Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:1600

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-06-2016
Datum publicatie
09-06-2016
Zaaknummer
200.188.644-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

uitlevering aan Turkije voor strafvervolging; strafzaak zonder politieke invalshoek; gerechtvaardigde inbreuk op art.8 EVRM; art. 5 en 6 EVRM; terugkeergarantie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.188.644/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : C/09/506285 / KG ZA 16/258

arrest van 9 juni 2016

inzake

[naam] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. B. Stapert te Amsterdam,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Het geding

Bij (turbo)spoedappeldagvaarding van 1 april 2016 (met producties) is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 23 maart 2016 dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag in kort geding tussen partijen heeft gewezen. In deze appeldagvaarding zijn drie grieven tegen het vonnis geformuleerd. Bij memorie van antwoord heeft de Staat de grieven bestreden. Vervolgens hebben beide partijen ter gelegenheid van het pleidooi nadere producties in het geding gebracht. Partijen hebben hun zaak doen bepleiten op 19 mei 2016 door hun raadslieden, ieder aan de hand van pleitnotities. Aansluitend is arrest bepaald op heden.

Beoordeling van het hoger beroep

1.1

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

1.2

[appellant] is geboren in Libanon. Hij woont sinds 1989 in Nederland en heeft de Nederlandse nationaliteit. Hij heeft twee dochters (geboren in [jaar] en [jaar] ), die bij hun moeder wonen. [appellant] woont bij zijn ouders vlak bij de woning van zijn dochters. Samen met zijn vader werkt hij in hun eigen bedrijf.

1.3

Nederland en Turkije zijn verdragspartners bij het Europees Uitleveringsverdrag. Op 28 mei 2014 hebben de Turkse autoriteiten verzocht om de uitlevering van [appellant] met het oog op diens strafvervolging ter zake van een verdenking wegens moord, althans gekwalificeerde doodslag, en diefstal met geweld, beide in vereniging gepleegd. In verband met dit uitleveringsverzoek is [appellant] op 2 oktober 2014 aangehouden. Op 3 oktober 2014 is zijn detentie geschorst.

1.4

Bij uitspraak van 16 februari 2015 heeft de meervoudige strafkamer in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, de uitlevering van [appellant] aan Turkije toelaatbaar verklaard. Bij rechterlijk advies van dezelfde datum is de Minister van Veiligheid en Justitie (hierna: de Minister) in overweging gegeven om gevolg te geven aan het uitleveringsverzoek.

1.5

[appellant] heeft beroep in cassatie ingesteld tegen voornoemde uitspraak. Bij arrest van 17 november 2015 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep verworpen.

1.6

Bij brief van 6 oktober 2014 is aan de Turkse autoriteiten om terugkeergaranties gevraagd. Bij brief van 24 oktober 2014 hebben de Turkse autoriteiten onder meer gegarandeerd dat, indien [appellant] tot een vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij de straf in Nederland kan ondergaan wanneer hij daarom verzoekt.

1.7

Bij beschikking van 20 januari 2016 heeft de Minister de uitlevering van [appellant] toegestaan.

1.8

Bij brief van 6 april 2016 is aan de Turkse autoriteiten gevraagd of zij met de strafvervolging van [appellant] wachten totdat alle (mede)verdachten in Turkije zijn. Daarop hebben de Turkse autoriteiten bij brief van 13 april 2016 geschreven dat in het geval [appellant] aan Turkije wordt uitgeleverd, het berechtingsproces zonder oponthoud zal worden voortgezet.

2.1

[appellant] heeft de Staat in kort geding gedagvaard en gemotiveerd gevorderd dat de rechtbank primair de Staat zal verbieden hem aan Turkije uit te leveren, subsidiair, voor het geval de uitlevering wordt toegestaan, de Staat zal gebieden een tijdslimiet aan de uitlevering te verbinden en de procesgang adequaat te monitoren en meer subsidiair de Staat te gebieden eerst de mogelijkheden tot het horen van hem in Nederland te onderzoeken alvorens tot uitlevering over te gaan.

2.2

De Staat heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

2.3

De voorzieningenrechter in de rechtbank heeft het gevorderde afgewezen.

3. [appellant] heeft in hoger beroep gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen. Hij heeft zijn primaire, subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen gehandhaafd en tevens bij pleidooi verzocht de Staat te gebieden de eventuele uitlevering op te schorten totdat duidelijkheid bestaat over de uitlevering van de in Nederland verblijvende medeverdachte.

4. Met zijn eerste grief komt [appellant] op tegen de overweging van de voorzieningenrechter dat zijn uitlevering naar Turkije niet tot een schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentiele vrijheden (EVRM) zal leiden. Bij uitlevering zal hij gescheiden zijn van zijn twee nog jonge dochters, voor wie hij een groot deel van de zorg draagt. De tweede grief van [appellant] betreft de artikelen 5 en 6 EVRM; volgens [appellant] heeft de voorzieningenrechter miskend dat de duur van voorlopige hechtenis (artikel 5 EVRM) en daarmee het risico op een schending van de redelijke termijn (artikel 6 EVRM) een chronisch probleem in Turkije vormt. De basisbeginselen van de democratische rechtsstaat en het strafproces in Turkije worden regelmatig geschonden en verliezen, gelet op de recente ontwikkelingen, aan waarde. Daar voegt [appellant] aan toe dat zijn strafzaak in Turkije pas in behandeling zal worden genomen wanneer alle verdachten in die strafzaak aanwezig zijn, terwijl een medeverdachte zich nog in Nederland in een bemoeilijkt uitleveringsproces van onzekere duur bevindt. Voorts is de enige aan Turkije uitgeleverde Nederlander met een terugkeergarantie nog niet teruggekeerd. De langdurige voorlopige hechtenis betekent door de langdurige scheiding van zijn dochters ook een schending van artikel 8 EVRM. De derde grief richt zich tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat er geen plicht bestaat om de mogelijkheden tot het horen van [appellant] in Nederland nader te onderzoeken alvorens tot uitlevering over te gaan. Volgens [appellant] moeten alternatieven onderzocht worden omdat voor de minst ingrijpende maatregel gekozen moet worden.

5. Ter beoordeling van de grieven stelt het hof voorop dat de door [appellant] gestelde recente zorgwekkende ontwikkelingen die getuigen van politieke druk op en verslechtering van het rechtssysteem in Turkije, in deze zaak relevantie missen. In het onderhavige geding dienen de te verwachten omstandigheden voor de opgeëiste persoon zelf te worden beoordeeld. Niets wijst er op dat de gestelde zorgwekkende ontwikkelingen, die ook in de stellingen van [appellant] betrekking hebben op zaken met een politieke lading of de vrijheid van meningsuiting, zich voor (zullen) doen in de strafvervolging van [appellant] , die commune geweldsdelicten betreft zonder enige politieke invalshoek en zonder enige betrokkenheid van regeringsleiders of risicogroepen.

6.1

Ter zake van grieven I en III (schending van artikel 8 EVMR en onvoldoende onderzoeken van alternatieven), overweegt het hof het volgende.

6.2

Tussen partijen is niet in geschil dat de beide dochters van [appellant] in Nederland wonen, hem (bijna) dagelijks zien en dat niet van hen kan worden verwacht dat zij hun vader naar Turkije zullen volgen. Wanneer [appellant] naar Turkije wordt uitgeleverd, zullen zijn dochters dus van hem gescheiden zijn. De uitlevering betekent daarom een inbreuk op [appellants] recht op eerbiediging van zijn family life, zoals neergelegd in artikel 8, eerste lid EVRM.

6.3

Echter, een dergelijke inbreuk is ingevolge het tweede lid van artikel 8 EVRM gerechtvaardigd indien deze bij wet is voorzien, zich richt op een legitiem doel en in een democratische samenleving noodzakelijk is. Daartoe behoort de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van het Europees Uitleveringsverdrag, in dit geval de verplichting van de Staat jegens Turkije om [appellant] uit te leveren ter fine van strafvervolging.

6.4

De hiervoor genoemde inbreuk op [appellants] recht op eerbiediging van zijn family life is van onvoldoende groot gewicht tegenover het belang bij de uitlevering, om de uitlevering te verbieden. Daartoe overweegt het hof het volgende.

6.4.1

De feiten waarvan [appellant] verdacht wordt zijn ernstig (moord en diefstal met geweld), dateren van mei 2014 en hebben plaatsgevonden in Turkije. Het feit dat [appellant] niet aanwezig zou zijn geweest bij de toedracht in 2014, betekent niet dat hij thans geen verdachte meer is of dat er geen belang meer kan zijn bij zijn strafvervolging. Een en ander is per 16 februari 2015 reeds beoordeeld door de uitleveringsrechter.

6.4.2

[appellant] heeft de Nederlandse nationaliteit. Zodra [appellant] in Turkije berecht is, zal hij weer naar Nederland kunnen terugkeren. De Turkse autoriteiten hebben immers gegarandeerd dat, indien [appellant] tot een vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland kan ondergaan wanneer hij daarom verzoekt. Er zijn geen aanwijzingen dat er ondanks de garantie geen terugkeermogelijkheid zal zijn. Dat er tot dusver nog niemand met een terugkeergarantie is teruggekomen, is niet zo’n aanwijzing, alleen al omdat niet gebleken is dat de enige persoon waarom dat tot nu toe gaat, een verzoek om terugkeer onder de garantie tot de Turkse autoriteiten heeft gericht.

6.4.3

De mogelijkheid van terugkeer na de berechting betekent dat de inbreuk die door de uitlevering wordt gemaakt op het ‘family life’ tussen [appellant] en zijn dochters tijdelijk is en in beginsel de duur van een redelijke termijn voor berechting niet zal overschrijden (waartoe het hof hierna onder 7 meer overweegt).

6.4.4

Mede gelet op het feit dat zijn dochters thans bij hun moeder wonen en er geen aanwijzingen zijn dat de moeder onvoldoende voor hen kan (blijven) zorgen gedurende [appellants] verblijf in Turkije, staan de specifieke familieomstandigheden niet in de weg aan de nakoming van de verdragsverplichting om [appellant] uit te leveren.

6.4.5

Met het door [appellant] genoemde alternatief (horen van [appellant] in Nederland), voldoet de Staat niet aan het uitleveringsverzoek. Horen in Nederland kan niet gelijk gesteld worden met uitlevering, reeds omdat vervolgingshandelingen meer (kunnen) omvatten dan enkel het horen van de opgeëiste persoon en de strafbare feiten in Turkije hebben plaatsgevonden. Het uitleveringsverzoek biedt ook geen grond voor alternatieve, andere handelingen dan uitleveren. Anders dan [appellant] heeft aangevoerd, benoemt het uitleveringsverzoek niet de mogelijkheid van het afnemen van een videoverhoor in Nederland. Waar in het uitleveringsverzoek sprake is van horen met een ‘Voice and Video Communication System’ wordt kennelijk een verhoor na arrestatie van [appellant] in Turkije bedoeld.

6.5

De eerste en derde grief slagen niet.

7.1

Ook grief II betreffende de gestelde schending van artikelen 5 en 6 EVRM (de lange duur van de voorlopige hechtenis en daarmee het risico op schending van de redelijke termijn genoemd in artikel 6 EVRM), slaagt niet. Hiertoe overweegt het hof het volgende.

7.2

Uit hoofde van het Europees Uitleveringsverdrag is de Staat verplicht om [appellant] aan Turkije uit te leveren. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, wijkt deze verdragsrechtelijke verplichting slechts voor de krachtens artikel 1 EVRM op de Staat rustende verplichting om de rechten van artikel 6 EVRM te verzekeren, indien blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op een aan hem ingevolge artikel 6 EVRM toekomend recht en voldoende is komen vast te staan dat hem na uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste staat ter zake van die inbreuk.

7.3

Dat er in Turkije door recente ontwikkelingen 2000 strafzaken wegens beledigingen van Erdogan bij zijn gekomen, is onvoldoende om er op voorhand van uit te gaan dat reeds daardoor een schending van artikel 6 EVRM zal plaatsvinden, te meer nu enig verband met het totaal aantal strafzaken in Turkije ontbreekt.

7.4

Dat de termijn van de voorlopige hechtenis in Turkije (in 2013) gemiddeld 16,6 maanden duurt, betekent niet dat (ook) in geval van [appellant] de redelijke termijn van berechting zal worden overschreden. De Turkse autoriteiten hebben bij brief van 13 april 2016 te kennen gegeven dat wanneer [appellant] wordt uitgeleverd, de strafvervolging direct zal worden voortgezet (zie hiervoor ad 1.8). Bovendien dateert het strafbare feit reeds van mei 2014 en zit één medeverdachte al sinds mei 2014 in voorarrest, zodat een spoedige berechting thans in de rede ligt.

7.5

[appellant] heeft aangevoerd dat een zich nog in Nederland bevindende medeverdachte cruciaal is voor het onderzoek in Turkije en de zaak in Turkije pas in behandeling zal worden genomen wanneer alle verdachten aanwezig zijn. Het hof passeert dit betoog vanwege voornoemde brief van 13 april 2016.

7.6

Voor opschorting van de uitlevering of voor het verbinden van een tijdslimiet aan de terugkeer van [appellant] , zoals (mede) verzocht, is geen grond. Ook indien het strafproces pas goed kan worden afgerond indien ook de zich in Nederland bevindende medeverdachte in Turkije is, dan is dat onvoldoende om aan te nemen dat de strafvervolging jegens [appellant] niet direct, met het vooronderzoek, voortvarend ter hand zal worden genomen en hij niet binnen redelijke termijn berecht zal zijn. Bij dit laatste heeft het hof mede gelet op het stadium waarin het uitleveringsproces tegen de medeverdachte zich bevindt, te weten: de uitlevering is reeds toelaatbaar verklaard en momenteel wordt onderzocht of zijn psychische gesteldheid aan feitelijke uitlevering in de weg staat, hetgeen in korte tijd beslist kan zijn. Indien later onverhoopt zou blijken dat de redelijke termijn toch zal worden overschreden, staat [appellant] in Turkije een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste. Voor het opleggen van een verplichting om daartoe een monitor aan te stellen is onvoldoende aanleiding.

8. Het voorgaande betekent dat de grieven falen, het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd en het aanvullende verzoek niet zal worden toegewezen. [appellant] dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van 23 maart 2016;

- wijst af het meer of anders gevorderde;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 718,- aan verschotten en € 2.682,- aan salaris advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt voorts dat deze bedragen worden vermeerderd met de nakosten van € 131,-, verhoogd met € 68,- indien betekening van dit arrest nodig is,

- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. G. Dulek-Schermers, S.A. Boele en M.E. Honée en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2016 in aanwezigheid van de griffier.