Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:1641

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-06-2016
Datum publicatie
08-06-2016
Zaaknummer
22004859-14
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:894, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof veroordeelt verdachte tot 5 jaren en 6 maanden gevangenisstraf voor diefstal met grof geweld, in vereniging gepleegd in de woning van het slachtoffer. Hof verwerpt het door de verdachte opgeworpen alternatieve scenario.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004859-14

Parketnummers: 09-842345-14 en 22-001616-11 (TUL)

Datum uitspraak: 8 juni 2016

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 31 oktober 2014 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

thans gedetineerd in de PI Alphen aan den Rijn, locatie Maatschapslaan.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 10 juni 2015, 26 augustus 2015, 14 oktober 2015, 18 november 2015, 14 december 2015, 6 januari 2016, 25 januari 2016, 8 februari 2016, 9 februari 2016, 18 april 2016 en 25 mei 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 23 juni 2014 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen zes, althans een (aantal) gouden armband(en) en/of vijf, althans een (aantal) gouden ring(en) en/of een horloge en/of twee, althans een gouden oorbel(len) en/of een laptop en/of een telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het het stompen en/of slaan en/of schoppen tegen het hoofd en/of in/tegen de buik en/of tegen de rug, althans tegen het lichaam van die [slachtoffer] terwijl dit geweld zwaar lichamelijk letsel tot gevolge heeft (te weten een gescheurde alvleesklier en/of verwondingen aan haar lever en/of een nier-contusie en/of een ontwrichte kaak)

Subsidiair:


hij op of omstreeks 23 juni 2014 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een gescheurde alvleesklier en/of verwondingen aan de lever en/of een ontwrichte kaak en/of een nier-contusie), heeft toegebracht, door deze opzettelijk

- tegen het hoofd te stompen en/of te slaan en/of te schoppen en/of

- tegen de buik en/of de rug te stompen en/of te slaan en/of te schopppen, althans tegen het lichaam te stompen en/of te slaan en/of te schoppen.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren. Voorts is in eerste aanleg een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Daarnaast is de tenuitvoerlegging gelast van de onder rolnummer 22-001616-11 voorwaardelijk opgelegde straf.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De verdediging heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging moet worden verklaard omdat er, gelet op de gang van zaken bij het contact tussen de verdachte en de raadsman in de PI te Zoetermeer op 1 oktober 2015, sprake is geweest van een doelbewuste schending van artikel 8 EVRM en ook van artikel 359a Sv doordat het gesprek tussen de verdachte en zijn raadsman is opgenomen, en omdat er geen enkel serieus onderzoek naar de gang van zaken is gedaan. De verdachte is hierdoor in zijn belang geschaad, terwijl er ook sprake is van schending van een fundamenteel rechtsbeginsel en van stelselmatigheid. Kortheidshalve verwijst het hof voor de nadere onderbouwing van het standpunt van de verdediging naar de door de raadsman overgelegde pleitnota en de hierop gegeven aanvullingen.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt voorop dat het vrije verkeer tussen de verdachte en zijn raadsman te allen tijde en onder alle omstandigheden gewaarborgd moet zijn. Schending van dit principe is een ernstig verzuim. Slechts in zeer bijzondere, hier niet aan de orde zijnde, omstandigheden kan van dit principe worden afgeweken.

Het hof volgt niet het standpunt van de advocaat-generaal dat in het onderhavige geval geen sprake kan zijn van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv omdat het onderzoek ter terechtzitting bij de rechtbank al achter de rug was en het onderzoek ter terechtzitting bij het hof reeds was aangevangen. In de onderhavige zaak is door het hof bepaald dat een verhoor van de verdachte niet door de raadsheer-commissaris maar door de politie zou plaatsvinden, terwijl het openbaar ministerie ook aangeefster nader heeft laten horen door de politie. Deze fase moet naar het oordeel van het hof voor de toepassing van artikel 359a Sv materieel gezien worden als (aanvullend) voorbereidend onderzoek, zodat eventuele vormverzuimen onder het bereik van deze bepaling vallen.

Met betrekking tot de vraag of het gesprek tussen de verdachte en zijn raadsman op 1 oktober 2015 in de PI te Zoetermeer is opgenomen, bevat het dossier de volgende informatie:

a. De door de raadsman in het schorsingsverzoek d.d. 8 oktober 2015 geschetste gang van zaken op 1 oktober 2015.

b. De email-wisseling tussen de raadsman en [getuige 1] (plv. vestigingsdirecteur van de PI te Zoetermeer) d.d. 17 oktober 2015 en 19 oktober 2015 (gevoegd bij het verzoek van de raadsman d.d. 9 november 2015 aan de advocaat-generaal om getuigen ter terechtzitting op te roepen).

c. Het verhoor van [getuige 2] (gevangenbewaarder in de PI te Zoetermeer) ter terechtzitting van het hof d.d. 18 november 2015.

d. Het verhoor van [getuige 1] voornoemd ter terechtzitting van het hof d.d. 18 november 2015.

e. De waarnemingen van het hof bij gelegenheid van de schouw in de PI te Zoetermeer d.d. 14 december 2015.

f. Het verhoor van [getuige 3] (teamleider beveiliging in de PI te Zoetermeer) d.d. 14 december 2015.

g. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 december 2015 aangaande dit onderwerp.

h. De door de raadsman op 1 oktober 2015 en 14 december 2015 met zijn laptop gemaakte foto’s van de opnameapparatuur (per email toegezonden aan het hof).

De raadsman concludeert op grond van de in de hiervoor genoemde stukken weergegeven bevindingen dat vaststaat dat tijdens het gesprek tussen de raadsman en de verdachte op 1 oktober 2015 de opnameapparatuur in de betreffende spreekkamer aan heeft gestaan en dat er opnames zijn gemaakt die enige tijd bewaard zijn, dat de apparatuur welbewust is ingeschakeld en kort na het gesprek tussen de raadsman en de verdachte weer is uitgeschakeld.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de opnameapparatuur tijdens het bedoelde gesprek aan heeft gestaan. Voorts heeft zij geconcludeerd dat geen informatie uit dat gesprek is doorgegeven aan justitie of politie en vervolgens in het onderzoek tegen de verdachte is gebruikt.

Het hof stelt vast dat, ter onderbouwing van de stelling dat het bewuste gesprek is opgenomen, de raadsman een door hem op 1 oktober 2015 gemaakte foto heeft overgelegd waarop volgens hem te zien is dat het groene lampje in de opnamebol brandt. Bij gelegenheid van de schouw op

14 december 2015 heeft de raadsman in aanwezigheid van het hof opnieuw een foto gemaakt. Ook deze is overgelegd. Op het moment van het maken van deze laatste foto, zo heeft het hof vastgesteld, brandde in de opnamebol zowel het groene als het rode lampje. Op deze laatste foto is het rode lampje goed te zien, het groene lampje is minder goed te zien. Op de eerste foto, door de raadsman gemaakt op 1 oktober 2015, is een lichtpuntje te zien, namelijk op de plek waar het groene lampje zich bevindt. Het (veel beter zichtbare) rode lampje is op deze eerste foto echter niet te zien, waaruit het hof de conclusie trekt dat dat lampje op het moment van het maken van de eerste foto niet heeft gebrand (anders zou het op de foto te zien zijn geweest). Het hof heeft tijdens de schouw waargenomen dat het rode lampje bij het ingeschakeld zijn van de opnameapparatuur niet permanent brandt, maar dat het branden steeds na verloop van enige tijd (meerdere seconden) in een flits (van een fractie van een seconde) wordt onderbroken. Bij het aan staan van de apparatuur zou de eerste foto dus gemaakt moeten zijn juist op het moment van zo’n flits, hetgeen, hoewel niet absoluut uit te sluiten, toch wel toevallig te noemen is. Een en ander betekent naar het oordeel van het hof dat de door de raadsman op 1 oktober 2015 gemaakte foto niet dwingend leidt tot de conclusie dat de opnameapparatuur aan heeft gestaan.

Voor de stelling dat de apparatuur heeft aan gestaan is steun te vinden in de verklaring van de bewaarder [getuige 2], die heeft verklaard dat hij buiten de spreekkamer het groene lampje heeft zien branden, welk lampje, zo leidt het hof af uit de verklaring van [getuige 3], aanduidt dat de opnameapparatuur aan staat.

Daartegenover staat de verklaring van [getuige 3]. Deze was op 1 oktober 2015 de dienstdoend teamleider op de plek waar de betreffende spreekkamer zich bevindt en als enige bevoegd om de opnameapparatuur te bedienen met behulp van een in een kluis opgeborgen sleutel. Hij heeft verklaard de apparatuur op de bewuste dag niet te hebben aangezet en dat zijn collega-teamleiders desgevraagd hebben gezegd dat op die dag ook niet te hebben gedaan. Hij is na ongeveer 5 kwartier wel in de spreekkamer geweest en toen was de opnameapparatuur uit. Het beeldscherm in de technisch ruimte, elders in het gebouw, gaf toen ook “disconnected” aan.

Hij heeft ook, door de raadsman niet weersproken, gesteld dat hij in het telefonisch contact met de bewaarder [getuige 2] (die hem had gebeld omdat de raadsman zich beklaagd had over het aan staan van opnameapparatuur) uitdrukkelijk heeft aangeboden om ter plaatse te komen. Dat was volgens de raadsman echter niet nodig.

Dit laatste begrijpt het hof niet. Het had, gelet op de ernst van de inhoud van het beklag dat de raadsman had gedaan en het gegeven dat de raadsman zich al eerder had beklaagd over zijn al dan niet vrije contact met de verdachte in de spreekkamers van de PI te Zoetermeer, juist voor de hand gelegen om de dienstdoende en verantwoordelijke teamleider ter plaatse te laten komen om te beoordelen en vast te stellen wat er precies aan de hand was. De thans bestaande onduidelijkheid als gevolg van tegenstrijdige mededelingen had daardoor mogelijk voorkomen kunnen worden.

Het hof concludeert op grond van het bovenstaande dat er wel aanwijzingen zijn dat de opnameapparatuur heeft aan gestaan, maar dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat deze ook daadwerkelijk aan stond en dat er met behulp van die apparatuur opnames zijn gemaakt die enige tijd bewaard zijn gebleven.

Het hof overweegt voorts dat, als het zo zou zijn (hetgeen het hof zoals hiervoor overwogen niet met zekerheid kan vaststellen) dat de opnameapparatuur op 1 oktober 2015 heeft aan gestaan en tevens dat opnames gemaakt zijn die enige tijd opgeslagen zijn geweest, zich vervolgens de vragen voordoen in wiens opdracht dat is gebeurd, of iemand (en zo ja wie) kennis heeft genomen van de opnames, en tenslotte of deze kennis aan ambtenaren van politie of openbaar ministerie is verstrekt en op enigerlei wijze in de zaak tegen de verdachte is gebruikt.

Dat voor het opnemen van het gesprek door politie of openbaar ministerie opdracht is gegeven, kan niet worden vastgesteld. Het hof ziet ook niet welk belang politie of openbaar ministerie daarbij gehad zouden kunnen hebben, nu ter afronding van het onderzoek nog slechts een politieverhoor van de verdachte zou moeten plaatsvinden en informatie uit de bespreking tussen de raadsman en de verdachte voorafgaande aan dat verhoor nimmer op enigerlei wijze in het onderzoek zou kunnen worden gebruikt.

De hiervoor genoemde gegevens, en met name de verklaring van [getuige 3] en het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 december 2015, geven geen enkel aanknopingspunt voor de stelling dat iemand het gesprek tussen de raadsman en de verdachte “live” heeft gevolgd of de eventuele opnames ervan achteraf heeft bekeken, noch dat informatie uit die opnames op enige wijze aan politie of openbaar ministerie ter beschikking is gesteld en door deze zijn gebruikt. Dit betekent dat, als zou moeten worden uitgegaan van een onherstelbaar vormverzuim doordat de opnameapparatuur heeft aan gestaan en tevens dat daar opnames mee zijn gemaakt, niet gebleken is van enig concreet nadeel of enige concrete schade voor de verdachte. Om die reden moet dan aan dat eventuele verzuim niet het gevolg van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie of strafvermindering worden verbonden.

Tenslotte overweegt het hof dat ook los van artikel 359a Sv schending van belangrijke regels, zoals in verdragen neergelegde waarborgen als artikel 6 of 8 EVRM, aanleiding kunnen zijn om het openbaar ministerie niet ontvankelijk in de vervolging te achten, maar aan een dergelijke conclusie komt het hof op grond van hetgeen hiervoor met betrekking tot het gebeuren op 1 oktober 2015 is overwogen, waarbij niet met zekerheid vastgesteld kan worden dat er sprake is geweest van een inbreuk op het vrije verkeer tussen de verdachte en zijn raadsman, niet toe.

De conclusie is dat het verweer wordt verworpen.

Het bovenstaande, en met name de omstandigheid dat het eventuele opnemen van het gesprek tussen de raadsman en de verdachte niet heeft geleid en naar moet worden aangenomen ook niet heeft kunnen leiden tot enig nadeel voor de verdachte, brengt naar het oordeel van het hof mee, dat er geen noodzaak is voor nader onderzoek ter zake. Het verzoek om in dit verband getuigen te horen, technisch onderzoek te doen verrichten en onderzoek naar bezoekers te doen, wordt dan ook afgewezen.

Bewijsoverwegingen en bespreking van de verweren

De advocaat-generaal heeft bewezenverklaring gevorderd van hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd.

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte van het hem ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

Kortheidshalve verwijst het hof naar de door de advocaat-generaal en de verdediging overgelegde schriftelijke requisitoiraantekeningen respectievelijk pleitnota’s en naar hetgeen ter terechtzitting in aanvulling daarop naar voren is gebracht als weergegeven in de processen-verbaal van de terechtzittingen van het hof van 6 januari 2016, 25 januari 2016 en 25 mei 2016.

Het hof beoordeelt een en ander als volgt.

In deze zaak staat niet ter discussie dat de verdachte met een andere man in de woning van aangeefster aanwezig was op het moment dat de geweldshandelingen tegen aangeefster begonnen. Ter discussie staat slechts de vraag of de verdachte aan deze geweldshandelingen heeft deelgenomen.

De verklaringen van aangeefster [slachtoffer]

Voor zover van belang heeft aangeefster als volgt meegedeeld/verklaard.

Ter plaatse gekomen verbalisanten hebben aangeefster, vlak voordat zij naar het ziekenhuis werd gebracht, gesproken en hoorden haar zeggen dat ene [verdachte] (verbalisant: “klinkt als”) haar geslagen had. Ook de broer of de vriend van [verdachte] zou in de woning zijn. Er zouden sieraden gestolen zijn.

Verbalisanten hebben aangeefster kort na het gebeurde (avond 23 juni 2014) in het ziekenhuis te Den Haag gesproken (00.08 uur ’s nachts). Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft aangeefster onder meer gezegd: Ik wil aangifte doen van mishandeling en diefstal. Ik ben mishandeld door [verdachte] en zijn broer. Ik weet niet hoe hij heet. [verdachte] had vanavond bij mij voetbal gekeken en had een fles vodka bij zich. Zijn broer begon mij opeens te schoppen tegen mijn hoofd. Zomaar, uit het niets. Ze hebben mijn laptop, Sony Vaio gepikt. Ook mijn telefoon en mijn sieraden. Het hof begrijpt dat aangeefster met “[verdachte]” de verdachte [verdachte] bedoelt.

Op 25 juni 2014 heeft aangeefster onder meer verklaard, nadat zij de verdachte van een voorgehouden foto had herkend: [verdachte] heeft het allemaal gedaan. Ze kwamen voetballen kijken. De 2e begon met tegen mijn hoofd slaan. Ik zat thuis in een éénpersoonsstoel en kreeg een slag op mijn achterhoofd. Ik heb niets gezegd. Ik werd wakker en zag bloed op de vloer. Ik ben bewusteloos geweest, werd wakker en ben naar de buurman gerend. Ik kreeg een klap op mijn achterhoofd en toen meerdere. De jongen die bij hem was ken ik niet en heb ik niet eerder gezien. Ik heb voor het laatst telefonisch contact met hem (het hof begrijpt: de verdachte) gehad vlak voordat hij kwam. Hij zei dat hij eraan zou komen. Ik hoorde aan zijn stem dat hij het was. Hij zei dat hij zijn broer zou meenemen. Hij heeft mijn computer meegenomen. Alle sieraden waren van mijn moeder. Armbanden en ringen, die hebben ze van mijn vingers afgehaald.

Op 26 juni 2014 heeft aangeefster op de vraag Heeft [verdachte] eerder geweld tegen jou gebruikt? geantwoord: Nee, dit is de eerste keer. Toen [verdachte] langskwam zei hij dat het zijn broer was, maar dat weet ik niet zeker. Hij heeft dit bewust gedaan. Ik werd wakker in een plas bloed, half onder het bed, ik ben buiten bewustzijn geweest. Ik heb aangebeld bij de buurman, de melder. [verdachte] wilde gaan dansen voor mij en toen gaf die ander een klap tegen mijn hoofd, ik denk dat het een afleiding was. Die avond wilde [verdachte] speciaal langskomen omdat zijn broer mij een paar meier wilde geven uit respect. Nu denk ik dat het een val was. Het flesje dat bij mij op tafel stond heeft [verdachte] meegenomen. [verdachte] en zijn broer hebben uit het flesje gedronken.

Op 8 oktober 2015 heeft aangeefster verklaard dat zij af en toe flarden van herinneringen heeft (“flashbacks”) waarin zij ziet dat zowel de verdachte als de tweede persoon haar mishandelen.

Tenslotte heeft aangeefster ter terechtzitting van het hof van 25 januari 2016 een uitgebreide verklaring afgelegd over de gebeurtenissen op de bewuste avond.

De getuige [getuige 4] heeft op 23 juli 2014 verklaard dat zij de betreffende nacht (het hof begrijpt: de nacht van 23 op 24 juni 2014), nadat de politie bij haar geweest is, gedurende de gehele nacht bij aangeefster in het ziekenhuis is geweest. Desgevraagd heeft aangeefster aan de getuige [getuige 4] het volgende verhaal verteld: [verdachte] zou die avond langs komen om voetbal te kijken bij [slachtoffer] thuis. Dit hadden zij afgesproken samen. Toen [verdachte] aan kwam bij [slachtoffer] thuis had hij nog een man bij zich. [verdachte] vertelde dat dit zijn broer was die ook voetbal kwam kijken. Ze zijn gaan zitten en namen wat te drinken. [verdachte] en zijn broer hadden alcohol meegenomen. Een kwartier nadat de wedstrijd begon, rond 18.15 uur, pakte de broer van [verdachte] haar vast en gooide haar op de grond. Vervolgens begon die broer tegen haar hoofd te schoppen. Ze heeft niet verteld hoe vaak maar hij zou zijn blijven schoppen. Ze vertelde mij dat de broer van [verdachte] haar daarna vasthield waarop [verdachte] haar is gaan schoppen en slaan op het hoofd. Vervolgens is ze flauwgevallen. Toen ze weer bijkwam zag ze dat ze vast werd gehouden door de broer van [verdachte] en door [verdachte] in haar buik geschopt werd. [verdachte] zou meerdere malen hard geschopt hebben. Hierop is zij weer flauwgevallen. Toen ze daarna weer wakker werd waren [verdachte] en zijn broer weg en is ze naar de buurman gegaan om hulp te zoeken.

De vraag is in hoeverre geloof kan worden gehecht aan de mededelingen die aangeefster aan de politie en aan [getuige 4] heeft gedaan, en aan haar eigen verklaringen.

Met het oog hierop is aan de deskundige B. Schmand, klinisch neuropsycholoog, een aantal vragen voorgelegd, waarover hij in een schrijven van 21 april 2016 heeft gerapporteerd.

Anders dan de advocaat-generaal is de verdediging van mening dat, gelet op de bevindingen van de deskundige Schmand, de mededelingen en verklaringen van aangeefster en daarmee ook die van [getuige 4] niet tot bewijs kunnen dienen.

Het hof deelt dit standpunt van de verdediging niet.

Het hof stelt voorop dat naar het oordeel van het hof tegen de achtergrond van het rapport van deskundige Schmand geen bewijsbetekenis kan worden toegekend aan de door aangeefster in haar op 8 oktober 2015 en nadien afgelegde verklaringen aangeduide flashbacks met herinneringen aan door de verdachte gepleegde geweldshandelingen.

Voor de beoordeling of de verdachte zelf actief heeft deelgenomen aan de geweldshandelingen acht het hof, voor zover het de van aangeefster afkomstige informatie betreft, slechts van belang hetgeen aangeefster kort na het bewuste voorval heeft gezegd/verklaard, dus slechts hetgeen zij ’s avonds tegen de verbalisanten ter plaatse en ’s nachts tegen de verbalisanten in het ziekenhuis heeft gezegd, hetgeen zij die nacht tegen [getuige 4] heeft gezegd, en hetgeen zij in de twee dagen erna (25 en 26 juni 2014) heeft verklaard. Het hof merkt op dat door de verdediging niet is betwist dát aangeefster de door [getuige 4] gestelde mededelingen aan [getuige 4] heeft gedaan. Wel wordt de juistheid van deze mededelingen door de verdediging betwist.

De deskundige heeft op grond van de hem ter beschikking gestelde schriftelijke informatie geconcludeerd dat er mogelijk of waarschijnlijk bij aangeefster sprake is geweest van een PTA: een post-traumatische amnesie. Hierbij, aldus de deskundige, is sprake van anterograde amnesie, dat wil zeggen de situatie dat de patiënt niet goed nieuwe informatie in het geheugen kan opslaan. Bij traumatisch hersenletsel is ook vaak sprake van retrograde amnesie, dat wil zeggen verlies van herinneringen aan gebeurtenissen die aan het letsel voorafgingen.

Het hof begrijpt dat in beide van de zojuist genoemde gevallen er sprake is van een geheugen-manco: gebeurtenissen worden niet in het geheugen opgeslagen (anterograde amnesie) of de herinnering aan in het geheugen opgeslagen gebeurtenissen verdwijnt (retrograde amnesie). Dit betekent naar het oordeel van het hof echter niet, en dat kan ook niet uit het rapport van de deskundige worden afgeleid, dat geen enkele nieuwe gebeurtenis in het geheugen kán worden opgeslagen, noch dat álle herinneringen aan een of meer gebeurtenissen verdwijnen. Indien er, ondanks de mogelijke aanwezigheid van een PTA, sprake is van positieve herinneringen, eventueel beperkt in aantal en omvang, betekent dat dus nog niet dat deze herinneringen onwaar of onbetrouwbaar zijn. Dat wordt door de deskundige wel gesteld (“Met “positieve herinnering” wordt bedoeld: de verklaring van het slachtoffer dat ze door beide mannen is mishandeld. Dit heeft ze gezegd tegen haar vriendin en tegen de politie, toen deze haar ’s avonds laat in het ziekenhuis bezocht. Zoals boven uiteengezet, had ze toen waarschijnlijk PTA, dus het is de vraag of deze eerste verklaring helemaal correct is.”), maar die conclusie vindt naar het oordeel van het hof geen onderbouwing in het rapport. Naar het oordeel van het hof kunnen er bij een PTA dus wel stoornissen in het geheugen optreden (niet opslaan of verlies van opgeslagen herinneringen), maar betekent dat niet dat ten aanzien van datgene dat wel aan herinneringen wordt opgeslagen of opgeslagen blijft, vanwege de PTA moet worden getwijfeld aan het waarheidsgehalte ervan.

Voor de onderhavige zaak geldt dat de door aangeefster aan de politie en aan [getuige 4] gedane mededelingen/ verklaringen allerlei elementen bevatten die elders bevestiging vinden en niet ter discussie staan: het is de verdachte geweest die bij haar geweest is met een andere haar onbekende man, de telefonische aankondiging van de verdachte dat hij zou komen met een broer/goede broeder om haar een paar meier te geven, dat zij een fles wodka meebrachten, dat er voetbal op de televisie was en dat er goederen (computer en sieraden) zijn meegenomen. Ook deze elementen heeft zij in de bewuste nacht naar voren gebracht en staan niet ter discussie. Waarom dan wel getwijfeld moet worden aan de voor de verdachte belastende elementen, is het hof niet duidelijk en wordt ook in het rapport niet duidelijk gemaakt. Daarbij komt dat het slachtoffer weliswaar buiten kennis is geweest, maar niet is vastgesteld dat deze situatie onafgebroken heeft geduurd en niet onderbroken is geweest door momenten waarop wel van enig bewustzijn sprake was.

De stelling van de deskundige dat in het algemeen herinneringen aan een traumatisch voorval niet, en zeker niet in enkele dagen, verdwijnen en dat een operatie onder algehele narcose en behandeling met opiaten niet een traumatische herinnering kunnen doen verdwijnen en dus niet kunnen verklaren waarom aangeefster tegenstrijdige mededelingen/verklaringen heeft afgelegd, overtuigt het hof niet. Of die algemeenheid in het onderhavige geval opgaat, is niet vastgesteld en kan ook niet worden vastgesteld. Daar komt bij dat naar het oordeel van het hof niet gesproken kan worden van tegenstrijdige mededelingen/verklaringen van aangeefster. Aangeefster heeft in het ziekenhuis tegen de politie en tegen [getuige 4] gesproken over ook door de verdachte gepleegde geweldshandelingen. Bij de verhoren van de dagen erna (25 en 26 juni 2014) is hier niet expliciet op teruggekomen, op een vraag in het laatste verhoor na (zie hiervoor). Aangeefster heeft toen over dit aspect niet meer verklaard. Dit kan, zoals overwogen, naar het oordeel van het hof niet worden geduid als een tegenstrijdigheid.

Op grond van het vorenstaande komt het hof tot het oordeel dat er geen reden is om de mededelingen/

verklaringen van aangeefster dat ook de verdachte geweldshandelingen heeft verricht, als onbetrouwbaar of onwaar terzijde te stellen. Een en ander kan dus voor het bewijs worden gebruikt.

De verklaringen van de verdachte

De verdachte heeft gedurende de gehele fase van de eerste aanleg gezwegen en pas in de fase van het hoger beroep een verklaring afgelegd. Dat betekent niet dat die verklaring om die reden onwaar is, maar wel dat die verklaring behoedzaam moet worden beoordeeld. De verdachte heeft immers de mogelijkheid gehad om met de kennis van het gehele dossier zijn verklaring in overeenstemming te brengen met de bevindingen uit het dossier. Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaring van de verdachte moet niet alleen gekeken worden naar de inhoud van de verklaring zelf, maar moet ook gekeken worden of die verklaring elders in het dossier steun vindt.

Het verhaal van de verdachte komt er op neer dat hij samen met [man 1], die hij op 23 juni 2014 ’s middags op straat had ontmoet, naar aangeefster is gegaan om haar, op haar verzoek, wat cocaïne te brengen, voor welke cocaïne [man 1] zou zorgen. In de woning heeft [man 1] geheel onverwacht aangeefster tegen de grond geslagen (de verdachte hoorde een knal en zag daarna aangeefster op de grond liggen), en daarna de verdachte een harde klap op zijn kaak gegeven. Vervolgens heeft [man 1] de verdachte met een mes bedreigd, waarna de verdachte de woning is uitgevlucht. Thuis gekomen heeft de verdachte meteen zijn kleding uitgedaan en in de was gedaan, omdat die naar zijn zeggen naar de alcohol stonk.

Dat de verdachte de betreffende middag [man 1] heeft ontmoet en dat zij beiden uit een fles drank die de verdachte bij zich had hebben gedronken, wordt door

[man 1] bevestigd (raadsheer-commissaris d.d. 16 november 2015). [man 1] heeft echter bestreden dat hij met de verdachte over aangeefster heeft gesproken en dat hij op de bewuste dag met de verdachte in de woning van aangeefster is geweest. Na hun ontmoeting op de bewuste middag is ieder zijn eigen weg gegaan. [man 1] heeft gesteld zich in de bewuste periode niet bezig te hebben gehouden met verdovende middelen, ook niet voor anderen.

Dat de achtergrond van het bezoek aan aangeefster de levering van verdovende middelen (cocaïne) was, wordt door aangeefster uitdrukkelijk ontkend. Zij heeft verklaard gedurende haar hele leven nog nooit drugs te hebben gebruikt. Ook [man 1] heeft ontkend dat daarover gesproken is in het contact dat hij ’s middags op 23 juni 2014 met de verdachte had.

Dat [man 1] de persoon is die met de verdachte bij aangeefster in de woning is geweest, vindt buiten de verklaring van de verdachte geen enkele bevestiging in het dossier. [man 1] ontkent het en aangeefster heeft [man 1] kort na het voorval niet herkend bij een fotoconfrontatie. De vingerafdruk van [man 1] op de in de woning van aangeefster aangetroffen fles is niet van betekenis, nu de verdachte heeft verklaard dat zowel hij als [man 1] ’s middags uit deze fles heeft gedronken, hetgeen overeenkomt met de verklaring van [man 1] dat zij bij hun ontmoeting ‘s middags beiden uit een fles drank hebben gedronken.

De verdachte heeft ter bevestiging van zijn verhaal gewezen op het kaakletsel waaraan hij veel later geopereerd is. Dat er een (kaak)operatie heeft plaatsgevonden, staat niet ter discussie. De vraag is echter, of het betreffende letsel afkomstig is van een klap tijdens de ontmoeting met aangeefster op de bewuste dag. In het bevestigende geval geeft dat steun aan de lezing van de verdachte.

De verdachte heeft verklaard (pagina 31 van het politieverhoor van 5 oktober 2015) dat hij meteen nadat hij na zijn arrestatie in de PI Zoetermeer was gekomen, aldaar bij de medische dienst geweest is, waarna hij naar het ziekenhuis is doorgestuurd voor controle en foto’s. Over dat bezoek aan de medische dienst en daarna aan het ziekenhuis heeft de verdediging geen enkele informatie overgelegd, waar dat, als het klopt, toch eenvoudig geweest zou moeten zijn. Slechts overgelegd is pagina 6/10 van de medische gegevens van de PI Zoetermeer. Deze beslaat de periode van 30 januari 2015 tot 8 juni 2015. Hierin is niets terug te vinden van een consult en een verwijzing kort na de aanhouding van de verdachte op 7 juli 2014. Ook zijn overgelegd brieven d.d. 7 september 2015 en 23 oktober 2015 van de kaakchirurgen (LUMC) [namen], waarin bevindingen omtrent het kaakletsel van de verdachte zijn beschreven. Vermeld wordt dat het letsel afkomstig is van een klap die een jaar daarvoor op de linker kaak gegeven zou zijn. Het hof begrijpt dat dit laatste een mededeling van de verdachte is geweest, en niet een objectieve bevinding van de betreffende artsen.

Een en ander betekent dat de lezing van de verdachte dat zijn kaakletsel afkomstig is van een klap bij gelegenheid van zijn bezoek aan aangeefster op 23 juni 2014 niet ondersteund wordt door objectieve gegevens, zodat het ook mogelijk is dat dat letsel op een ander moment of bij een andere gelegenheid (in de periode voor de aanhouding van de verdachte of gedurende zijn detentie) is opgelopen. Het controleerbaar maken van de lezing van de verdachte omtrent het letsel ligt naar het oordeel van het hof zo voor de hand, dat betekenis moet worden toegekend aan het nalaten ervan in deze zin dat het een aanwijzing is voor de onjuistheid van de lezing van de verdachte omtrent het opgelopen letsel. In dit verband wijst het hof tevens op het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 november 2015 (dossierpagina 368) waarin gerelateerd wordt dat de verdachte in de tijd dat hij in het politiebureau verbleef en de keren dat hij uit de penitentiaire inrichting werd gelicht niet heeft aangegeven dat hij pijn of letsel aan zijn kaak had, dat geen aangezichtsletsel is waargenomen, noch een verkleuring of verdikking van het aangezicht, en dat de verdachte niet gevraagd heeft om een politiearts. Dit alles staat in schril contrast met de verklaring van de verdachte dat hij in zijn leven nog nooit zo’n harde klap had gehad en ongeveer een halve minuut knock-out is gegaan en dat in de PI is gebleken dat hij een gebroken kaakholte had (politieverklaring d.d. 5 oktober 2015 pagina’s 12 en 28).

Tenslotte wijst het hof op een proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 oktober 2015 (dossierpagina 276) waarin wordt gerelateerd dat de verdachte op 5 oktober 2015 op een vraag van een medewerker van de afdeling arrestantenzorg wat er met zijn gezicht aan de hand was (pleisters en koeling met een icepack), heeft geantwoord dat hij aan een kankergezwel was geopereerd. Ook dit roept vraagtekens op.

Verder is er naar het oordeel van het hof nog een andere bedenking bij de waardering van de verklaring van de verdachte.

Volgens de verdachte waren hij en aangeefster goed bevriend met elkaar. Naar zijn zeggen is er gedurende enige tijd zelfs sprake geweest van een relatie. Als de lezing van de verdachte moet worden gevolgd, dan betekent dat dat de verdachte heeft meegekregen dat zijn vriendin door de met hem meegekomen [man 1] tegen de grond is geslagen, en dat hij daarna is weggevlucht met achterlating van zijn vriendin bij een op dat moment zeer gewelddadig persoon (deze had niet alleen aangeefster maar ook de verdachte hard geslagen en met een mes bedreigd). Vervolgens heeft hij nagelaten hulpdiensten te waarschuwen, hetgeen hij eenvoudig, desnoods anoniem, had kunnen doen zonder naar de woning van aangeefster terug te keren. Ook daarna heeft hij zich niet om zijn vriendin bekommerd. Hij heeft er niet voor gezorgd dat hij met haar in contact kwam om te vragen hoe het met haar ging of om uit te leggen wat hij had gezien en ondervonden in haar woning op 23 juni 2014. Hij heeft pas (telefonisch) contact gehad met aangeefster op 6 november 2014, na de veroordeling in eerste aanleg op 31 oktober 2014.

Het hof acht deze opstelling van de verdachte onbegrijpelijk en in elk geval niet in redelijkheid te verklaren door een beweerdelijke bedreiging van hemzelf en/of zijn vriendin door [man 1] op 23 juni 2014. Die bedreigingen had hij meteen de kop kunnen indrukken door direct de politie in te schakelen en openheid van zaken te geven.

Op grond van het bovenstaande concludeert het hof dat de lezing van de verdachte omtrent het gebeurde in de woning van aangeefster geen enkele bevestiging in het dossier vindt en er alle reden is om aan die lezing geen geloof te hechten.

Conclusie

Het hof concludeert, onder verwijzing naar de mededelingen en verklaringen van aangeefster en de getuige [getuige 4], dat de verdachte op de bewuste avond van 23 juni 2014 met een andere man (van wie niet vastgesteld kan worden dat het [man 1] was) bij aangeefster is geweest en dat aangeefster door deze beide personen ernstig mishandeld is en dat er goederen van aangeefster zijn weggenomen. Door beide personen is geweld tegen aangeefster gepleegd, hetgeen niet anders kan worden uitgelegd dan een nauwe en bewuste samenwerking, dus als medeplegen, zowel ten aanzien van het geweld als ten aanzien van de wegneming. Aan het door de verdachte geschetste alternatieve scenario dient geen geloof te worden gehecht.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op of omstreeks 23 juni 2014 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening toe-eigening heeft weggenomen zes, althans een (aantal) gouden armband(en) en/of vijf, althans een (aantal) gouden ring(en) en/of een horloge en/of twee, althans een gouden oorbel(len) en/of een laptop en/of een telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het het stompen en/of slaan en/of schoppen tegen het hoofd en/of in/tegen de buik en/of tegen de rug, althans tegen het lichaam van die [slachtoffer], terwijl dit geweld zwaar lichamelijk letsel tot ten gevolge heeft, (te weten een gescheurde alvleesklier en/of verwondingen aan haar lever en/of een nier-contusie en/of een ontwrichte kaak).

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zijn als bijlage aan dit arrest gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte is samen met een ander naar de woning van het slachtoffer, met wie de verdachte een vriendschappelijke relatie had, gegaan, waarna zij haar ernstig hebben mishandeld en beroofd. Het slachtoffer heeft ten gevolge van deze mishandeling zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Dat de verdachte en zijn mededader zeer grof geweld hebben gebruikt tegen het slachtoffer blijkt uit het letsel dat bij haar is geconstateerd, te weten meerdere verwondingen en kneuzingen in haar gezicht, een ontwrichte kaak, verwondingen aan haar lever en een gescheurde alvleesklier. Uit de medische informatie volgt dat er zeer fors inwerkend geweld moet zijn gebruikt om een scheuring van de alvleesklier te bewerkstellingen.

De verdachte en zijn mededader hebben vervolgens spullen uit de woning van het slachtoffer meegenomen en zij hebben daarbij tevens de sieraden die het slachtoffer droeg van haar lichaam afgenomen. Vervolgens hebben de verdachte en zijn mededader het slachtoffer in hulpeloze toestand achtergelaten.

Aldus handelende hebben de verdachte en zijn mededader een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit en de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en er ook blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor haar persoonlijke eigendommen. Dit geldt te meer nu zij haar hebben mishandeld en beroofd in haar eigen huis, een plek waar zij zich bij uitstek veilig zou moeten kunnen voelen. Daarnaast heeft de verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat het slachtoffer, die hem beschouwde als vriend, in hem stelde. De verdachte en zijn mededader hebben zich kennelijk laten leiden door financieel gewin, zonder er bij stil te staan dat slachtoffers van delicten als het onderhavige in de regel nog geruime tijd lijden onder de psychische en lichamelijke gevolgen van hetgeen hen is aangedaan. Uit de ter terechtzitting in hoger beroep voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring is op heldere en indringende wijze uiteen gezet welke zeer ingrijpende gevolgen deze overval voor het leven van het slachtoffer heeft gehad en nog altijd heeft.

Dit alles rekent het hof de verdachte zeer zwaar aan.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 10 mei 2016, waaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het begaan van het bewezen verklaarde feit eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft het hof voorts acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS).

Gelet op al het hiervoor overwogene, en in het bijzonder de zeer gewelddadige uitvoering van de beroving, is het hof van oordeel dat in de onderhavige zaak geen andere straf kan volgen dan een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf van 8 jaar acht het hof, hoe verwerpelijk en ernstig de gedragingen van de verdachte ook zijn geweest, niet in overeenstemming met voornoemde oriëntatiepunten en met de omstandigheden in deze zaak en de persoon van de verdachte, zoals hierboven uitgebreid geschetst.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte primair ten laste gelegde, tot een bedrag van € 23.500,84 (bestaande uit € 3.500,84 aan materiële schade en € 20.000,- aan immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof is genoegzaam komen vast te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer] tot een bedrag van € 2.530,84 materiële schade heeft geleden (bestaande uit ziekenhuisdaggeldvergoeding € 980,-, reiskosten € 251,84, laptop € 550,-, mobiele telefoon € 249,- en sieraden € 500,-) en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het primair bewezen verklaarde. Dat zich geen aankoopbonnen van de laptop, de mobiele telefoon en de sieraden in het dossier bevinden, staat aan toewijzing niet in de weg. Het hof acht de gevorderde bedragen voor de laptop en de mobiele telefoon niet onredelijk. Ook de geschatte waarde van de gouden sieraden komt het hof, gelet op het feit dat het om zes gouden armbanden en (in ieder geval) vier gouden ringen gaat, niet onredelijk hoog voor.

Het hof zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de posten ‘cash geld’ en ‘lampje kapot’, nu met onvoldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij deze schade heeft geleden. Nader onderzoek zou naar het oordeel van het hof een te grote belasting van het strafgeding opleveren. De vordering kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De vordering van de benadeelde partij ter zake van de materiële schade zal derhalve tot een bedrag van € 2.530,84 hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 juni 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het primair bewezen verklaarde. De vordering leent zich naar maatstaven van billijkheid – in elk geval - voor (hoofdelijke) toewijzing tot een bedrag van € 15.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 juni 2014 tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof is van oordeel dat de behandeling van de vordering voor het overige een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden immateriële schade. De vordering kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 17.530,84 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer].

Vordering tenuitvoerlegging

Bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 7 september 2011 onder rolnummer 22-001616-11 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet ten uitvoer gelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet ten uitvoer gelegde straf is derhalve gegrond.

Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren en 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 17.530,84 (zeventienduizend vijfhonderddertig euro en vierentachtig cent) bestaande uit € 2.530,84 (tweeduizend vijfhonderddertig euro en vierentachtig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 23 juni 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 17.530,84 (zeventienduizend vijfhonderddertig euro en vierentachtig cent) bestaande uit € 2.530,84 (tweeduizend vijfhonderddertig euro en vierentachtig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 122 (honderdtweeëntwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 23 juni 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 7 september 2011, onder rolnummer 22-001616-11, te weten van: een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Dit arrest is gewezen door mr. W.P.C.M. Bruinsma, mr. L.F. Gerretsen-Visser en mr. I.P.A. van Engelen, in bijzijn van de griffier mr. L.A.M. Karels.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juni 2016.