorburg en/of te Zoetermeer en/of te Amsterdam en/of te Hellevoetsluis en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (een) inlichting(en) waarvan de geheimhouding door het belang van de staat en/of van zijn bondgenoten werd geboden en/of (een) zodanig(e) gegeven(s), opzettelijk openbaar heeft doen maken en/of gemaakt, terwijl hij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) zodanige inlichting(en) en/of (een) zodanig(e) gegeven(s) betrof,

door toen en daar tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen informatie met betrekking tot de beveiliging van de dalai lama in verband met zijn bezoek aan Nederland, te verstrekken en/of ter beschikking te stellen aan [journalist A] en/of

[journalist B], journalist(e)(n) van De Telegraaf en/of De Telegraaf, terwijl hij/zij wist(en) of redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat die [journalist A] en/of [journalist B] en/of De Telegraaf (een) artikel(en) zou(den) gaan publiceren/schrijven in De Telegraaf in verband met deze informatie, althans door toen en daar deze informatie te verstrekken en/of ter beschikking te stellen aan [journalist A] en/of [journalist B], terwijl hij/zij wist(en) of redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat zij / hij journalist(e)(n) van De Telegraaf waren / was, waarna deze informatie, verwerkt in een artikel, op 4 juni 2009 in De Telegraaf is gepubliceerd, terwijl hij, verdachte, op de hoogte was dat zijn mededader, [medeverdachte], werkzaam was bij de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst en uit hoofde van die functie beschikte over die informatie

en/of

dat hij in de periode van 1 maart 2009 tot en met 4 juni 2009, althans van 15 mei 2009 tot en met 4 juni 2009 te Voorburg en/of te Zoetermeer en/of te Amsterdam en/of te Hellevoetsluis en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (een) inlichting(en) die van een verboden plaats afkomstig was / waren en tot de veiligheid van de staat in betrekking stond(en) en/of (een) zodanig(e) gegeven(s), opzettelijk openbaar heeft doen maken / gemaakt, terwijl hij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) zodanige inlichting(en) en/of (een) zodanig(e) gegeven(s) betrof,

door toen en daar tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen informatie met betrekking tot de beveiliging van de dalai lama in verband met zijn bezoek aan Nederland, afkomstig van een plaats die in gebruik was van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, welke plaats als verboden plaats was aangewezen, te verstrekken en/of ter beschikking te stellen aan [journalist A] en/of [journalist B], journalist(e)(n) van De Telegraaf en/of De Telegraaf, terwijl hij/zij wist(en) of redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat die [journalist A] en/of [journalist B] en/of De Telegraaf (een) artikel(en) zou(den) gaan publiceren/schrijven in De Telegraaf in verband met deze informatie, althans door toen en daar deze informatie te verstrekken en/of ter beschikking te stellen aan

[journalist A] en/of [journalist B], terwijl hij/zij wist(en) of redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat zij / hij journalist(e)(n) van De Telegraaf waren / was, waarna deze informatie, verwerkt in een artikel, op 4 juni 2009 in De Telegraaf is gepubliceerd, terwijl hij, verdachte, op de hoogte was dat zijn mededader, [medeverdachte], werkzaam was bij de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst en uit hoofde van die functie beschikte over die informatie.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte van het onder

primair en subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, nu – kort en zakelijk weergegeven - niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte opzettelijk betrokken is geweest bij het verstrekken van de betreffende informatie aan [journalist A] en hij derhalve niet ter zake van medeplegen van het ten laste gelegde kan worden veroordeeld.

Daartoe is kort en zakelijk weergegeven aangevoerd, dat niet is aangetoond dat de verdachte over de gewraakte informatie beschikte terwijl de informatie uit vele bronnen welke niet zijn onderzocht afkomstig kon zijn en op legio manieren [journalist A] heeft kunnen bereiken. Naar de alternatieve scenario’s is geen onderzoek gedaan.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Met verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, stelt het hof voorop dat de kwalificatie medeplegen slechts dan gerechtvaardigd is als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Dat brengt mee dat indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, op de rechter de taak rust dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van het oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte en diens aanwezigheid op belangrijke momenten. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit, maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit.

Het hof overweegt naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de gebezigde bewijsmiddelen te dien aanzien als volgt.

De verdachte woont ten tijde van het ten laste gelegde samen met zijn partner [medeverdachte] (verder: [medeverdachte]) aan [adres].

Op 12 maart 2009 vindt er een ontmoeting plaats tussen de verdachte en de journaliste [journalist A], die werkzaam is bij het dagblad De Telegraaf.

Op 13 maart 2009 stuurt [journalist A] een e-mailbericht waarin zij aangeeft het met de verdachte te moeten hebben over terreurbestrijding.

Op 14 maart 2009 koopt de verdachte een prepaid simkaart, met welke simkaart hij telefonisch contact opneemt met [journalist A].

De verdachte belt [journalist A] op 15 mei 2009 en stelt een ontmoeting voor op 2 juni 2009. [Journalist A] stemt daarmee in.

[Medeverdachte] werkt bij de AIVD en heeft toegang tot de informatie uit het kort AIVD informatierapport met betrekking tot de dreigingsinschatting over de komst van de Dalai Lama.

[Journalist A] gaat op 2 juni 2009 rond 20.00 uur de woning van de verdachte en [medeverdachte] binnen.

Op 2 juni 2009 vindt er tussen 20.00 uur en 23.00 uur in de woning van de verdachte en [medeverdachte] een ontmoeting met [journalist A] plaats.

Op 3 juni 2009, belt [journalist A] naar haar collega [journalist B] en ze vertelt hem dat zij de avond daarvoor vanuit de Nederlandse autoriteitenhoek is getipt dat er dreigementen zijn opgepikt richting de Dalai Lama en dat diens beveiliging wordt opgeschroefd. Ze stelt voor om hier samen met [journalist B] een stuk over te maken.

Op 4 juni 2009 wordt het betreffende artikel “DALAI LAMA BEDREIGD” - geschreven door [journalist A] en [journalist B] - in het dagblad De Telegraaf geplaatst.

Diezelfde dag belt [medeverdachte] rond 9.05 uur met de verdachte en vraagt hem of hij het telefoontje nog heeft gecheckt omdat zij wil weten of zij een berichtje heeft achtergelaten. De verdachte belt [medeverdachte] vervolgens omstreeks 12.10 uur terug en nadat hij haar meldt dat hij net nog even heeft gecheckt en dat er geen bericht is, vraagt hij [medeverdachte] of zij genoeg weet. [Medeverdachte] zegt vervolgens dat dit haar verbaast. De verdachte zegt dat hij die ochtend er wel iets over heeft meegekregen op de radio. Enige tijd later, rond 15.00 uur wordt de verdachte door [medeverdachte] gebeld. [Medeverdachte] geeft aan dat zij een Telegraaf heeft gekocht en dat daar reden voor was, waarop de verdachte reageert met de opmerking dat hij dat begreep.

Naar het oordeel van het hof is op grond van hetgeen hier voor is overwogen, de conclusie gerechtvaardigd dat [medeverdachte], die zelf spreekt over een afspraak en bezoek op die avond en die over de gewraakte informatie over de Dalai Lama kon beschikken, samen met de verdachte heeft gesproken met [journalist A], bij gelegenheid waarvan aan [journalist A] de gewraakte informatie is gegeven, welke informatie [journalist A] vervolgens in een artikel in het dagblad De Telegraaf openbaar heeft gemaakt.

Het hof neemt daarbij in overweging dat de verdachte de afspraak heeft gemaakt met [journalist A], haar op 2 juni 2009 tijdens het bezoek van [journalist A] aan zijn woning ook heeft gesproken en uit de tussen de verdachte en [medeverdachte] gevoerde telefoongesprekken op 4 juni 2009 en de reactie van de verdachte op de mededeling van [medeverdachte] over het kopen van het dagblad De Telegraaf, leidt het hof af dat de verdachte van het op 2 juni 2009 aan [journalist A] beschikbaar stellen van de gewraakte informatie wist en bovendien wist dat op 4 juni 2009 het artikel met de gewraakte informatie zou verschijnen in het dagblad De Telegraaf.

Het hof neemt hierbij in aanmerking dat naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep geen andere redelijke uitleg van de vastgestelde gang van zaken aannemelijk is geworden. Dat er op 2 juni 2009 in de woning van de verdachte en [medeverdachte] bij bedoelde gelegenheid mogelijk ook is gesproken over het onderzoek naar de grootvader van [medeverdachte] doet hieraan niet af.

De gedragingen van de verdachte zoals hiervoor weergegeven kunnen naar het oordeel van het hof naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zijnde zozeer gericht op het openbaar maken van inlichtingen waarvan de geheimhouding door het belang van de staat en/of zijn bondgenoten werd geboden, dat het niet anders kan zijn dan dat de opzet van de verdachte daarop gericht is geweest.

Daaraan kan niet afdoen hetgeen door de raadsman in dit verband voor het overige naar voren is gebracht.

Dat de bedoelde informatie mogelijk ook op andere manieren [journalist A] kan hebben bereikt, doet aan het de verdachte ten laste gelegde en bewezenverklaarde niet af.

Bovenstaande feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, leiden het hof tot de conclusie dat de verdachte direct betrokken is geweest bij het verschaffen van de gewraakte informatie aan [journalist A] en hij daarmee een zodanige wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het bewezenverklaarde en daarbij zodanig bewust en nauw heeft samengewerkt met anderen, dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte voornoemd feit tezamen en in vereniging met anderen heeft gepleegd.

Het verweer wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 2 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van een inlichting als bedoeld in artikel 98 van het Wetboek van Strafrecht opzettelijk openbaar maken, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het een zodanige inlichting betreft.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren alsmede een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte, die lange tijd bij de AIVD werkzaam is geweest, heeft zich samen met zijn partner, die ten tijde van het bewezen verklaarde feit nog werkzaam was bij de AIVD, om hen moverende redenen schuldig gemaakt aan het openbaar maken van staatsgeheime informatie waarover zijn partner uit hoofde van haar functie beschikte. Zij hebben die informatie doelbewust verstrekt aan een bij dagblad De Telegraaf werkzame journaliste met wie de verdachte contact had, die de informatie vervolgens in een artikel heeft verwerkt dat op 4 juni 2009 in De Telegraaf is gepubliceerd.

Door doelbewust staatsgeheime informatie te lekken naar een journaliste heeft de partner van de verdachte haar ambtsplicht om zaken waarvan zij door haar functie kennis draagt en die haar als geheim zijn toevertrouwd of waarvan zij het vertrouwelijke karakter moet begrijpen niet te openbaren aan onbevoegden, met voeten getreden. Zij heeft daardoor niet alleen het door haar werkgever in haar gestelde vertrouwen ernstig beschaamd, maar ook afbreuk gedaan aan het aanzien en de integriteit van de AIVD. De verdachte, die vanwege het feit dat hij zelf bij de AIVD werkzaam is geweest beter had moeten weten, heeft hier door zijn actieve rol een wezenlijke bijdrage aan geleverd.

Het hof houdt in het voordeel van de verdachte rekening met zijn persoonlijke omstandigheden zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gekomen en het tijdsverloop sinds het bewezenverklaarde feit.

Het hof constateert dat de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Er is immers niet binnen de volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad gehanteerde termijn van 2 jaar, maar na 2 jaar en 7 maanden na het instellen van hoger beroep voor de eerste maal door het Hof arrest gewezen. Voorts zijn de stukken na het instellen van cassatieberoep niet binnen 8 maanden en dus te laat door het hof naar de Hoge Raad gezonden.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde straf heeft de verdachte reeds in voorlopige hechtenis uitgezeten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 98 en 98a van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door I.E. De Vries, mr. M.J.J. van den Honert en mr. T.B. Trotman, in bijzijn van de griffier mr. J. van der Vegte.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 3 februari 2016.