Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:1577

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-04-2016
Datum publicatie
03-06-2016
Zaaknummer
200.168.708/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Nalatenschap. Omvang legitieme. Executiegeschil met betrekking tot een vonnis waarbij de executeur in de nalatenschap (de broer) stukken diende te verstrekken aan de legitimaris (de zus) om de omvang van de boedel per datum overlijden te kunnen bepalen. Executie van dwangsommen. Opheffing gelegde beslagen. Vraag of aan vonnis is voldaan. Rol rechter executiegeschil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2016-0126
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel, team familie

Zaaknummer : 200.168.708/01

Rol-/zaaknummer rechtbank : C/10/469859 / KG ZA 15-145

arrest d.d. 12 april 2016

inzake

[de broer] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant, tevens incidenteel geïntimeerde,

hierna te noemen: [de broer] ,

advocaat: mr. P.G. Knoppers te Utrecht,

tegen

[de zus] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde, tevens incidenteel appellante,

hierna te noemen: [de zus] ,

advocaat: mr. M.E.L. Klein te Rotterdam.

Het geding

Bij exploot van 31 maart 2015 is [de broer] in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 4 maart 2015 tussen partijen gewezen.

Bij memorie van grieven heeft [de broer] zeven grieven geformuleerd en zijn eis gewijzigd.

[de zus] heeft bij memorie van antwoord de grieven weersproken. Tevens heeft zij incidenteel appel ingesteld.

[de broer] heeft een memorie van antwoord in incidenteel appel genomen.

[de broer] heeft een akte, tevens akte overlegging productie genomen.

[de zus] heeft nog een antwoordakte genomen.

Partijen hebben hun procesdossier gefourneerd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Tegen de feiten zoals opgenomen in het bestreden vonnis onder 2. zijn geen grieven gericht, zodat het hof van deze feiten uitgaat. In hoger beroep is met name van belang dat partijen broer en zus zijn. Hun moeder is in 2009 overleden. [de broer] is enig erfgenaam. Tussen partijen is de omvang van de legitieme portie van [de zus] in geschil.

2. Door [de broer] wordt gevorderd dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en – opnieuw rechtdoende - [de zus] verbiedt (verdere) executiemaatregelen jegens [de broer] te treffen op grond van het tussen haar en [de broer] gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam d.d. 6 augustus 2014 en de executie ter zake te staken totdat de rechtbank Rotterdam eindvonnis heeft gewezen in de (bodem) procedure bekend onder rol-/zaaknummer C/10/369726 HA ZA 11-9 en dit eindvonnis in kracht van gewijsde is gegaan, en [de zus] veroordeelt tot terugbetaling van hetgeen zij uit hoofde van de door haar jegens [de broer] genomen executiemaatregelen heeft verkregen, met veroordeling van [de zus] in de kosten van beide instanties.

3. [de zus] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.

In het incidenteel appel heeft zij gevorderd het vonnis te vernietigen ten aanzien van de bepaling dat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt en [de broer] te veroordelen tot betaling van de kosten van de procedure in eerste aanleg en - in het principaal en het incidenteel appel - [de broer] te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding in hoger beroep.

4. In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [de broer] , die ertoe strekten [de zus] te verbieden (verdere) executiemaatregelen te nemen op grond van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 6 augustus 2014, waarbij [de broer] op straffe van een dwangsom was veroordeeld bescheiden, waaronder een boedel-beschrijving, en informatie over de waarde van een appartementsrecht in [plaatsnaam] aan [de zus] te verstrekken, afgewezen.

5. In een executiegeschil als het onderhavige, waarbij het erom gaat of dwangsommen zijn verbeurd omdat een rechterlijk bevel tot nakoming niet of onvoldoende is nageleefd, heeft de rechter niet tot taak de door de bodemrechter besliste rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen, maar dient hij zich ertoe te beperken de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij dient de rechter doel en strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen in dier voege dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel.

6. [de broer] voert in zijn eerste grief aan dat de voorzieningenrechter voor dit executiegeschil weliswaar het juiste toetsingskader toepast, maar hij bestrijdt de uitleg die de voorzieningenrechter heeft gegeven aan de door hem aan [de zus] in het kader van genoemd bevel te verstrekken stukken. [de broer] stelt zich op het standpunt dat hij niet gehouden was een boedelbeschrijving te verstrekken die voldeed aan de eisen van artikel 674 Rv. nu zijn verplichting tot het geven van inlichtingen was gebaseerd op artikel 4:78 lid 1 BW. Met het verstrekken van de map met stukken op 12 september 2014 aan [de zus] heeft [de broer] dan ook aan zijn verplichting uit het vonnis van 6 augustus 2014 voldaan.

7. [de broer] is bij genoemd vonnis in de bodemprocedure veroordeeld tot – onder meer – het verstrekken aan [de zus] van een boedelbeschrijving per datum overlijden met verificatoire stukken, bewijsstukken van alle in het verleden gedane schenkingen en giften aan afstammelingen en derden, en bewijsstukken van leningen aan afstammelingen en eventuele aflossingen op deze leningen en betalingen van rente op deze leningen. De vraag of de bodemrechter aan [de broer] een verdergaande verplichting heeft opgelegd dan op grond van artikel 4:78 BW mogelijk of aangewezen zou zijn is in dit executiegeschil niet aan de orde. De bodemrechter heeft beslist op de vraag welke stukken [de zus] voor de berekening van haar legitieme portie nodig heeft en heeft in dat kader [de broer] verplicht een boedelbeschrijving met verificatoire stukken te verstrekken. Onder een boedelbeschrijving kan in dit verband niets anders worden verstaan dan een stuk dat – in ieder geval – een korte beschrijving van alle tot de boedel behorende goederen en schulden en een opgave van de tot de boedel behorende geldsommen bevat. De voorzieningenrechter heeft terecht geoordeeld dat de map die [de broer] op 12 september 2014 aan [de zus] heeft verstrekt die korte beschrijving en die opgave per datum overlijden van erflaatster niet bevat. Het betoog van [de broer] dat, nu hij een particulier is die juridisch niet is onderlegd, aan de door hem opgestelde boedelbeschrijving niet de wettelijke vereisten kunnen worden gesteld, gaat niet op. De verplichting tot het verstrekken van informatie over de boedel was onderwerp van een juridische procedure (geweest), waarin [de broer] bijstand van een advocaat had. [de broer] was gehouden naar behoren gevolg te geven aan de veroordeling en het lag op zijn weg, bij twijfel hierover, juridisch advies in te winnen.

Het feit dat [de broer] nadat het bestreden vonnis is gewezen alsnog met behulp van een notaris een - gewijzigde - boedelbeschrijving heeft opgesteld is niet relevant voor de vraag of de aangezegde dwangsommen over de periode tot 29 januari 2015 terecht zijn verbeurd. Overigens heeft [de zus] aangegeven geen aanspraak te (zullen) maken op ná deze datum verbeurde of te verbeuren dwangsommen. De eerste grief faalt.

8. De tweede grief is eveneens gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat niet voldaan is aan de veroordeling tot het overleggen van een boedelbeschrijving, waar hij overweegt dat in genoemde map stukken zijn opgenomen met betrekking tot de schuld van erflaatster aan [de broer] die zonder nadere toelichting niet concludent zijn. Niet valt in te zien op welke wijze de voorzieningenrechter hiermee in het partijdebat in de bodemprocedure zou zijn getreden, zoals door [de broer] wordt betoogd. Door [de broer] is niet bestreden dat een toelichting nodig is om uit de stukken te kunnen afleiden of een schuld van erflaatster aan hem bestaat en wat de hoogte daarvan is. Daaruit volgt eveneens dat de map niet voldoet aan de aan een boedelbeschrijving te stellen eisen. Ook deze grief faalt.

9. Ook de derde grief, die zich richt tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de saldi van de bankrekeningen niet op de juiste wijze zijn opgenomen, passeert het hof. [de broer] was ook gehouden opgave te doen van de saldi van de bankrekeningen per datum overlijden, met verificatoire stukken. Een volledige opgave ontbreekt. Dat saldi mogelijk te herleiden zijn uit in de map wel opgenomen stukken doet hier niet aan af. Door [de broer] is bovendien erkend dat een afschrift met betrekking tot een rekening ABN Groeigemak ontbreekt in de map, nu hij stelt dat dit in een eerder stadium aan [de zus] zou zijn toegezonden. Ook daarom is de map derhalve incompleet.

10. De vierde grief heeft, naast de drie hiervoor besproken grieven geen zelfstandige betekenis.

11. Met de vijfde grief beroept [de broer] zich erop dat hij door de gelegde beslagen volledig van zijn bestaansmiddelen is afgesneden, dat deze beslagen buitenproportioneel zijn en dat [de zus] zich schuldig maakt aan misbruik van recht door dwangsommen te incasseren.

12. Dat [de broer] door de executie van dwangsommen in een financiële noodtoestand komt te verkeren is naar het oordeel van het hof door hem onvoldoende onderbouwd. Ter onderbouwing van zijn stelling dat het beslag op buitenproportionele wijze wordt toegepast, voert hij aan dat de dwangsommen in geen verhouding staan tot de zwaar negatieve nalatenschap en de legitieme portie, die nihil is. Dit staat echter geenszins vast, daarover strijden partijen nu juist in de bodemprocedure. Het hof is evenmin gebleken van misbruik van recht. [de broer] voert in dit kader opnieuw aan dat hij aan de veroordeling zou hebben voldaan, hetgeen in het vorenstaande door het hof is weerlegd.

12. De zesde grief is niet gericht tegen een dragende overweging in het vonnis, zodat het hof daaraan voorbij gaat. In de zevende grief wordt een kennelijke verschrijving aan de orde gesteld; deze grief kan niet tot vernietiging leiden.

13. Gelet op het karakter van deze procedure is daarin geen plaats voor bewijslevering, zodat het hof eveneens het bewijsaanbod van [de broer] zal passeren.

14. Het hof gaat voorbij aan de opmerking van [de zus] dat in het kader van de devolutieve werking van het appel het hof dient te oordelen over de overwegingen van de voorzieningenrechter met betrekking tot de veroordeling van [de broer] informatie over de waarde van het appartementsrecht in [plaatsnaam] aan [de zus] te verstrekken. Zoals door [de zus] erkend betreffen dit echter overwegingen ten overvloede, zoals de rechtbank ook aangeeft, waartegen bovendien door [de zus] in het incidenteel beroep geen grieven zijn gericht. Deze overwegingen liggen derhalve niet aan het hof ter beoordeling voor.

Proceskosten

15. De geschillen tussen partijen houden verband met de afwikkeling van de nalatenschap van hun moeder. Partijen hebben een familierelatie met elkaar. Gebruikelijk is de proceskosten in dergelijke zaken te compenseren, zoals de voorzieningenrechter in eerste aanleg, naar het oordeel van het hof op juiste gronden, heeft gedaan. Het incidentele appel van [de zus] zal derhalve worden afgewezen. Het hof ziet geen aanleiding om ten aanzien van de proceskosten in hoger beroep anders te beslissen, zodat deze eveneens zullen worden gecompenseerd.

Beslissing in het principaal en incidenteel beroep

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

bepaalt dat ieder van partijen de eigen kosten in hoger beroep draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.M. Warnaar, P.B. Kamminga en I. Obbink-Reijngoud en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 april 2016 in aanwezigheid van de griffier.