Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:160

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-02-2016
Datum publicatie
10-02-2016
Zaaknummer
200.150.645 en 200.150.648
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deelvonnis. Verjaring. 'Bekendheid' van onverschuldigde betaling bij rechtspersoon (vereniging). Bewijsopdracht ten aanzien van werkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/361
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.150.645 (hierna ook: zaak I)

Zaak-rolnummer rechtbank : 2074962 \ CV EXPL 13-321
gevoegd met:
Zaaknummer : 200.150.648 (hierna ook: zaak II)
Zaak- en rolnummer rechtbank : 2074922 \ CV EXPL 13-319

Arrest d.d. 9 februari 2016

inzake 200.150.645 (zaak I) van:


[bedrijf],
gevestigdte [vestigingsplaats] (gemeente […]),

appellant,
hierna te noemen: [D],

advocaat: mr. J.B.M. Swart te Almere,

tegen

de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging
VERENIGING VAN EIGENAREN VAN CHALETS IN HET RECREATIEPARK FORT PRINS FREDERIK,

gevestigd te Ooltgensplaat (gemeente Goeree-Overflakkee),

geïntimeerde,
hierna te noemen: de Vereniging,

advocaat: mr. E.G. Karel te Middelharnis (gemeente Goeree-Overflakkee),

en

inzake 200.150.648 (zaak II) van:

[naam],

wonende te [woonplaats] (gemeente […]),

appellant,
hierna te noemen: [P],

advocaat: mr. J.B.M. Swart te Almere,

tegen

de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging
VERENIGING VAN EIGENAREN VAN CHALETS IN HET RECREATIEPARK FORT PRINS FREDERIK,

gevestigd te Ooltgensplaat (gemeente Goeree-Overflakkee),

geïntimeerde,
hierna te noemen: de Vereniging,

advocaat: mr. E.G. Karel te Middelharnis (gemeente Goeree-Overflakkee).

Het geding

Voor de gang van zaken tot 29 september 2015 wordt verwezen naar het tussenarrest van die datum waarbij een comparitie van partijen is gelast. Deze comparitie heeft plaatsgevonden op 8 januari 2016. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt, waar het hof naar verwijst. Vervolgens is opnieuw arrest bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het hof blijft bij hetgeen in het tussenarrest van 29 september 2015 is overwogen.

Energieleveranties en buitengerechtelijke incassokosten (zaak I)

2. Omtrent de vordering van [D] wegens energieleveranties heeft het hof in voormeld tussenarrest (in rechtsoverweging 13) overwogen, dat deze vordering toewijsbaar is tot een bedrag van € 5.620,44, vermeerderd met de – niet weersproken – wettelijke rente vanaf 18 april 2013. Omtrent de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten heeft het hof toen geoordeeld dat er geen grond is voor toewijzing daarvan.
Onderhoudswerkzaamheden door [P] (h.o.d.n. […]) (zaak II, conventie)

3. Deze zaak gaat over de vordering van [P] (h.o.d.n. […]) van in hoofdsom een bedrag van € 7.670,79, met nevenvorderingen, wegens onderhoudswerkzaamheden plus materialen in het recreatiepark Fort Prins Hendrik (hierna ook: het recreatiepark of het park). Hierover heeft het hof in het tussenarrest onder meer het volgende overwogen (in rechtsoverweging 18): “Niet betwist is dat [P] met zijn bedrijf Haegestaete werkzaamheden heeft uitgevoerd in het park, zowel regulier onderhoud als herstel van kabels na brandschade. Wél betwist is (i) het aantal gewerkte uren, (ii) de uurprijs en (iii) de opdracht van de Vereniging, zowel wat betreft het regulier onderhoud als het onderhoud aan de kabels na de brand rond de jaarwisseling 2007/2008. [P] heeft terzake bewijs aangeboden door middel van getuigen.”

4. Nu de bij de comparitie verkregen inlichtingen ontoereikend zijn om thans een definitief oordeel te kunnen geven over deze drie geschilpunten, zal [P] worden toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat hij in opdracht van de Vereniging voor het door hem gestelde aantal van 108 uren tegen de overeengekomen uurprijs van € 37,50 (exclusief btw en materialen) werkzaamheden heeft verricht in het park (een en ander zoals gespecificeerd in rechtsoverweging 14 van het tussenarrest van 29 september 2015).

De tegenvordering van de Vereniging ten bedrage van € 9.000,-- wegens onverschuldigde betaling (zaak I, reconventie).

5. De Vereniging vordert in hoofdsom veroordeling van [D] tot betaling van een bedrag van € 9.000,--. De Vereniging stelt daartoe dat tussen 31 maart 2008 en 15 mei 2008 diverse bedragen van de rekening van de Vereniging zijn overgeboekt naar [D] onder vermelding ‘Betaling facturen namens [D]’, ‘Voorschot’, ‘Spoedoverboeking. Voorschot [D] ’ en “Voorschot tbv [D]’ , zonder dat de Vereniging (jaren later) in haar administratie documenten hierover heeft aangetroffen ter onderbouwing van deze overboekingen. Het gaat in totaal om een bedrag van
€ 9.000, -- dat door de Vereniging onverschuldigd aan [D] is betaald, althans waarmee [D] ten koste van de Vereniging ongerechtvaardigd is verrijkt.

6. [D] heeft – voor het eerst in hoger beroep – een beroep gedaan op verjaring van deze vordering. Het hof oordeelt als volgt.

7. De vordering uit onverschuldigde betaling verjaart op grond van artikel 3:309 BW door verloop van vijf jaren nadat de schuldeiser (in dit geval de Vereniging) zowel met de onverschuldigdheid van zijn prestatie (de betaling) als met de persoon van de ontvanger ([D]) op de hoogte is gekomen. De vraag wanneer de schuldeiser bekend is met het bestaan van de vordering en met de persoon aan wie onverschuldigd is betaald moet subjectief worden beoordeeld, in die zin dat de schuldeiser werkelijk bekend moet zijn met het bestaan van zijn vordering en de persoon van de ontvanger.

8. Vast staat dat de betreffende betalingen tussen 31 maart 2008 en 15 mei 2008 door (het bestuur van) de Vereniging aan [D] zijn verricht. Ook staat vast dat de Vereniging de vordering uit onverschuldigde betaling méér dan vijf jaren nadien heeft ingesteld en dat de Vereniging daarvoor geen stuitingshandelingen heeft verricht. Naar het oordeel van het hof is de Vereniging daarom met deze vordering te laat.

9. Het verweer van de Vereniging dat de betalingen in 2008 werden verricht door het oude bestuur van de Vereniging en dat het huidige bestuur van de Vereniging pas later (namelijk in 2009) bekend raakte met de vordering, gelet op het onrechtmatige karakter van de betalingen, wordt verworpen. Voor zover de Vereniging hiermee heeft willen betogen dat de subjectieve bekendheid van het huidige bestuur bepalend is voor de aanvang van de verjaringstermijn van deze vordering van de Vereniging, berust dit betoog op een onjuiste rechtsopvatting. Niet het bestuur is ‘de schuldeiser/betaler’ in voormelde zin, maar de Vereniging. Zo er sprake is geweest van onverschuldigde betaling, moet de Vereniging op dat moment daarvan in dit geval de subjectieve bekendheid hebben gehad. Er zijn althans geen feiten of omstandigheden gesteld om hier anders over te oordelen. Het hof merkt in dit verband voor de volledigheid op dat de Vereniging in ieder geval niet heeft aangevoerd dat het oude bestuur niet bekend was met de vordering en de persoon van de ontvanger.
De omstandigheid dat later andere natuurlijke personen het bestuur van de Vereniging zijn gaan vormen, betekent niet dat deze subjectieve bekendheid dan pas aan de Vereniging kan worden toegerekend. Een andere rechtsopvatting zou bovendien als onlogische consequentie hebben dat de aanvang van een verjaringstermijn bij rechtspersonen volstrekt ongewis is.

10. De conclusie is dan ook dat de vordering uit onverschuldigde betaling is verjaard en moet worden afgewezen. Ditzelfde geldt overigens ook ingevolge artikel 3:310 BW, mocht de Vereniging bedoeld hebben om haar vordering subsidiair te baseren op ongerechtvaardigde verrijking (zie conclusie van eis in reconventie § 46). Overigens verdient in verband met dit laatste opmerking dat een vordering van deze strekking in het geheel niet is onderbouwd.
Tussenconclusie.

11. Uit het voorgaande vloeit voort dat omtrent de vordering van [P] over het parkonderhoud (zaak II) nog getuigen moeten worden gehoord. Omtrent de overige vorderingen (zaak I) zal thans reeds worden beslist bij eindarrest. Het hof is zich ervan bewust dat hiermee een deelarrest wordt gewezen, hetgeen gevolgen heeft voor de cassatietermijnen. Toch wordt dit zinvol geacht, mede gelet op de ter comparitie gebleken precaire financiële positie van de Vereniging. In deze situatie kan [P] (h.o.d.n. Haegestate Onderhoud) bij zichzelf te rade gaan of het zinvol is om verder te procederen in zaak II.
Slotsom

12. Beslist zal worden als na te melden.
De Vereniging geldt als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in zaak I. Zij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Het hof zal slechts de helft van het gebruikelijke tarief berekenen voor de comparitie van partijen en het schriftelijk pleidooi in zaak I in hoger beroep, aangezien de zaken I en II in dat stadium gevoegd zijn behandeld. Voor de memorie van grieven geldt een heel punt, nu in zaak I sprake is geweest van een aparte memorie. In totaal komt het hof dus op twee punten in hoger beroep.


Beslissing

Het hof:

In zaaknummer : 200.150.645 (zaak I)
zaak-rolnummer rechtbank : 2074962 \ CV EXPL 13-321

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 31 januari 2014,

en opnieuw rechtdoende:

- veroordeelt de Vereniging om aan [D] te betalen een bedrag van € 5.620,44, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 april 2013 (wegens energieleveranties);

  • -

    wijst af het door partijen meer of anders gevorderde;

  • -

    veroordeelt de Vereniging in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [D] tot op 31 januari 2014 in conventie begroot op € 76,71 aan kosten uitbrenging inleidende dagvaarding, € 448,-- aan griffierecht en € 1.000,-- aan salaris gemachtigde;

  • -

    veroordeelt de Vereniging in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [D] tot op heden begroot op € 77,52 aan kosten uitbrenging appeldagvaarding,
    € 704,-- aan griffierecht en € 1264,-- aan salaris advocaat;

  • -

    verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

In zaaknummer : 200.150.648 (zaak II)
zaak- en rolnummer rechtbank : 2074922 \ CV EXPL 13-319

  • -

    laat [P] toe tot bewijslevering, zoals in rechtsoverweging 4 overwogen;

  • -

    bepaalt dat, indien [P] getuigen wil doen horen, de getuigenverhoren zullen worden gehouden in een der zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te
    Den Haag ten overstaan van de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. M.A.F. Tan-de Sonnaville op woensdag 23 maart 2016 te 14.00 uur;

  • -

    bepaalt dat, indien één der partijen binnen veertien dagen na heden, onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen en de te horen getuigen in de maanden maart tot en met mei van 2016, opgeeft dan verhinderd te zijn, de raadsheer-commissaris (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor de getuigenverhoren zal vaststellen;

  • -

    verstaat dat het hof reeds beschikt over een kopie van de volledige procesdossiers in eerste aanleg en in hoger beroep, inclusief producties, zodat overlegging daarvan voor het getuigenverhoor niet nodig is;

  • -

    houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, M.Y. Bonneur en M.P.J. Ruijpers en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 februari 2016 in aanwezigheid van de griffier.