Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:166

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
01-02-2016
Datum publicatie
02-02-2016
Zaaknummer
22-002513-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte maakt zich schuldig om als vreemdeling in Nederland te verblijven, terwijl hij weet, dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Het hof bepaalt dat ter zake van het bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rolnummer 22-002513-15

parketnummer 09-818297-15

datum uitspraak 1 februari 2016

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 3 juni 2015 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortejaar] 1980,

thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 18 januari 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete van € 500,00, subsidiair tien dagen hechtenis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 24 mei 2015 te Leiden, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard OF terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 24 mei 2015 te Leiden, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard OF terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw betoogd dat de verdachte van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, nu de beschikking van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie d.d. 25 juni 2014, houdende de intrekking van de verblijfsvergunning van de verdachte en het inreisverbod, in de visie van de verdediging onrechtmatig is. Voor wat betreft de onderbouwing van het betoog verwijst het hof kortheidshalve naar hetgeen daaromtrent in de aan het proces-verbaal gehechte pleitaantekeningen is verwoord.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Waar de verdediging aanvoert dat in de beschikking onvoldoende is gemotiveerd dat en waarom de gedragingen van de verdachte een gevaar voor de openbare orde vormen, kan het hof de verdediging daarin niet volgen, nu hierop in de beschikking uitvoerig is ingegaan en daarin ook hetgeen de verdachte daarover kennelijk tot zijn verdediging had aangevoerd is betrokken. Het hof stelt voorts aan de hand van de inhoud van genoemde beschikking vast dat voor de daarin opgenomen beslissing niet uitsluitend de uit de Justitiële Documentatie blijkende gedragingen van de verdachte in aanmerking zijn genomen, maar dat – anders dan de verdediging betoogt – ook de verblijfsduur en het familie- en gezinsleven van de verdachte als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden in Nederland in de afwegingen zijn betrokken.

Het hof vermag derhalve niet in te zien dat de beschikking onrechtmatig is en verwerpt het verweer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet, dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met aftrek van voorarrest.

Geen straf of maatregel

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de verdachte geen straf of maatregel dient te worden opgelegd, nu in de visie van de verdediging nog niet alle stappen van de Terugkeerrichtlijn zijn doorlopen.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt op grond van de zich in het dossier bevindende stukken, alsmede het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, het volgende vast.

De verdachte is vanaf 1 december 1993 in het bezit van een verblijfsvergunning. Volgens de stukken in het dossier verblijft hij naar eigen zeggen al sinds 1983 in Nederland.

Bij beschikking d.d. 25 juni 2014 is de verblijfsvergunning van de verdachte ingetrokken met ingang van 18 augustus 2012 en is aan hem een inreisverbod voor de duur van tien jaren opgelegd. De beschikking is op 10 juli 2014 aan de verdachte in persoon uitgereikt.

Op 16 december 2014 is de verdachte in vreemdelingenbewaring gesteld. In verband met de omstandigheid dat de Raad van State op 1 april 2015 heeft beslist dat op dat moment geen zicht op (gedwongen) uitzetting naar Marokko bestond, omdat Marokko vanaf oktober 2014 wegens diplomatieke problemen met Nederland geen “laissez passers” verstrekte, is de vreemdelingenbewaring van de verdachte met ingang van 2 april 2015 opgeheven.

Vanaf 6 mei 2015 zou Marokko weer “laissez passers” gaan verstrekken. Op 5 juni 2015 is de verdachte wederom in vreemdelingenbewaring gesteld. In verband met een belangenafweging is deze op 19 november 2015 opgeheven.

Op 28 oktober 2015 is de verdachte gepresenteerd bij de Marokkaanse autoriteiten ter ondersteuning van het verkrijgen van een reisdocument of een laissez-passer. Op de aanvraag van een laissez-passer is thans nog niet beslist.

Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden concludeert het hof dat de verdachte in elk geval al 22 jaar, mogelijk al 32 jaar in Nederland verblijft. Sinds de verblijfsvergunning bij beschikking d.d. 25 juni 2014 is ingetrokken, heeft de verdachte in totaal vijf en een halve maand in vreemdelingenbewaring gezeten. De reden dat de vreemdelingenbewaring met ingang van 19 november 2015 is opgeheven is gelegen in een belangenafweging. Op de aanvraag van een voor een (gedwongen) uitzetting benodigde laissez-passer is thans nog niet beslist.

Uit een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 23 december 2015 blijkt dat de verdachte niet eerder wegens het overtreden van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht is veroordeeld.

Nog afgezien van de vraag of alle stappen van de Terugkeerrichtlijn zijn doorlopen, ziet het hof in hetgeen het hof hierboven heeft geconcludeerd omtrent de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding te bepalen dat aan de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Daarbij komt dat het hof een eventuele gedwongen uitzetting als uitvloeisel van een mogelijk aan de verdachte af te geven laissez passer niet wenst te frustreren door een aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt dat ter zake van het bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit arrest is gewezen door mr. Chr.A. Baardman,

mr. H.M.A. de Groot en mr. B.P. de Boer, in bijzijn van de griffier mr. G. Schmidt-Fries.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 1 februari 2016.

Mr. B.P. de Boer is buiten staat dit arrest te ondertekenen.