Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:1686

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
14-06-2016
Datum publicatie
14-06-2016
Zaaknummer
2200289215
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening in de Showbizzmoord: de verdachte wordt vrijgesproken

Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte in de herzieningsprocedure op 14 juni 2016 vrijgesproken. De verdachte was in 1984 door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens doodslag op een platenproducer.

De Hoge Raad besliste in 2015 dat de zaak opnieuw onderzocht moest worden, omdat een nieuw gedragsdeskundigenrapport omtrent de persoon van de verdachte twijfel deed rijzen omtrent de geloofwaardigheid van zijn bekennende verklaringen.

Het hof in herziening is van oordeel dat de bekentenissen, mede naar aanleiding van voormeld rapport, niet betrouwbaar zijn en niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Voor het overige is er geen substantieel bewijs dat een direct verband legt tussen de verdachte en het gepleegde misdrijf. Daarom wordt de verdachte vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002892-15

Parketnummer: 13-006299-03

Datum uitspraak: 14 juni 2016

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest in herziening

gewezen na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden, op de voet van artikel 472, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, bij arrest van 26 mei 2015, in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,

gba-adres: [adres].

I.Procesgang

1. Verloop van de procedure

1.1

Procedure voorafgaand aan de herziening

1.1.1

Opsporingsonderzoek

Op 10 november 1981 werd in de keuken van zijn woning te Hilversum het zwaargewonde lichaam van [slachtoffer] aangetroffen. Hij bleek een schotverwonding in zijn hersenen te hebben. Zonder nog bij kennis te zijn geweest, overleed hij drie dagen later in het ziekenhuis aan zijn verwondingen.

Het opsporingsonderzoek in de periode na het misdrijf leverde geen verdachte op. In juni 1982 werd het onderzoek gesloten.

Begin januari 1983 meldde zich een anonieme getuige telefonisch bij de politie. Volgens deze getuige zou [naam verdachte] informatie hebben over de moord op [slachtoffer]. De recherche vermoedde dat de anonieme beller de verdachte zelf was, waarna hij werd uitgenodigd voor een gesprek op het politiebureau op 17 januari 1983.

Nog diezelfde avond verklaarde hij dat hij [slachtoffer] om het leven had gebracht.

De verdachte is daar bijna drie maanden lang bij gebleven. Ook werkte hij mee aan een reconstructie van het misdrijf.

Vanaf 9 maart 1983 tot en met 25 april 1983 is de verdachte ter observatie opgenomen geweest in het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC). Tijdens deze observatieperiode, op 14 april 1983, is de verdachte teruggekomen op die verklaring en bij de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Amsterdam (hierna: rechter-commissaris) heeft hij een anders luidende verklaring afgelegd. De verdachte verklaarde toen dat hij [slachtoffer] niet had gedood en dat hij zijn bekennende verklaring onder dwang had afgelegd.

Sindsdien is hij iedere betrokkenheid blijven ontkennen.

1.1.2

Rechtbank Amsterdam

Aan de verdachte werd primair de moord en subsidiair de doodslag op [slachtoffer] ten laste gelegd. De dagvaarding is als bijlage bij dit arrest gevoegd.

De zaak heeft in eerste aanleg gediend voor de arrondissementsrechtbank te Amsterdam. De eerste zitting vond plaats op 27 april 1983.

Op 16 september 1983 werd een tussenvonnis gewezen en is het opstellen van een psychologische en psychiatrische rapportage omtrent de persoonlijkheid en geestvermogens van de verdachte gelast.

Bij vonnis van 6 februari 1984 heeft de rechtbank – na kennisname van het rapport van het PBC van 10 januari 1984 – overwogen dat het feit de verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend en hem ter zake van doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, met aftrek van voorarrest. Tevens is bevolen dat de verdachte ter beschikking van de regering zou worden gesteld teneinde van harentwege te worden verpleegd.

Namens de verdachte is tegen dit vonnis op 13 februari 1984 hoger beroep ingesteld. Op 17 februari 1984 heeft ook de officier van justitie tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

1.1.3

Gerechtshof Amsterdam

In hoger beroep heeft de zaak voor het gerechtshof te Amsterdam gediend. De eerste zitting vond plaats op 21 mei 1984.

Op 30 mei 1984 werd een tussenarrest gewezen.

Het gerechtshof heeft de verdachte bij arrest van 16 augustus 1984 ter zake van doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, met aftrek van voorarrest. Tevens is bevolen dat de verdachte ter beschikking van de regering zal worden gesteld teneinde van harentwege te worden verpleegd.

Namens de verdachte is tegen dit arrest op 23 augustus 1984 beroep in cassatie ingesteld. Dit cassatieberoep is vervolgens ingetrokken op 24 september 1984.

1.2

De procedure tot herziening

1.2.1

De achtergrond van de herzieningsaanvragen

Op 18 maart 2013 ontving de procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden een brief van het College van procureurs-generaal, die ertoe strekte de strafzaak van de verdachte onder de aandacht te brengen. Naar het oordeel van het College was namelijk sprake van feiten en omstandigheden die twijfels deden rijzen over de juistheid van de veroordeling van de verdachte.

Ook de raadslieden van de verdachte wendden zich tot de procureur-generaal bij de Hoge Raad. Op 19 maart 2013 dienden zij namens de verdachte een verzoekschrift in tot het instellen van een nader onderzoek naar het bestaan van gronden voor herziening van zijn onherroepelijke veroordeling.

1.2.2

De aanvragen tot herziening

Naar aanleiding van deze verzoeken heeft in 2013 en 2014 een nader onderzoek ingevolge artikel 461 van het Wetboek van Strafvordering plaatsgevonden naar het eventuele bestaan van gronden voor herziening. Daartoe is op verzoek van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad een nieuw onderzoekteam geformeerd.

In het kader van dit nadere onderzoek werd nieuw forensisch-technisch onderzoek uitgevoerd, informatie van de Criminele Inlichtingen Eenheid (hierna: CIE) geanalyseerd, naspeuringen gedaan naar ontbrekende onderdelen van het dossier en ontbrekende stukken van overtuiging en verklaringen opgenomen van betrokkenen, getuigen en destijds met het opsporingsonderzoek belaste personen.

Op basis van de resultaten van dit onderzoek hebben zowel de raadslieden van de verdachte als de advocaat-generaal bij de Hoge Raad op 7 juli 2014 respectievelijk op 8 juli 2014 aanvragen ingediend tot herziening van de onherroepelijke veroordeling van de verdachte.

Beide aanvragen tot herziening berusten op de stelling dat sprake is van verschillende gegevens als bedoeld in artikel 457, eerste lid aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering.

1.2.3

Hoge Raad

De Hoge Raad heeft vervolgens op 2 december 2014 een tussenarrest gewezen, omdat naar zijn oordeel nader (gedrags)deskundig onderzoek noodzakelijk was naar de geloofwaardigheid van de destijds door de verdachte afgelegde bekennende verklaringen. Dit onderzoek heeft geresulteerd in een Pro Justitia triple-rapportage omtrent de persoon van de verdachte van 22 april 2015.

Bij arrest van 26 mei 2015 heeft de Hoge Raad de aanvragen tot herziening van de zaak gegrond verklaard en de zaak verwezen naar het gerechtshof Den Haag.

1.3

De procedure in herziening bij het gerechtshof Den Haag

1.3.1

De grondslag voor de herziening en de opdracht aan het gerechtshof Den Haag

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het deskundigenoordeel zoals vervat in voormelde Pro Justitia triple-rapportage een gegeven vormt als bedoeld in artikel 457, eerste lid, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering.

Dat wil zeggen dat sprake is van een zodanig nieuw gegeven, een novum, dat het ernstige vermoeden ontstaat dat, indien dit gegeven destijds bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak tot een andere uitspraak zou hebben geleid.

De Hoge Raad heeft daarbij onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 2008/09, 32 045, nr. 3, pag. 27) aandacht besteed aan hetgeen bij de totstandkoming van het wetsartikel is overwogen met betrekking tot de uitleg van het begrip ‘het ernstige vermoeden’, te weten dat niet reeds bij de vordering tot herziening op voorhand zekerheid bestaat dat de rechter tot een andere beslissing zou zijn gekomen.

De Hoge Raad heeft aanvullend daarop overwogen (in rechtsoverweging 5.5): “Het is derhalve aan de rechter naar wie de zaak wordt verwezen de zaak opnieuw te onderzoeken en vervolgens hetzij de veroordeling te handhaven, hetzij alsnog vrij te spreken”.

1.3.2

Te beoordelen feit

‘De zaak’ in de opdracht van de Hoge Raad wordt gevormd door de bewezenverklaring van de doodslag op [slachtoffer] die het gerechtshof te Amsterdam als volgt heeft geformuleerd:

dat de verdachte:

te Hilversum op 10 november 1981 opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij toen en daar opzettelijk, zich op korte afstand van genoemde [slachtoffer] bevindend, met een geladen vuurwapen, gericht op diens hoofd, een schot op die [slachtoffer] afgevuurd, tengevolge waarvan die [slachtoffer] schotverwonding van de hersenen heeft opgelopen en hij dientengevolge op 13 november 1981 is overleden.

Ter terechtzitting in herziening van 30 mei 2016 is de tenlastelegging op de voet van artikel 313 in verbinding met de artikelen 476, eerste lid, jo. 415 van het Wetboek van Strafvordering gewijzigd. Het hof in herziening heeft daarbij mede acht geslagen op de bepaling van artikel 478, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Dientengevolge staat het hof in herziening de gewijzigde tenlastelegging ter beoordeling voor.

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging in herziening – ten laste gelegd dat:

hij te Hilversum in de periode van 10 november 1981 tot en met 13 november 1981 opzettelijk, al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij op 10 november 1981 te Hilversum opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, in ieder geval opzettelijk, zich op korte afstand van genoemde [slachtoffer] bevindend, met een geladen vuurwapen, gericht op diens hoofd en/of lichaam, een of meer schoten op die [slachtoffer] afgevuurd,

ten gevolge waarvan die [slachtoffer] schotverwondingen van de hersenen heeft opgelopen en hij dientengevolge op 13 november 1981 is overleden.

1.3.3

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in de procedure in herziening van 30 en 31 mei 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Vanaf het begin van de procedure in herziening is de verdachte bijgestaan door mr. Knoops en zijn kantoorgenoten.

1.3.4

De omvang van het onderzoek van het gerechtshof in herziening

Ingevolge het op 1 oktober 2012 in werking getreden artikel 457 van het Wetboek van Strafvordering is het criterium voor herziening – voor zover in de onderhavige zaak van belang – dat sprake is van een zodanig nieuw gegeven (het novum) dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven destijds bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak hetzij tot vrijspraak van de verdachte, hetzij tot ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, hetzij tot toepassing van een minder zware strafbepaling zou hebben geleid. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot vorenbedoelde wetswijziging houdt dienaangaande in: “Voldoende is dat het ‘ernstige vermoeden’ rijst dat de rechter tot een andere beslissing zou zijn gekomen. Zekerheid hoeft daarover dus geenszins te bestaan.” (Kamerstukken II 2008/09, 32 045, nr. 3, pag. 27).

Het dictum van het verwijzende arrest van de Hoge Raad – voor zover hier van belang – luidt dat de zaak op de voet van artikel 472, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering zal worden behandeld en afgedaan. Ingevolge dit tweede lid van voormeld artikel is de onderzoeksopdracht aan het hof niet slechts beperkt tot de mogelijkheid van vrijspraak, doch dient het hof te onderzoeken of de onherroepelijke uitspraak hetzij dient te worden gehandhaafd, hetzij met vernietiging daarvan a) het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren, b) de verdachte vrij te spreken, c) als niet-strafbaar te ontslaan van alle rechtsvervolging, of d) de verdachte opnieuw te veroordelen met toepassing van de minder zware strafbepaling of met oplegging van een lagere straf.

Het feit dat een novum ex artikel 457, eerste lid, sub c, van het Wetboek van Strafvordering de grondslag vormt voor de beslissing van de Hoge Raad tot herziening van de zaak, betekent niet dat daarmee een beperking is opgelegd aan de aard en omvang van het onderzoek door de herzieningsrechter.

De Hoge Raad heeft reeds eerder geoordeeld dat de toetsingsruimte van de feitenrechter in de procedure na herziening niet is beperkt.1

Dat betekent dat onderzoek kan worden ingesteld naar alle feiten en omstandigheden, die van belang zijn voor het oordeel over het ten laste gelegde, een en ander in het licht van het ingevolge artikel 476, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering geldende beslissingsmodel van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering.

Daarnaast geldt dat het onderzoek en de beraadslaging door het hof in herziening niet zijn beperkt tot het onderzoek op de terechtzittingen in herziening, maar tevens geschieden op basis van het onderzoek op de terechtzittingen vóór de herzieningsprocedure, mits daarvan proces-verbaal is opgemaakt.

Het daadwerkelijk uitgevoerde onderzoek omvatte onder meer:

  • -

    de eerste en tweede fase van het opsporingsonderzoek van de politie;

  • -

    de stukken met betrekking tot de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis van de verdachte;

  • -

    de stukken met betrekking tot het gerechtelijk vooronderzoek;

  • -

    het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam;

  • -

    het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van het gerechtshof te Amsterdam;

  • -

    de stukken met betrekking tot het nadere onderzoek ingevolge artikel 461 van het Wetboek van Strafvordering en de procedure tot herziening, en

  • -

    het onderzoek ter terechtzitting in de procedure in herziening van het gerechtshof Den Haag.

1.3.5

De aard van het novum

De aard van het novum als de grond voor herziening in deze zaak betreft een nieuw deskundigenoordeel, namelijk de Pro Justitia rapportage van 22 april 2015 betreffende het triple gedragskundig onderzoek omtrent de persoon van de verdachte, waarin volgens de deskundigen, op grond van verdachtes “verhoogde suggestibiliteit en neiging tot het verdraaien en verfraaien van de waarheid, en het zelfs verzinnen van fantasieverhalen, passend bij de theatrale persoonlijkheidskenmerken”, moet worden aangenomen dat er een verband bestaat tussen de door hen vastgestelde psychopathologie en het afleggen van zijn (klaarblijkelijk voor het bewijs gebezigde) verklaringen.

Bezien in het licht van de klaarblijkelijk gehanteerde bewijsconstructie2, is de Hoge Raad van oordeel dat zodanig ernstige twijfel bestaat omtrent de geloofwaardigheid van de destijds door de verdachte afgelegde bekennende verklaringen, dat het hof – ware het bekend geweest met dit deskundigenoordeel – die (nadien ingetrokken) bekennende verklaringen niet voor het bewijs zou hebben gebezigd en de verdachte zou hebben vrijgesproken van het hem ten laste gelegde.

II.Bewijswaardering

2.1

Inleidende opmerkingen

Een herzieningsproces is naar zijn aard retrospectief. Aan het hof in herziening staan voortgeschreden inzichten ten dienste, die toentertijd niet in die mate beschikbaar waren, waarin dat thans het geval is. Niet alleen zijn in een tijd van ruim dertig jaren nieuwe inzichten naar voren gekomen omtrent de betrouwbaarheid van bekennende verklaringen en de risicofactoren bij bepaalde verhoortechnieken, maar ook heeft de wetenschap op het terrein van het forensisch-technisch onderzoek mogelijkheden doen ontstaan, die destijds simpelweg ontbraken. Zo stond het forensisch DNA-onderzoek in de jaren van het opsporingsonderzoek nog in de kinderschoenen en was de mogelijkheid om historische telecommunicatiegegevens op te vragen anno 1981 non-existent.

Tegen deze achtergrond is het hof van oordeel dat de rechtbank en het gerechtshof destijds behoedzaam te werk zijn gegaan.

Zoals hieronder nader zal worden besproken, had de verdachte – die [slachtoffer] kende en in de buurt van zijn woning woonde en werkte – op 17, 18, 19, 20 en 26 januari 1983 alsmede op 14 februari 1983 gedetailleerde bekennende verklaringen bij de politie afgelegd. Op 21 en 27 januari 1983 bekende hij ten overstaan van de rechter-commissaris. Naar aanleiding van gesprekken met zijn begeleiders in het PBC over onder meer de vraag of de verdachte kan onderscheiden tussen fictie en werkelijkheid, heeft hij ten overstaan van de rechter-commissaris op 14 april 1983 zijn betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer] ontkend en dat is zo gebleven. Kennelijk hebben de rechtbank en het gerechtshof daarin aanleiding gevonden de betrouwbaarheid van de bekennende verklaring van de verdachte (indertijd nog beschouwd als de ‘koningin van het bewijs’3) uitvoerig te toetsen. Aandacht is daarbij besteed aan de vraag of sprake is geweest van ongeoorloofde druk en/of het in de mond leggen van belastende informatie aan de zijde van de politie. De bij de verhoren van de verdachte betrokken verbalisanten zijn, zowel bij de rechtbank als bij het gerechtshof, steeds ter terechtzitting en onder ede omtrent de totstandkomingswijze van de bekennende verklaring als getuige gehoord.

Tevens is nader (potentieel ontlastend) onderzoek gelast naar het alibi van de verdachte en is onderzocht of zijn bekennende verklaringen daadwerkelijk daderwetenschap bevatten.

Aan het hof in herziening ligt thans de taak voor om het verzamelde bewijs te (her)waarderen, waarbij het, naast nieuwe inzichten, ook nieuwe onderzoeksresultaten ten dienste staan.

2.2

De bekennende verklaringen van de verdachte

2.2.1

De verhoorsituatie: verklaringen afgelegd onder druk?

Het standpunt van de verdediging

Kort en zakelijk weergegeven is het standpunt van de verdediging dat de bekennende verklaringen van de verdachte, afgelegd tegenover de politie en de rechter-commissaris, onder (ongeoorloofde) pressie tot stand zijn gekomen.

Daartoe is aangevoerd dat de verdachte langdurig werd verhoord en dat hem rechtsbijstand, psychische hulp en medicatie werd onthouden totdat hij zou bekennen. Tevens werd er geschreeuwd, op tafel geslagen en werden zijn aanvankelijk ontkennende verklaringen niet geloofd. Bovendien werd gedreigd dat hij zijn terminaal zieke moeder niet meer in leven zou terugzien. De verdachte werd verhoord door meer dan vijf rechercheurs.

De verdediging heeft daaraan toegevoegd dat controle op de wijze waarop is verhoord, niet is uit te oefenen, aangezien de verhoren niet verbatim zijn uitgewerkt.

In de visie van de verdediging zijn de bekennende verklaringen van de verdachte vals, althans onvoldoende betrouwbaar, en dienen deze daarom van het bewijs te worden uitgesloten.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaten-generaal hebben als het standpunt van het openbaar ministerie kenbaar gemaakt, dat niet aannemelijk is geworden dat de bekennende verklaringen tot stand zijn gekomen onder invloed van ongeoorloofde pressie door de verhorende verbalisanten.

Van een overtreding van het pressieverbod is niet gebleken.

De verdachte heeft dit standpunt pas ingenomen nadat hij zijn bekennende verklaringen tegenover de politie en de rechter-commissaris had herhaald en had meegewerkt aan de reconstructie en de nadere uitwerking daarvan.

Bovendien hebben de verhorende rechercheurs bij herhaling verklaard dat er geen sprake was van ontoelaatbare druk en heeft ook het nadere onderzoek in 2013 en 2014 geen aanwijzingen opgeleverd voor het tegendeel.

Bij de rechter-commissaris heeft de verdachte geen druk ervaren.

Van belang acht het openbaar ministerie voorts dat de verdachte voorafgaand aan zijn bekennende verklaring aan drie mensen had verteld dat hij het slachtoffer had gedood en had hij aan één van hen gezegd dat hij zou bekennen “omdat hij er gek van werd”. De lengte van de verhoren waren redelijk en er is regelmatig gepauzeerd voor koffie en beraad. De verhorende rechercheurs hebben de verdachte niet continu met zijn vijven verhoord.

Het hof

Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De verdachte is zesmaal door de politie verhoord. Bij het eerste verhoor op 17 januari 1983 werd het verhoorkoppel aanvankelijk gevormd door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. Nadat de verdachte was aangehouden, werd dat koppel bijgestaan door de rechercheurs [verbalisant A] en [verbalisant B] van de politie Amsterdam.

Ook verbalisant [verbalisant 3] werd als verhoorder toegevoegd.

Het is voor het eerst dat de verdachte een bekennende verklaring aflegt, wanneer hij met verbalisant [verbalisant 3] een gesprek onder vier ogen heeft.

Hierna is de verdachte nog kort verhoord door de verbalisanten [verbalisant 3], [verbalisant 1] en [verbalisant 2].

De daaropvolgende verhoren van 18 januari 1983 tot en met 14 februari 1983 zijn alle door het verhoorkoppel [verbalisant 1] en [verbalisant 2] afgenomen.

Op 17 januari 1983 is de verdachte meermalen per dag verhoord en op 18 januari 1983 tweemaal.

Alle overige verhoren vonden plaats met een tussenpoos van minimaal één dag.

Het hof stelt vast dat omtrent de lengte van de verhoren in geen van de processen-verbaal melding is gemaakt.

Op 21 januari 1983 werd de verdachte voor de rechter-commissaris geleid, in aanwezigheid van zijn raadsvrouw mr. A.M. Oosterhuis-Vastmaar.

Bij gelegenheid van dit verhoor voor en door een rechter waarbij zijn raadsvrouw aanwezig was, verklaart de verdachte niet over ongeoorloofde druk door verbalisanten tijdens de verhoren. Wel volhardt hij in zijn bekennende verklaring.

Pas bij gelegenheid van zijn verhoor tegenover de rechter-commissaris op 14 april 1983 verklaart de verdachte, in aanwezigheid van zijn raadsvrouw A.M. Oosterhuis-Vastmaar, dat hij op de dag van zijn aanhouding bij de politie in Hilversum een verklaring had afgelegd onder dwang en dat dit gebeurde door de rechercheurs [verbalisant 3], [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. Ook waren er rechercheurs van de Amsterdamse politie aanwezig.

Volgens de verdachte werd hem door de verhorende rechercheurs gezegd dat hij maar beter kon bekennen, dat hij toch naar de gevangenis ging en dat zij hem iedere dag zouden terughalen. Ook werd hem gezegd dat zij desnoods de hele nacht met het verhoor zouden doorgaan en dat hij er toch niet onderuit zou komen. De verdachte was die dag om 9.30 uur op het politiebureau waarop de verhoren direct zijn begonnen. Om 23.00 uur zou hij hebben bekend, omdat hij rust wilde. Het maakte hem naar eigen zeggen niet meer zoveel uit.

Volgens de verdachte was zijn verhoor bij de politie op de dag van zijn aanhouding ‘buitenmenselijk’ en was bekennen het enige waar het op aan kwam. De verdachte verklaart voorts bij de rechter-commissaris dat hij bang was om weer teruggestuurd te worden naar de politie als hij op zijn verklaring terugkwam.

Vanaf dit laatste verhoor ten overstaan van de rechter-commissaris is de verdachte enige betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer] blijven ontkennen, zowel in zijn nadere verhoren voor de rechter-commissaris, als ter terechtzitting in eerste aanleg, in hoger beroep en in de procedure in herziening.

Over de situationele aspecten tijdens de verhoren zijn door de verbalisanten nadere verklaringen afgelegd en zijn zij in dit verband ter terechtzitting als getuige gehoord.

Verbalisant [verbalisant 1] heeft op 22 april 1983 in zijn proces-verbaal van bevindingen4 verklaard kort gezegd dat zij de verdachte na zijn bekennende verklaring op 17 januari 1983 hadden gevraagd of hij had bekend zodat zij zouden ophouden met vragen te stellen, hetgeen de verdachte echter ontkende. Als reden voor zijn bekennende verklaring gaf de verdachte aan dat hij het feit had gepleegd en daar erg mee zat.

Voorts heeft verbalisant [verbalisant 1] verklaard dat de verdachte die dag niet (continu) van 9.30 uur tot 23.00 uur is verhoord, maar dat de verhoren enkele malen werden onderbroken voor lunch, avondeten en overleg, alsook dat met tussenpozen pas vanaf 10.00 uur werd verhoord.

Daarnaast meldt verbalisant [verbalisant 1] dat de verdachte voorafgaand aan zijn bekennende verklaring had gevraagd wat voor straf hem dit kon opleveren, of hij psychisch behandeld kon worden en welke gevolgen dit voor zijn ouders kon hebben. Na de bekennende verklaring verzocht de verdachte de verbalisanten zijn ouders te informeren, gelet op hun gezondheidstoestand. Verbalisant [verbalisant 1] wijst voorts op het feit dat de verdachte in twee verschillende zaken werd gehoord, en slechts één daarvan bekende; in de andere strafzaak bleef de verdachte consequent ontkennen dat hij daarmee iets te maken had.

Ter terechtzitting in eerste aanleg geeft verbalisant [verbalisant 1] aan dat zij de verdachte op 17 januari 1983 met vijf man hadden verhoord, maar dat niet continu vijf rechercheurs bij het verhoor aanwezig waren. Ook werden tijdens het verhoor regelmatig pauzes ingelast. Verbalisant [verbalisant 1] geeft dan aan dat tegen de verdachte is gezegd dat zij door zouden gaan totdat hij met de waarheid zou komen en dat zijn leugens werden geturfd. Hij verklaart dat geen dreigementen zijn geuit. Er werd geen buitengewone druk op de verdachte uitgeoefend. Over het verzoek om psychische hulp van de verdachte konden de verbalisanten geen toezeggingen doen. Verbalisant [verbalisant 1] verklaart voorts dat zij de verdachte hebben gevraagd of hij bekend had om er maar van af te zijn, waarop hij antwoordde dat dat niet het geval was geweest en dat hij het graag zo gewild had.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 21 mei 1984 blijft verbalisant [verbalisant 1] bij zijn voor de rechtbank op 9 september 1983 afgelegde verklaring.

Ook verbalisant [verbalisant 3] is ter terechtzitting in eerste aanleg van 9 september 1983 gehoord. Omtrent het verhoor van 17 januari 1983 verklaart hij kort gezegd dat de verdachte hen omstreeks 21.30 uur meldde dat hij aan één van hen wilde vertellen wat er gebeurd was en dat de verdachte hem daarvoor uitkoos. Volgens verbalisant [verbalisant 3] is hem toen onmiddellijk gevraagd of hij had bekend om van het verhoor af te zijn, waarop de verdachte zei dat dat niet het geval was, maar dat hij had bekend omdat hij die moord echt had gepleegd. Verbalisant [verbalisant 3] verklaart dat tijdens het verhoor geen dreigementen zijn geuit. Wel werd soms met stemverheffing gesproken. Bij het verhoor waren niet constant vijf rechercheurs aanwezig. Verbalisant [verbalisant 3] verklaart dat voor de bekennende verklaring van de verdachte door hen over psychiatrische hulp is gesproken in die zin dat, indien hij in de gevangenis zou komen, hij zeker hulp zou krijgen. Voorts is gezegd dat zij met het onderzoek door zouden gaan totdat de waarheid boven tafel zou komen en zijn de leugens van verdachte door hen geturfd.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 21 mei 1984 blijft verbalisant [verbalisant 3] bij zijn voor de rechtbank op 9 september 1983 afgelegde verklaring. Hij verklaart dat de verdachte bij de verhoren geen antwoorden in de mond zijn gelegd.

Verbalisant [verbalisant 2] heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 9 september 1983 kort gezegd verklaard dat tijdens het verhoor op 17 januari 1983, zoals bij elk verhoor, psychische druk op de verdachte stond en dat zij hem hadden gezegd dat hij psychiatrische behandeling zou krijgen indien zou blijken dat dit nodig was. Volgens verbalisant [verbalisant 2] werkte de verdachte zelf naar zijn bekennende verklaring toe.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 21 mei 1984 blijft verbalisant [verbalisant 2] bij zijn voor de rechtbank op 9 september 1983 afgelegde verklaring.

In het dossier bevinden zich voorts de in het kader van het nadere onderzoek ex artikel 461 van het Wetboek van Strafvordering afgelegde verklaringen van de destijds bij het verhoor betrokken verbalisanten. Over de wijze waarop de verhoren zijn verlopen is door hen verschillend verklaard: waar echter uitsluitend door verbalisant [verbalisant C] is verklaard over excessieve druk, wordt dit door de andere verbalisanten, onder wie [verbalisant 1] en [verbalisant 2], als gebruikelijke pressie beschreven.

De verdachte heeft ter zake ter terechtzitting van 9 september 1983 verklaard:

“Ik heb op 17 januari 1983 bij de politie de moord op [slachtoffer] bekend, omdat ik onder zware druk kwam te staan. Hun manier van behandelen tijdens dit verhoor kon ik niet meer aan. Op mijn manier heb ik ook verdriet gehad om de dood van [slachtoffer] . Toen ik ’s avonds met [verbalisant 3] alleen was, zei hij tegen mij: “[verdachte], jij hield van [slachtoffer].” Op dat moment stortte ik in elkaar. (…) Hier zeg ik op dat wat in dat proces-verbaal staat, delen zijn uit een emotionele huilpartij. Ik wilde met rust gelaten worden. Op dat moment was er [verbalisant 3] met zijn diep-warme stem.”

Blijkens de aantekeningen van de griffier heeft de verdachte op dit punt ter terechtzitting van het hof op 1 augustus 1984 niet anders verklaard.

Het hof acht naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in herziening op grond van het vorenstaande, in onderlinge samenhang bezien, niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van ongeoorloofde pressie.

2.2.2

De persoon van de verdachte (het novum)

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich – verkort weergegeven – op het standpunt gesteld dat de bekennende verklaringen van de verdachte vals zijn gelet op zijn psychische predisposities en derhalve als onbetrouwbaar terzijde dienen te worden geschoven dan wel uitgesloten dienen te worden van het bewijs. Daartoe is aangevoerd dat op grond van de Pro Justitia rapportage van 22 april 2015 betreffende het triple gedragskundig onderzoek, het deskundigenrapport van dr. Jelicic en de gedragsdeskundige analyse van 22 mei 2014 van drs. Van Neerbos moet worden geconcludeerd dat bij de verdachte destijds sprake was van een grote mate van suggestibiliteit, waardoor – in combinatie met de op hem uitgeoefende druk – een valse bekennende verklaring is ontstaan.

Het standpunt van de advocaten-generaal

De advocaten-generaal hebben als het standpunt van het openbaar ministerie kenbaar gemaakt dat op basis van het dossier en de Pro Justitia rapportage van 22 april 2015 betreffende het triple gedragskundig onderzoek dusdanig getwijfeld kan worden aan de geloofwaardigheid van de destijds door de verdachte afgelegde bekennende verklaringen, dat deze niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

Het hof

Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de bekennende verklaringen gaat het hof uit van de navolgende onderzoeksbevindingen.

Naar aanleiding van de ingediende herzieningsaanvragen heeft de Hoge Raad bij tussenarrest d.d. 2 december 2014 bevolen een nieuw onderzoek in te stellen naar de psychische gesteldheid van de verdachte ten tijde van het misdrijf, het opsporingsonderzoek en de behandeling van de zaak in eerste en tweede aanleg alsook naar de eventuele invloed van zijn psychische gesteldheid op zijn gedragskeuzes bij die gelegenheden. Dit heeft geresulteerd in een Pro Justitia rapportage van 22 april 2015 betreffende het triple gedragskundig onderzoek omtrent de persoon van de verdachte, welk onderzoek werd uitgevoerd door drs. M.R. Weeda, psychiater, drs. B. van Giessen, klinisch psycholoog, en de heer P. van der Meer, milieuonderzoeker.

De deskundigen concluderen dat bij de verdachte ten tijde van het misdrijf, het opsporingsonderzoek en de terechtzittingen bij de rechtbank en het gerechtshof sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een narcistische persoonlijkheidsstoornis met theatrale trekken. Ook was sprake van een ziekelijke stoornis in de vorm van een recidiverende depressieve stoornis, welke depressieve stoornis in hoge mate samenhing met de narcistische persoonlijkheidsstoornis met theatrale trekken. Wanneer en in welke intensiteit deze recidiverende depressieve stoornis zich voordeed, kon niet worden geobjectiveerd. Tot slot was sprake van alcoholafhankelijkheid en misbruik dan wel afhankelijkheid van rustgevende medicatie.

Naar het oordeel van de deskundigen bestaan er aanwijzingen dat de pathologie invloed heeft gehad ten tijde van het eerste politieverhoor op 17 januari 1983. Zo wordt het volgende geconcludeerd: “Het is goed mogelijk dat hij vanuit zijn verhoogde suggestibiliteit en neiging tot het verdraaien en verfraaien van de waarheid, en zelfs het verzinnen van fantasieverhalen, passend bij de theatrale persoonlijkheidskenmerken, heeft kunnen komen tot het afleggen van een valse bekentenis. Betrokkene ervoer hoge emotionele druk, stress en vermoeidheid gedurende de verhoren. Deze factoren hebben de aanwezige pathologie bij betrokkene vermoedelijk verergerd”. Volgens de deskundigen was de invloed van de persoonlijkheidspathologie ook in de periode na de dood van [slachtoffer] duidelijk aanwezig, namelijk toen hij tegenover bekenden aangaf dat hij iets met de dood te maken had. “Hierbij speelde betrokkenes hunkering naar aandacht en bevestiging, alsmede zijn neiging tot het verliezen van grip op zijn eigen fantasieverhalen een rol. Een vergelijkbare invloed van de pathologie op zijn gedragskeuzes en gedragingen vond plaats vanaf het moment dat hij op 17 januari 1983 een naar zijn zeggen valse bekentenis aflegde”, aldus de deskundigen.

In het kader van het onderzoek ten behoeve van de herzieningsaanvraag is omtrent de verdachte tevens een gedragsdeskundige analyse d.d. 22 mei 2014 opgemaakt door drs. T.P.W. van Neerbos. De verdachte wordt daarin getypeerd als een persoon wiens leven indertijd was “doorspekt met fantasieën, hunkering naar aandacht en het zoeken naar bevestiging waarbij hij zijn houding en gedrag desgewenst aan de omstandigheden aanpast en beïnvloedbaar is”.

Voorts is op verzoek van de verdediging een deskundigenrapport d.d. 1 september 2011 uitgebracht door dr. M. Jelicic, rechtspsycholoog en verbonden aan The Maastricht Forensic Institute. Uit dit rapport komt naar voren dat de verdachte op de Gudjonsson Suggestibility Scale (hierna: GSS) een score van 21 haalde, hetgeen bij een gemiddelde score van ongeveer 7 als een zeer hoge score heeft te gelden5. Dr. Jelicic concludeert: “Het is evident dat de heer [verdachte] in januari 1983 een gevoeligheid bezat voor het afleggen van een valse bekentenis. Daarnaast zijn er aanwijzingen dat de verhoren op 17 januari 1983 riskante elementen hadden. Er werd langdurig verhoord en er was mogelijk sprake van grote psychische druk en verhoortrucs. Deze combinatie van factoren zou ervoor kunnen hebben gezorgd dat [verdachte] op 17 januari 1983 over is gegaan tot het afleggen van een valse bekentenis. Het is niet ondenkbaar dat hij deze bekentenis uit angst voor nieuwe, harde verhoren pas na enige tijd heeft durven intrekken”.

Ter terechtzitting in de procedure in herziening is dr. Jelicic als deskundige nader omtrent zijn rapport gehoord. Dr. Jelicic heeft daarbij aangegeven dat suggestibiliteit een persoonlijkheidstrek is, die blijkens onderzoek in ieder geval gedurende een periode van enkele jaren6 een constante eigenschap vormt. De leeftijd van de verdachte (destijds 23 jaar) vormde daarnaast een indicatie voor zijn psychologische en neurobiologische volgroeidheid. Omtrent verdachtes score op de GSS heeft de deskundige toegelicht dat de verdachte daarmee tot minder dan 5% van de Nederlandse bevolking behoort. Het feit dat de verdachte heeft aangegeven fictie niet van realiteit te kunnen onderscheiden, past naar het oordeel van de deskundige bij suggestibiliteit. Voorts vormt het feit dat de verdachte destijds kampte met psychische problematiek, in ieder geval een sterke indicatie voor de valsheid van zijn bekennende verklaring. Uit de literatuur blijkt dat een psychische aandoening een zeer sterke risicofactor vormt voor het afleggen van een valse bekennende verklaring. Personen met een psychische aandoening hebben als zeer kwetsbare verdachten te gelden en zullen veel eerder dan een gemiddeld persoon overgaan tot het afleggen van een valse bekennende verklaring, omdat zij vanwege hun psychische pathologie niet goed tegen pressie bestand zijn, aldus de deskundige. Blijkens het dossier slikte de verdachte antipsychotica, hetgeen in de visie van dr. Jelicic een zware psychische aandoening impliceert. Nu de verdachte ten tijde van de verhoren niet alleen onder invloed van slaapmiddelen en antipsychotica stond, maar ook leed aan een recidiverende depressieve stoornis, zou de verdachte naar de huidige maatstaven worden betiteld als een zogenoemde ‘kwetsbare’ verdachte, aldus dr. Jelicic7.

Het hof slaat voorts acht op het historisch overzicht van medische informatie omtrent de verdachte van de GMD (de Gemeenschappelijke Medische Dienst: thans het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen), zoals samengevat op pagina 13 in voormelde Pro Justitia rapportage d.d. 22 april 2015. Daaruit blijkt dat reeds in 1981 bij de verdachte sprake was van depressies en vanaf 1977 ook van psychische spanningen, die doorliepen naar 1982.

Uit het vorenstaande leidt het hof af dat de verdachte ten tijde van de politieverhoren ten gevolge van zijn thans vastgestelde psychische pathologie als een kwetsbare verdachte had te gelden, die derhalve – volgens de huidige wetenschappelijke inzichten – uit hoofde van zijn psychische predisposities in mindere mate dan een gemiddelde verdachte tegen verhoorpressie bestand was. Daar kwam bij dat de verdachte onder medicatie stond en deze tijdens het verhoor niet kreeg, hetgeen volgens dr. Jelicic eveneens van invloed moet zijn geweest op zijn bekennende verklaring.

In onderlinge samenhang bezien leidt het vorenstaande tot de conclusie dat niet kan worden uitgesloten dat de bekennende verklaringen van de verdachte onder invloed van zijn psychische pathologie tot stand zijn gekomen.

2.2.3

Daderwetenschap: media-analyse

De vraag is of de bekennende verklaringen van de verdachte op enigerlei andere wijze verankering vinden in externe factoren. In dit verband is nader onderzoek gedaan naar het bestaan van daderwetenschap in de bekennende verklaringen: kennis die de verdachte op geen andere wijze dan door zijn eigen daderschap heeft verkregen.8

De details die destijds door de verdachte in zijn bekennende verklaringen waren gegeven, zijn aangemerkt als daderwetenschap.

Om de juistheid van die aanname te toetsen, is een media-analyse gemaakt van krantenartikelen en tijdschriften met informatie over het misdrijf waarover de verdachte voorafgaand aan zijn aanhouding heeft kunnen beschikken. Uit de verklaringen van de verdachte, waarin hij over zijn betrokkenheid heeft verklaard, werden 16 clusters van mogelijke daderkennis geabstraheerd.

Uit de analyse blijkt dat de verdachte nagenoeg alle wetenschap over de dood van het slachtoffer uit de media kon hebben gehaald, op twee clusters na. Deze clusters betreffen de wijze waarop het eerste schot was uitgevoerd en de woninginrichting van het slachtoffer. De in die clusters vervatte informatie bleek niet te herleiden zijn tot de elf onderzochte publicaties in de media.

De verdachte heeft over de wijze waarop het eerste schot was uitgevoerd, verklaard – kort en zakelijk weergegeven – dat hij zijn ogen dicht had toen hij voor het eerst schoot en niet zag waar hij het slachtoffer raakte. Hij heeft evenmin verklaard over de locatie van de inschotverwonding, die hij waargenomen zou kunnen hebben toen hij het slachtoffer op de grond zag liggen.

Alhoewel dit in de stukken is aangemerkt als daderwetenschap, ziet het hof daarvoor thans onvoldoende grond. Niet kan immers worden vastgesteld of het gestelde juist dan wel onjuist was.

Ook de door de verdachte gegeven informatie over de woninginrichting acht het hof onvoldoende om als daderkennis aan te merken. De verdachte heeft namelijk – kort en zakelijk weergegeven – verklaard dat hij voor de dood van het slachtoffer een keer bij hem thuis was geweest, zodat hij naar het oordeel van het hof op de hoogte kan zijn geweest van het interieur.

Daar komt bij, dat – zoals ook blijkt uit de media-analyse – niet valt uit te sluiten dat er meer mediaberichten waren gepubliceerd dan de elf onderzochte publicaties.

Evenmin kan worden uitgesloten dat de verhorende rechercheurs toch informatie hebben aangereikt, die de verdachte vervolgens in zijn verklaringen heeft verwerkt.

Anders dan eerder is aangenomen, is het hof van oordeel dat er niet van kan worden uitgegaan dat de verdachte beschikte over daderkennis toen hij de voor zichzelf belastende verklaring aflegde.

2.3

Getuigenverklaringen

De verklaringen van drie verschillende getuigen houden in dat de verdachte hen enige tijd na het misdrijf had verteld dat hij degene is geweest, die het slachtoffer had gedood.

Het hof overweegt hieromtrent het navolgende.

Naar het oordeel van het hof ontbreken in het dossier, dat thans voorligt, getuigenverklaringen die voldoende steun bieden aan de eerder door de verdachte afgelegde verklaringen, waarin hij betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer] heeft erkend, om mede op basis daarvan tot een bewezenverklaring te komen.

De in het dossier opgenomen verklaringen van getuigen, die kort gezegd hebben verklaard dat zij van de verdachte zelf hebben gehoord, dat hij bij de dood van [slachtoffer] betrokken is geweest, zijn daarvoor onvoldoende, aangezien deze verklaringen in essentie uitsluitend afkomstig zijn uit één bron, te weten verdachte zelf.

2.4

Forensisch-technisch bewijs

Het forensisch-technisch onderzoek van 1981-1983 heeft geen bewijs opgeleverd dat direct of indirect tot de conclusie heeft geleid dat de verdachte bij de dood van het slachtoffer betrokken was.

In 2013 en 2014 is in het kader van het nadere onderzoek ingevolge artikel 461 van het Wetboek van Strafvordering aanvullend forensisch-technisch onderzoek verricht. Ondanks het feit dat veel sporenmateriaal ontbrak en kennelijk was vernietigd, heeft nader onderzoek kunnen plaatsvinden naar de destijds veiliggestelde dactyloscopische sporen, DNA- en haarsporen, de gestolde bloeddruppel op de keukenlade, de twee afgevuurde kogels, alsmede naar beeld- en geluidsmateriaal van de plaats-delict, opnames van telefoongesprekken en de begrafenis van het slachtoffer. Ook werd een reconstructie gemaakt van de verdampingstijd van het koffiezetapparaat en werd een zichtcheque van de Postcheque- en Girodienst, volgens de verdachte op de dag van het misdrijf aan hem afgegeven door het GAK-kantoor, aan nader onderzoek onderworpen.

Ook dit nadere onderzoek heeft niet geresulteerd in het discrimineren van sporen die op daderschap van de verdachte wijzen.

Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat, nu (ook) de resultaten van het recentere in het kader van de herziening verrichte nader forensisch-technische onderzoek geen aanwijzingen hebben opgeleverd voor de betrokkenheid van de verdachte bij het misdrijf, aan de afwezigheid van het forensisch daderschapsbewijs noch in belastende, noch in ontlastende zin gewicht kan worden toegekend.

2.5

Conclusie

Nu op grond van de hiervoor onder 2.2.2 vastgestelde omstandigheden aanwijzingen bestaan voor twijfel aan de betrouwbaarheid van de bekennende verklaringen van de verdachte, acht het hof deze verklaringen, bezien in samenhang met het ontbreken van steunbewijs, onvoldoende betrouwbaar om voor het bewijs te bezigen.

III.Alternatief scenario

3.1

Alternatief scenario

Door de verdediging is bovendien betoogd dat er een aannemelijk alternatief scenario is, dat aan een bewezenverklaring van het ten laste gelegde in de weg staat. Dit alternatieve scenario heeft tevens aan de basis gestaan van de herzieningsaanvraag van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad en is voor het openbaar ministerie mede grond geweest voor de vordering tot vrijspraak.

In 2002 en 2003 is informatie bij de CIE binnengekomen inhoudende dat anderen dan de verdachte betrokken zijn bij de doodslag op [slachtoffer]. Het hiernaar ingestelde onderzoek heeft geleid tot een rapport van de politie Gooi en Vechtstreek van 25 juni 2004, dat onder meer concludeert:

  • -

    [slachtoffer] is zeer waarschijnlijk in Hilversum neergeschoten tussen 8.15 uur en 9.00 uur. Vaststaat dat de verdachte om 8.30 uur op zijn werk te Laren was.

  • -

    het is niet aannemelijk dat de verdachte met een vuurwapen op [slachtoffer] geschoten heeft, aangezien er grote tegenstrijdigheden zijn wat betreft de gedemonstreerde handelingen en de verklaarde afstanden tijdens de reconstructie en de door de verdachte afgelegde verklaringen, bezien tegen de achtergronden van het forensisch onderzoek.

Naar aanleiding van nader onderzoek door het Team Criminele Inlichtingen (voorheen de CIE) is in 2014 opnieuw dergelijke informatie ontvangen. Het onderzoeksteam heeft in het kader van de herzieningsaanvraag alle gegevens onderzocht en is opnieuw tot de conclusie gekomen dat het niet aannemelijk is dat de verdachte [slachtoffer] heeft doodgeschoten. Voorts heeft het onderzoeksteam een alternatief scenario opgesteld en geconcludeerd dat zeer aannemelijk is dat anderen op 10 november 1981 tussen 8.15 uur en 9.00 uur [slachtoffer] hebben omgebracht.

3.2

Conclusie

Op grond van de recentste onderzoeken is een scenario waarin een of meer anderen betrokken zijn bij het neerschieten van [slachtoffer] (veel) aannemelijker dan een scenario waarin de verdachte [slachtoffer] heeft gedood.

IV. De vordering van de advocaten-generaal

Ter terechtzitting in herziening van 30 mei 2016 hebben de advocaten-generaal gevorderd dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde.

V. Het oordeel van het hof

Het hof acht, evenals de verdediging en het openbaar ministerie, niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd. Mitsdien wordt de verdachte vrijgesproken van het hem ten laste gelegde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt de eerdere beslissingen zoals vervat in het arrest van het gerechtshof te Amsterdam d.d. 16 augustus 1984 en doet opnieuw recht;

verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door mr. Th.W.H.E. Schmitz, mr. I.E. de Vries en mr. D.M. Thierry, in bijzijn van de griffier mr. N.R. Achterberg.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 14 juni 2016.

1 Hoge Raad 22 februari 2005, ECLI:NL:HR:AR5714 (cassatieprocedure na de herzieningsbeslissing in de zogenaamde Deventer Moordzaak).

2 De bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring van het gerechtshof Amsterdam steunt, zijn niet uitgewerkt doordat het cassatieberoep werd ingetrokken. Op grond van het procesdossier en gelet op de door de rechtbank Amsterdam gehanteerde bewijsconstructie wordt evenwel aangenomen dat de bewezenverklaring uitsluitend is gestoeld op bewijsmateriaal dat middellijk of onmiddellijk terug te voeren is op de verklaringen en uitlatingen van de verdachte zelf, nu ander bewijsmateriaal voor het daderschap van de verdachte in het dossier destijds geheel ontbrak.

3 Kamerstukken II 2008/09, 32 045, nr. 3, pag. 7.

4 Proces-verbaal van bevindingen van de gemeentepolitie Hilversum, afdeling recherche, Pro Justitia, nr. 258-W, d.d. 22 april 1983 (pag. 755-757 pv politie deel 2/2).

5 Op de Gudjonsson Compliance Scale (GCS) – welke test beoogt te meten in hoeverre een persoon meegaand is in het aannemen van onjuiste informatie – haalde de verdachte een score van 10, hetgeen als een gemiddelde score heeft te gelden.

6 De deskundige heeft daarbij verklaard dat niet is onderzocht of dit ook geldt voor een periode van ruim 30 jaren. In de psychologie wordt evenwel aangenomen dat bepaalde persoonlijkheidstrekken over de jaren heen grosso modo constant blijven.

7 De valse bekennende verklaring inzake de Schiedammer Parkmoord is aanleiding geweest om het politieverhoor van bepaalde typen verdachten (zogenoemde ‘kwetsbare’ verdachten: minderjarigen, personen met een verstandelijke beperking en met een cognitieve functiestoornis) met enkele extra waarborgen te omkleden. Zo bestaat ingevolge de Aanwijzing rechtsbijstand van het openbaar ministerie – als uitvloeisel van de nog niet geïmplementeerde EU-richtlijn rechtsbijstand – de verplichting om een dergelijk verhoor audiovisueel te registeren, onder meer teneinde objectief te kunnen vaststellen op welke wijze en onder welke omstandigheden een verklaring tot stand is gekomen.

8 In de literatuur wordt onderscheid gemaakt tussen ‘harde’ en ‘zachte’ daderwetenschap. Van harde daderwetenschap is bijvoorbeeld sprake wanneer uitsluitend op aanwijzingen van de verdachte het corpus delictum wordt gevonden. Van zachte wetenschap is sprake indien de verdachte informatie meldt die overeenkomt met hetgeen reeds eerder was vastgesteld. Zachte daderschap kan slechts worden vastgesteld, indien aannemelijk is dat de verdachte die kennis niet op andere wijze heeft verkregen dan uit hoofde van zijn daderschap.