Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:1569

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
14-06-2016
Datum publicatie
21-07-2016
Zaaknummer
200.161.984/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

KB Lux-zaak; veroordeling tot verschaffing informatie over buitenlands vermogen ogv art 47 Awr op straffe van verbeurte van een dwangsom

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.161.984/01

Zaak/rolnummer rechtbank : C/09/465388/KG ZA 14-540

Arrest d.d. 14 juni 2016

inzake

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante in principaal appel.

geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. M.H.H. Emmen te Tilburg,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Financiën),

zetelend te Den Haag,

geïntimeerde in principaal appel,

appellant in incidenteel appel,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. W.I. Wisman te Den Haag.

Het geding

Bij appelexploot van 28 juli 2014, hersteld bij exploot van 15 december 2014, heeft [appellante] appel ingesteld tegen het door de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag op 11 juli 2014 tussen partijen gewezen vonnis. De Staat heeft vervolgens op 22 december 2014 een anticipatie-exploot uitgebracht. Bij memorie van grieven (met producties) van 12 mei 2015 heeft [appellante] twee grieven tegen het vonnis aangevoerd. De Staat heeft die grieven bij memorie van antwoord in principaal appel (met producties) van 24 november 2015 bestreden en in incidenteel appel één grief aangevoerd, welke grief [appellante] bij memorie van antwoord in incidenteel appel van 19 januari 2016 heeft bestreden. Partijen hebben hun zaak doen bepleiten op 19 mei 2016, [appellante] door mr. A.J. van den Hoven (kantoorgenoot van mr. Emmen voornoemd) en de Staat door mr. Wisman voornoemd, beiden aan de hand van pleitnotities. Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd. Arrest wordt gewezen op basis van de ten behoeve van het pleidooi overgelegde stukken.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De in het bestreden vonnis onder 1. vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Met inachtneming van deze feiten en van hetgeen overigens uit de stukken als niet (voldoende) gemotiveerd weersproken naar voren is gekomen, gaat het in deze zaak om het volgende.

1.1.

De Belastingdienst heeft in 2000 van de Belgische autoriteiten fotokopieën van afgedrukte microfiches verstrekt gekregen, welke microfiches afkomstig zijn uit de interne administratie van de Kredietbank Luxembourg (hierna ook: de KBL of de KB Lux). Op de microfiches zijn saldi vermeld op rekeningen die Nederlandse ingezetenen aanhielden bij de KBL per 31 januari 1994. Aan de hand van de microfiches heeft de Staat onderzoek gedaan naar de identiteit van de rekeninghouders.

1.2.

Op de renseignementen die de Belastingdienst in zijn bezit heeft staat als rekeninghouder van drie rekeningen genoemd “[X]”. Het gaat om een vue-rekening met een negatief saldo van BFR 6.332,- en om twee termijndeposito’s met een saldo van BFR 4.269.506,- respectievelijk NLG 320.477,77, steeds per 31 januari 1994. Op 15 juli 2005 heeft de Belastingdienst een proces-verbaal van identificatie opgesteld. Hierin heeft de verbalisant van de Belastingdienst ten aanzien van de KBL-rekening met nummer [***] onder meer het volgende gerelateerd:

“(…)

1. Op de afdrukken van de microfiches van de KB Lux komt onder meer voor de naam:

[X] .

2. Uit eerder onderzoek naar rekeninghouders van de KB Lux is komen vast te staan dat indien deze notatiewijze wordt gehanteerd er volgens de systematiek van de KB Lux sprake is van gehuwden, in casu: [X], gehuwd met [appellante].

3. Uit de match van het cliëntenbestand KB Lux met het BVR-bestand [het Beheer van Relaties-bestand van de Belastingdienst, hof] komt één hit voor, waarbij [X] de partner is van [appellante]. Dit is [X], geboren op (…), met sofinummer (….), gehuwd met [appellante], geboren op (…), met sofinummer (…).

4. Uit de match van het BVR-bestand met het RDW-bestand zie ik dat de voornaam van [X] is: Hendrik.

(…)

1.3.

In het dossier bevindt zich een brief van de KBL van 10 januari 2014, waarin de KBL ingaat op de door haar gehanteerde notatiewijze van rekeninghouders. De brief vermeldt onder meer het volgende:

“(…) a dash (-) or the word “ou” between two different surnames in the account name refers to an account held by two persons with the same rights on the account (joint-account holders). (…)”

1.4.

De echtgenoot van [appellante] is op 28 mei 1999 overleden.

1.5.

De KBL-rekening met nummer [***] is op verzoek van [appellante] op 29 maart 2000 opgeheven.

1.6.

Vanaf 2002 is [appellante] meermalen door de Belastingdienst aangeschreven met het verzoek dan wel de sommatie om opgave te doen van (het verloop van) de door haar aangehouden buitenlandse bankrekening(en). De verplichting om dergelijke informatie te verstrekken vloeit voort uit artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr).

1.7.

Bij brief van 17 april 2014 aan [appellante] heeft (de advocaat van) de Belastingdienst verwezen naar de vanaf 2002 gedane verzoeken om informatie over de door [appellante] (al dan niet in het verleden) aangehouden buitenlandse bankrekeningen en heeft de Belastingdienst [appellante] gesommeerd om uiterlijk 1 mei 2014 aan haar informatieplicht te voldoen.

1.8.

Op 12 mei 2014 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de Belastingdienst enerzijds en [appellante] en haar toenmalige raadsman anderzijds. In dit gesprek heeft laatstgenoemde toegezegd dat [appellante] de KBL schriftelijk om informatie zou verzoeken.

1.9.

Op 16 mei 2014 heeft de Staat het onderhavige geding bij dagvaarding ingeleid en daarin de vorderingen ingesteld, zoals hieronder weergegeven onder 2.

1.10.

Bij brief van 28 mei 2014 aan de KBL heeft [appellante] verzocht haar een verklaring toe te sturen waarin is vermeld wanneer de KBL-rekening [***] ten name van [X] is geopend en wanneer deze is gesloten.

1.11.

Bij brief van 5 juni 2014 aan de toenmalige raadsman van [appellante] heeft de Belastingdienst onder meer geschreven dat het hierboven genoemde verzoek van 28 mei 2014 onvolledig is en dat moet worden overgelegd een kopie van het formulier “Verzoek tot opheffing van een rekening” ten aanzien van de rekening met nummer [***] en dat [appellante] zo nodig om toezending van dit formulier moet verzoeken. Daarnaast heeft de Belastingdienst aan [appellante] verzocht om bij de KBL op te vragen, zakelijk weergegeven, een overzicht van de bankrekeningen tot welke [appellante] en wijlen haar echtgenoot bij de KBL, op eigen naam of op beider naam of door middel van een en/of rekening (mede-)gerechtigd zijn (geweest) onder welke (pseudo-)naam dan ook in de (deel)periode 1990-2014.

1.12.

Bij brief van 12 juni 2014 heeft de KBL aan [appellante] onder meer het volgende laten weten:

“Het is volgens de Luxemburgse wettelijke bepalingen inzake de archivering van documenten vereist dat het cliëntendossier alsmede de financiële gegevens van een rekening (de “Gegevens”) bewaard worden voor een minimale duur van tien jaar met ingang van respectievelijk (i) de sluiting van de genoemde rekening of (ii) de datum van uitvoering van de betreffende financiële transactie.

Hieruit vloeit voort dat, behoudens een speciale beslissing of een fout, het informaticasysteem van KBL regelmatig overgaat tot de vernietiging van de Gegevens. Wij kunnen u bevestigen dat grondig onderzoek in onze systemen heeft aangetoond dat dit het geval was bij bovengenoemde Rekening [rekening [***], hof] en dat alle Gegevens zijn vernietigd, inclusief de identiteit van de titularis van deze Rekening.”

1.13.

Bij brief van 13 juni 2014 heeft de KBL aan [appellante] geschreven dat zij, indien [appellante] dit wenst en dit aan de KBL kenbaar maakt onder overmaking van een bedrag van € 25,- ter vergoeding van de te maken kosten, kan overgaan tot een volledig onderzoek in haar systemen teneinde te controleren of de informatie met betrekking tot bankrekening [***] nog geheel of deels toegankelijk is.

1.14.

Bij brief van 14 juni 2014 aan de KBL heeft [appellante] verzocht om de informatie als omschreven in de hierboven vermelde brief van de Belastingdienst van 5 juni 2014.

1.15.

Op 11 juli 2014 is het bestreden vonnis gewezen, waarbij de vorderingen van de Staat werden toegewezen en [appellante] werd bevolen de verzochte informatie aan de Belastingdienst te verstrekken. In r.o. 3.13. van het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter het volgende overwogen:

“(…) Bij de vraag hoe de dan gevorderde dwangsom zich verhoudt tot de mogelijke reikwijdte van het gebruik van de onder druk van de dwangsom verkregen gegevens sluit de voorzieningenrechter aan bij hetgeen de Hoge Raad overweegt in het arrest van 12 juli 2013 (NJ 2013/435, r.o. 3.9.). Daar is uitgemaakt dat wilsafhankelijk materiaal dat door de belastingplichtige ingevolge het bevel van de voorzieningenrechter is verstrekt niet mag worden gebruikt voor fiscale beboeting of strafvervolging van de belastingplichtige en dat het aan de belastingrechter of de strafrechter is om, als dat toch gebeurt, te bepalen welk gevolg aan dit gebruik moet worden verbonden. (…)”

1.16.

Op 16 juli 2014 heeft [appellante] € 25,- overgemaakt aan de KBL, zoals vermeld in de brief van de KBL van 13 juni 2014.

1.17.

Op 24 juli 2014 heeft [appellante] de “Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” en “Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” ingevuld. Zij heeft daarmee verklaard dat zij na 31 januari 1994 de KBL-rekening met nummer [***] heeft aangehouden, dat deze rekening door wijlen haar echtgenoot is geopend (de datum van opening is niet ingevuld) en op 29 maart 2000 is opgeheven en dat het huidig saldo nihil is. Alle overige informatierubrieken – onder meer omtrent (data en hoogte van) crediteringen en debiteringen – zijn niet ingevuld.

1.18.

Bij brief van 26 januari 2015 heeft de belastingadviseur van [appellante] aan de Belastingdienst onder meer het volgende geschreven:

“(…)

* Vanaf het overlijden van de man van [appellante] in 1999 is [appellante] bekend met de bankrekening [***] bij de Kredietbank Luxembourg.

* Het klopt inderdaad dat [appellante] tot het overlijden van haar man niet op de hoogte was van het bestaan van deze bankrekening.

* Het klopt dat de bankrekening in het jaar 2000 is gesloten.

* Het klopt niet dat de saldi van de bankrekening bij de KBL ten tijde van het sluiten van deze rekening (ca € 50.000) is besteed aan de nieuwbouw van een eigen woning (…). Het restant van de rekening ten tijde van het sluiten van deze rekening is besteed aan consumptieve uitgaven. (…)

In het bijgevoegde bijlage geven wij u, vanaf het jaar 1999 (datum overlijden van de man van [appellante]) tot en met heden, de opbouw van het vermogen van [appellante] en de besteding daarvan. (…..)”

1.19.

Bij e-mails van 15 februari 2015 en 27 februari 2015 heeft de belastingadviseur van [appellante] inlichtingen verschaft aan de Belastingdienst ten aanzien van een geldlening van [appellante] aan haar zoon in 2003.

1.20.

Naar aanleiding van deze informatie heeft op 19 maart 2015 een gesprek plaatsgevonden tussen de Belastingdienst en [appellante] waarin is meegedeeld dat [appellante] nog steeds onvoldoende heeft gedaan om haar informatieverplichting na te komen.

1.21.

Naar aanleiding van deze bespreking heeft de Belastingdienst aan de belastingadviseur van [appellante] bij e-mail van 25 maart 2015 verzocht om in elk geval de volgende informatie te verstrekken: a) de originele brief van de KBL als reactie op de betaling van € 25,- (zie hierboven onder 1.13 en 1.16) b) stukken ten aanzien van de overboeking van het restantsaldo van de KBL-rekening naar de Rabobank en c) informatie van de bankrekening uit het dossier van de voormalige raadsman. Ook verzoekt de Belastingdienst uitleg (met tijdpad) omtrent de gang van zaken tussen het overlijden van de echtgenoot van [appellante] in mei 1999 en het sluiten van de KBL-rekening in maart 2000. Voorts staat in de e-mail: “Mevrouw [appellante]-[appellante] deelde mee dat zij telefonisch contact heeft opgenomen in 2000 met de KBL waarna een overboeking heeft plaatsgevonden van het restant van de saldi van de bankrekening. Ik kan mij niet voorstellen dat een bank een telefonisch verzoek tot overboeking van enig saldo van een “telefonisch onbekende” inwilligt. Graag ontvang ik uitgebreide uitleg hoe de sluiting alsmede de (opdracht tot) overboeking heeft plaatsgevonden. (…)”.

Bij e-mail van 8 april 2015 is dit verzoek herhaald.

1.22.

Bij brief van 9 april 2015 aan de KBL heeft [appellante], onder verwijzing naar de brief van de KBL van 13 juni 2014 en haar overboeking van € 25,- op 16 juli 2014, onder meer het volgende geschreven:

“Na instelling van het onderzoek heb ik de resultaten hiervan per brief van u mogen ontvangen. Per abuis is deze brief echter verloren gegaan. Middels deze brief verzoek ik u om mij een duplicaat toe te zenden van voornoemde brief (…)”.

1.23.

Bij brieven van 1 mei 2015 en 23 juni 2015 aan de KBL heeft [appellante] dit verzoek herhaald.

1.24.

Bij brief van 30 juli 2015 aan [appellante] heeft de KBL onder meer het volgende geschreven:

“Zoals wij reeds aangaven, kunnen wij niet meer bevestigen dat u titularis van de rekening Nr. – [***] – was. Om die reden verzoeken wij u, indien u nog in bezit bent van een door onze instelling opgesteld document waarmee dit verband gelegd kan worden (d.w.z. met vermelding van uw naam en rekeningnummer, zoals hierboven vermeld), dit aan ons te doen toekomen. (…) Als wij (….) van mening zijn dat het document voldoende overtuigend bewijs levert van het rekeninghouderschap, zullen wij aanvullend onderzoek doen en u van de uitkomst hiervan op de hoogte stellen.”

1.25.

Bij brief van 25 september 2015 heeft [appellante] aan de KBL geschreven dat zij niet meer in het bezit is van documenten als door de KBL bedoeld in haar brief van 30 juli 2015 en heeft zij de KBL dringend verzocht om haar een duplicaat toe te sturen van de resultaten van het aanvullende onderzoek naar de historiek van bankrekening [***] over de periode van 1990 tot en met 2014. [appellante] heeft daarbij vermeld dat zij graag bereid is eventuele aanvullende kosten te vergoeden.

1.26.

Bij brief van 5 oktober 2015 heeft de KBL geantwoord dat zij in dat geval de gevraagde historiek niet kan doen toekomen.

1.27.

Bij brief van 14 december 2015 heeft de huidige raadsman van [appellante], mr Emmen voornoemd, de KBL onder meer geschreven dat het niet geloofwaardig is dat de KBL de gevraagde informatie niet kan toesturen omdat een bankrekeningnummer ontbreekt. De brief bevat voorts een sommatie tot het verstrekken van de verzochte informatie en een aansprakelijkstelling voor het geval niet aan de sommatie wordt voldaan.

1.28.

In reactie hierop heeft de KBL bij brief van 16 februari 2016 onder meer geschreven:

“Voor wat betreft de rekening met nummer 600900 [het hof neemt aan dat bedoeld is rekeningnummer [***]] (de “Rekening”) blijkt dat met name de identiteit van de rekeninghouder is vernietigd.

De Luxemburgse wetgeving met betrekking tot het bankgeheim impliceert voor KBL dat zij de informatie over een rekening slechts kan doorgeven aan de rekeninghouder of aan diens rechthebbenden. (…)

In het geval van [appellante] heeft KBL, zoals bij wet toegestaan, elke naamsverwijzing met betrekking tot de rekening definitief verwijderd. KBL kan derhalve onmogelijk bevestigen of ontkennen dat [appellante] rekeninghouder is geweest. Echter, teneinde het voor [appellante] mogelijk te maken de gewenste informatie te verkrijgen, heeft KBL haar, in een schrijven van 30 juli 2015, voorgesteld te bewijzen dat zij rekeninghouder was, middels het voorleggen van een door KBL uitgegeven document, waarop haar naam in combinatie met het rekeningnummer staat vermeld (bijv. een rekeninguittreksel, post gericht aan de Rekeninghouder, enz.). Maar op 25 september 2015 heeft [appellante] ons laten weten over geen enkel document van dit type te beschikken. Dientengevolge is noch KBL, noch [appellante] in staat om de identiteit van de Rekeninghouder vast te stellen.

Onder deze omstandigheden kan KBL geen gevolg geven aan uw verzoek (…)”

2. De Staat heeft bij inleidende dagvaarding gevorderd een bevel aan [appellante] om:

  1. op het formulier “Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” te verklaren welke buitenlandse bankrekening(en) [appellante] na 31 januari 1994 bij de KBL – en eventuele andere buitenlandse banken – heeft aangehouden dan wel nog aanhoudt;

  2. opgaaf te doen van de onder 1) bedoelde buitenlandse rekening(en) van [appellante] door middel van het beantwoorden van de vragen op het formulier “Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” en het verstrekken van de op laatstgenoemd formulier vermelde bescheiden, waaronder kopieën van alle afschriften van de desbetreffende buitenlandse bankrekening(en) over de periode 1994-heden, daaronder begrepen, indien van toepassing, bewijs van de opheffing van de bankrekening(en), alsmede schriftelijk bewijs van de bestemming van het saldo dan wel de saldi na opheffing;

  3. een mondelinge toelichting te geven op de onder 1) en 2) omschreven gegevens, inlichtingen en/of verklaringen binnen een door de inspecteur nader te bepalen termijn;

  4. binnen zeven dagen na het te wijzen vonnis, dan wel binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn, aan het onder 1) en 2) omschreven bevel en binnen de door de inspecteur nader te bepalen termijn aan het onder 3) omschreven bevel te voldoen, alles op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per dag of gedeelte van een dag dat [appellante] daarmee in gebreke blijft;

  5. met veroordeling van [appellante] in de kosten van deze procedure, met bepaling dat daarover de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na het te wijzen vonnis en met veroordeling in de nakosten, alsmede met verklaring dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal zijn.

3. Bij het bestreden vonnis zijn de vorderingen van de Staat toegewezen, met dien verstande dat [appellante] een termijn van 14 dagen in plaats van 7 dagen heeft gekregen om aan het bevel onder 1) en 2) te voldoen, dat aan de veroordeling een dwangsom is verbonden van € 500,- per dag in plaats van € 5.000,- per dag en dat de voorzieningenrechter de te verbeuren dwangsommen heeft gemaximeerd tot een bedrag van in totaal € 100.000,-.

4. [appellante] vordert in appel vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog afwijzing van de vorderingen van de Staat, met veroordeling van de Staat in de proceskosten inclusief nakosten. De Staat vordert in incidenteel appel vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog integrale toewijzing van zijn vorderingen. De Staat wil dat aan de veroordeling alsnog een dwangsom van € 5.000,- per dag wordt verbonden, zonder maximum, althans met een hoger maximum dan door de voorzieningenrechter bepaald.

Identificatie

5. Bij de behandeling van dit appel staat het volgende voorop.

Tussen partijen staat vast dat wijlen de heer [appellante] rekeninghouder was van (tenminste) een rekening bij de KBL (te weten rekening met nummer [***]). Door middel van het overleggen van het proces-verbaal van identificatie (zie r.o. 1.2.) en de brief van KBL van 10 januari 2014 (zie r.o. 1.3.) heeft de Staat voorts voldoende aangetoond dat [appellante] mede-rekeninghoudster was; [appellante] heeft daartegen onvoldoende ingebracht. Overigens geldt dat [appellante] ook als (voormalig) fiscaal partner van wijlen de heer [appellante] verplicht is tot informatieverschaffing als bedoeld in artikel 47 Awr.

Belang bij informatie en bescheiden vanaf 1994?Al het redelijkerwijs mogelijke reeds gedaan?

6. Met grief 1 betoogt [appellante], onder verwijzing naar enkele uitspraken, dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de Staat een gerechtvaardigd belang heeft bij het verkrijgen van de verzochte informatie. [appellante] wijst erop dat geen sprake mag zijn van een “fishing expedition” (vergelijk de conclusie AG bij HR 18/9/09, ECLI:NL:PHR:2009:BI5906). Volgens [appellante] moet de Belastingdienst per kalenderjaar aantonen waarom de verzochte informatie en bescheiden van belang zijn en is informatie over een bepaald jaar alleen dan relevant, indien over dat jaar nog belasting kan worden nagevorderd. [appellante] wijst erop dat de verplichtingen ex artikel 47 Awr e.v. aanvullende verplichtingen zijn en dat de inspecteur dus pas gebruik moet maken van zijn bevoegdheden op grond van deze artikelen, als de aangifte daartoe aanleiding geeft. Naar de mening van [appellante] is het verzoek om informatie vanaf 31 januari 1994 daarom onredelijk en disproportioneel en bovendien in strijd met de wet voor zover het verzoek verband houdt met belastingheffing ten aanzien van jaren waarvoor geen aangiften zijn ingediend. Met grief 2 voert [appellante] aan dat dit kort geding prematuur is omdat zij al met de Belastingdienst had afgesproken dat zij stukken zou gaan opvragen bij de KBL, hetgeen zij ook heeft gedaan. In elk geval heeft zij thans al het redelijkerwijs mogelijke gedaan om aan haar informatieplicht te voldoen. Dit is van belang, omdat de beoordeling in een kort geding ex nunc moet plaatsvinden. [appellante] stelt voorts dat zij pas na het overlijden van haar man in mei 1999 op de hoogte is geraakt van het bestaan van de KBL-rekening met nummer [***]. Volgens [appellante] beschikte zij niet uit eigen bezit over stukken betreffende die rekening en was zij geheel aangewezen op de stukken die zij na het overlijden van haar man heeft aangetroffen dan wel op de stukken die door haar kunnen worden opgevraagd. Onder verwijzing naar haar correspondentie met de KBL betoogt zij voorts dat zij heeft voldaan aan al hetgeen onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van haar gevergd kan worden om informatie los te krijgen bij die bank, en dat het niet aan haar te wijten is dat dit niet is gelukt. Haar aanbod om aan de Belastingdienst een volmacht te verstrekken om in haar naam bij de KBL de gewenste informatie zelf op te (doen) vragen is door de Belastingdienst van de hand gewezen. [appellante] wijst erop dat volgens de Hoge Raad (HR 21 mei 1976, NJ 1977, 73 Oosterhuis/Unigro) een schuldenaar niet kan worden veroordeeld tot nakoming van een verbintenis waarvan nakoming ten tijde van de veroordeling onmogelijk is geworden en dat dit ook geldt indien de schuldenaar zichzelf in die toestand heeft gebracht. Voorts merkt [appellante] op dat in een publicatie van de Rijksoverheid op internet particulieren wordt aangeraden hun administratie in elk geval 5 jaar te bewaren en dat mag worden aangenomen dat ten aanzien van buitenlands vermogen een bewaaradvies van 12 jaar geldt. Volgens [appellante] moet een burger op de juistheid van overheidsinformatie op internet kunnen vertrouwen. Met een beroep op artikel 6:89 BW en de eisen van redelijkheid en billijkheid stelt [appellante] tot slot dat de Staat veel eerder een kort geding had kunnen aanspannen.

7. De grieven falen. Op zich stelt [appellante] terecht (memorie van grieven onder 3.1.2. jo. algemene pleitaantekeningen eerste aanleg onder 54) dat vorderingen als de onderhavige niet toewijsbaar zijn voor zover zij onvoldoende zijn onderbouwd of een zogenoemde “fishing expedition” inhouden. Het is aan de Staat om voldoende aannemelijk te maken dat het gevorderde materiaal bestaat en dat [appellante] daarover de beschikking heeft of met de van haar redelijkerwijs te verwachten inspanning kan verkrijgen (zie de arresten van de Hoge Raad van 24 april 2015, o.a. ECLI:NL:HR:2015:1117 en 1130). Naar voorlopig oordeel van het hof is aan deze vereisten voldaan. Dat het fiscale heffingsbelang minder ver terug gaat, doet niets af aan het informatiebelang vanaf 1994. Uit hetgeen hierboven is overwogen volgt dat de gerechtvaardigde verdenking bestaat dat [appellante] op 31 december 1994 (mede) beschikte over één of meer buitenlandse rekening(en) met een aanzienlijk saldo. Gelet op de omvang van dat saldo kan informatie ten aanzien van het verloop van de rekening van belang zijn voor belastingheffing over de jaren erna, mede gelet op het feit dat aannemelijk is dat over het saldo rente vergoed werd en het feit dat een saldo niet in het niets verdwijnt. Niet uitgesloten is dan ook dat [appellante] ook in de jaren na 2002 over (een deel van) het vermogen van de KBL-rekening heeft beschikt, al dan niet, na overboeking, via een andere (Nederlandse of buitenlandse) rekening. De Staat heeft belang bij informatie hieromtrent.

8. De in art. 47 Awr neergelegde informatieplicht is niet gebonden aan termijnen en deze informatieplicht geldt dus in beginsel ook voor de jaren vanaf 1994. [appellante] heeft overigens ook niet aangevoerd dat zij vóór 2002 informatie over de bankrekening bij de KBL heeft vernietigd zonder dat zij zich ervan bewust hoefde te zijn dat die informatie mogelijk van belang zou kunnen zijn. Nu de eerste vragenbrief haar in 2002 heeft bereikt, moest zij zich in elk geval vanaf dat moment realiseren dat alle documenten relevant konden zijn in het kader van haar informatieplicht jegens de Belastingdienst. Reeds daarom kan zij niet aan de Belastingdienst tegenwerpen dat deze eerder een kort geding had moeten aanspannen, nog daargelaten dat de Belastingdienst er in redelijkheid voor mocht kiezen om prioriteit te geven aan de belastingplichtigen die erkenden een buitenlandse rekening te hebben (gehad) en pas in een later stadium de “ontkenners/weigeraars” in een civiel geding te betrekken. Van een disproportioneel of onredelijk verzoek is dan ook geen sprake.

9. Hierbij is ook van belang dat de echtgenoot van [appellante] reeds was overleden toen de eerste vragenbrief van de Belastingdienst in 2002 werd verstuurd. Zoals de Staat terecht heeft aangevoerd, was het dus van meet aan [appellante], als mede-rekeninghoudster en fiscaal partner, om de benodigde informatie te verschaffen. In zoverre verschilt de onderhavige zaak ook van de zaak die ten grondslag lag aan het door [appellante] aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 14 augustus 2015 (ECLI:NL:HR:2015:2168, zie pleitnota onder 13). [appellante] had naar voorlopig oordeel van het hof reeds direct na het overlijden van haar echtgenoot, toen zij naar eigen zeggen bekend raakte met het bestaan van de rekening, kunnen en moeten begrijpen dat informatie omtrent die rekening van belang zou kunnen zijn voor de Belastingdienst. Voor zover zij zich dat echter toen al niet realiseerde, moet dat voor haar in elk geval duidelijk zijn geweest vanaf 2002. Ook is zij al vanaf dat moment in de gelegenheid geweest om stukken op te zoeken en/of op te vragen bij de KBL; niet uitgesloten kan worden dat zij en/of haar toenmalige advocaat dat ook heeft/hebben gedaan. [appellante] heeft tijdens het pleidooi opgemerkt dat zij aanvankelijk geheel heeft vertrouwd op haar toenmalige advocaat, maar wat daar ook van zij, dit ontsloeg haar niet van haar eigen verplichtingen jegens de Belastingdienst.

10. Ook het verwijt dat dit kort geding prematuur is, slaagt niet. Afdoende is gebleken dat [appellante] ook na de inleidende dagvaarding niet al het redelijkerwijs mogelijke heeft gedaan om aan haar informatieplicht te voldoen. Zo heeft zij pas ná het bestreden vonnis de € 25,- gestort die nodig waren voor het aanvullende onderzoek door de KBL (zie r.o. 1.13, de brief van KBL van 13 juni 2014, resp. r.o. 1.16., de overboeking van € 25,- op 16 juli 2014) en heeft zij ook pas op 24 juli 2014 de in r.o. 1.17 bedoelde verklaring en opgaaf – en dan nog slechts voor een deel - ingevuld. Het aanbod van [appellante] om een volmacht te verschaffen om in haar naam informatie bij de KBL op te vragen, mocht de Staat in redelijkheid van de hand wijzen. Nog afgezien van de formele bezwaren die de Staat in dit verband heeft opgeworpen, geldt dat de informatieplicht op [appellante] rust en dat van de Staat niet kan worden verwacht dat hij namens rekeninghouders informatie gaat opvragen. Hoewel [appellante] vanaf 2015 duidelijk een coöperatievere houding heeft ingenomen, zijn tot op heden niet alle mogelijkheden om informatie te verschaffen uitgeput. Voorshands is het hof van oordeel dat [appellante] redelijkerwijs in staat moet worden geacht méér te doen dan zij tot nu toe heeft gedaan. Uit de brief van [appellante] van 9 april 2015 (zie r.o. 1.22.) blijkt dat de resultaten van het aanvullend onderzoek door KBL bij brief aan haar zijn toegestuurd en door haar zijn ontvangen, maar dat deze brief ‘per abuis is verloren gegaan’. Tijdens het pleidooi is van de kant van [appellante] verklaard dat die brief destijds waarschijnlijk aan haar toenmalige advocaat is gestuurd, dat de brief daar ook is opgevraagd, maar dat deze advocaat hem niet (meer) had. Het is het hof niet duidelijk hoe indringend dit verzoek aan de toenmalige advocaat is geweest; in het dossier bevinden zich in elk geval geen stukken hieromtrent. Voorts blijkt uit de brieven van de KBL aan [appellante] van 30 juli 2015, 5 oktober 2015 en 16 februari 2016 (zie hierboven onder 1.24, 1.26. en 1.28.) dat de KBL meer informatie kan verschaffen ten aanzien van rekening [***], of in elk geval nader onderzoek kan doen, indien [appellante] haar (mede)gerechtigdheid tot deze rekening kan aantonen. Naar voorlopig oordeel van het hof moet [appellante] in staat worden geacht om dit bewijs te leveren, althans moet zij in staat worden geacht hiervoor meer moeite te kunnen doen dan zij tot op heden heeft gedaan. Voor zover zij zelf al niet beschikt over een dergelijk bewijsstuk (zoals bijvoorbeeld een rekeningafschrift), heeft de Staat terecht opgemerkt dat het mogelijk is om het renseignement en het proces-verbaal van identificatie (samen met de brief van de KBL van 10 januari 2014, zie hierboven onder 1.3.) aan de KBL op te sturen. Hieruit volgt reeds dat, anders dan [appellante] heeft aangevoerd, van een (absolute) onmogelijkheid om aan de gevorderde veroordelingen te voldoen, geen sprake is.

11. Artikel 47 Awr strekt bovendien niet alleen tot het verstrekken van bankafschriften en dergelijke, maar omvat tevens de plicht tot het verstrekken van andere relevante bewijsstukken en het geven van een (mondelinge) toelichting. Daarbij kan gedacht worden aan een toelichting omtrent de gang van zaken in 1999, na het overlijden van de echtgenoot van [appellante], en omtrent de gang van zaken rond de opheffing van de KBL-rekening met nummer [***] in maart 2000. Volgens [appellante] is de rekening op haar telefonisch verzoek opgeheven en is het restantsaldo toen overgeboekt op een Rabo-rekening. Dat de Belastingdienst hierover nadere informatie wenst te ontvangen, acht het hof begrijpelijk.

12. Het hof concludeert uit het voorgaande dat voldoende grond bestaat voor een veroordeling op straffe van verbeurte van een dwangsom. Mocht de Staat in de toekomst overgaan tot het executeren van de dwangsommen, kan mettertijd desgewenst aan de executierechter de vraag worden voorgelegd of [appellante] (alsnog) al het redelijkerwijs mogelijke heeft gedaan om aan de veroordeling te voldoen.

Restrictie ten aanzien van gebruik van wilsafhankelijk materiaal

13. Het onderscheid tussen wilsafhankelijk en wilsonafhankelijk materiaal (welk onderscheid is terug te voeren op EHRM 17 december 1996, no. 43/1994/490/572, ECLI:NL:XX:1996:ZB6862, NJ 1997/699 inzake Saunders vs het Verenigd Koninkrijk) maakt dat de civiele rechter in een zaak als deze aan het door hem te geven bevel de – in beginsel algemeen geformuleerde – restrictie moet verbinden dat voor zover die veroordeling betrekking heeft op materiaal waarvan het bestaan van de wil van [appellante] afhankelijk is, het materiaal alleen gebruikt mag worden ten behoeve van de belastingheffing (zie HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640). De voorzieningenrechter heeft weliswaar aangesloten bij de overwegingen van de Hoge Raad omtrent de restrictie, maar heeft de restrictie niet in het dictum opgenomen. Het hof zal dit alsnog doen. Dit betekent niet dat het bestreden vonnis geheel vernietigd moet worden en dat [appellante] pas na ommekomst van een in dit arrest te geven nieuwe termijn dwangsommen kan verbeuren. De gedragingen die door de veroordeling worden bestreken veranderen immers niet (vergelijk HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:268). Voorts acht het hof van belang dat de Staat reeds bij inleidende dagvaarding heeft duidelijk gemaakt zich te conformeren aan voormelde uitspraak van de Hoge Raad van 12 juli 2013 (zie dagvaarding onder 9.1.3.-9.1.6) en dat de voorzieningenrechter in r.o. 3.13. van het bestreden vonnis (zie citaat hierboven onder 1.15.) ook heeft bevestigd dat eventueel te verkrijgen wilsafhankelijk materiaal alleen mag worden gebruikt ten behoeve van belastingheffing. Er was naar voorlopig oordeel van het hof dan ook redelijkerwijs voor [appellante] geen reden om te vrezen dat door haar te verstrekken wilsafhankelijk materiaal zou worden gebruikt voor andere, niet toegelaten doeleinden, zodat dit geen reden kon zijn om nog niet aan de door de voorzieningenrechter gegeven bevelen te voldoen. [appellante] heeft dat overigens ook niet aangevoerd.

Hoogte dwangsommen?

14. Met zijn enige incidentele grief wil de Staat bereiken dat de dwangsom per dag wordt verhoogd naar € 5.000,-, en dat daarbij geen, althans een hoger maximum wordt bepaald. Deze grief slaagt ten dele. Hierboven heeft het hof reeds overwogen dat [appellante] zich ook na de betekening van het bestreden vonnis onvoldoende heeft ingespannen om de gevraagde informatie te verschaffen. Het hof ziet daarin aanleiding de dwangsom voor de toekomst te verhogen naar € 2.500,- met een maximum van € 500.000,- zodat ook na de betekening van dit arrest een prikkel zal blijven bestaan voor [appellante] om aan de veroordeling te voldoen. Wel ziet het hof in de opvallend coöperatievere houding van [appellante] in de afgelopen periode aanleiding de hogere dwangsom en het hogere maximum pas te laten gelden na een termijn van twee maanden na betekening van dit arrest.

Conclusie

15. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd voor zover 1) de veroordelingen als weergegeven in het dictum onder 4.1. tot en met 4.5. zonder restrictie zijn gegeven en 2) de bepaling in het dictum onder 4.6. inhoudt dat de daar vermelde dwangsom van € 500,- per dag en het daar vermelde maximum van € 100.000,- ook gelden voor de periode na twee maanden na de betekening van dit arrest. In zoverre opnieuw rechtdoende zal het hof beslissen als hierna te melden. Voor het overige zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd.

16. Bij deze uitkomst past dat [appellante] als de (vrijwel geheel) in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in appel wordt veroordeeld, waaronder begrepen de (nog te maken) nakosten. Het hof zal de nakosten begroten op € 131,- indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen, te vermeerderen met € 68,- voor de explootkosten als betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden. Zoals gevorderd door de Staat zal het hof bepalen dat bij niet-betaling over de proceskosten wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na datum arrest. Tot slot zal het arrest, conform de vordering van de Staat, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het bestreden vonnis voor zover

1) de veroordelingen als weergegeven in het dictum onder 4.1. tot en met 4.5. zonder restrictie zijn gegeven,

2) de bepaling in het dictum onder 4.6. inhoudt dat de daar vermelde dwangsom van € 500,- per dag en het daar vermelde maximum van € 100.000,- ook gelden voor de periode vanaf twee maanden na de betekening van dit arrest;

en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

1) bepaalt dat voor zover de in het dictum van het bestreden vonnis onder 4.1. tot en met 4.5. vermelde veroordelingen betrekking hebben op materiaal waarvan het bestaan van de wil van [appellante] afhankelijk is, dit materiaal zal worden verstrekt met de restrictie dat het slechts zal worden gebruikt ten behoeve van de belastingheffing, en

2) bepaalt dat voor de periode vanaf twee maanden na de betekening van dit arrest een dwangsom van € 2.500,- per dag, met een maximum van € 500.000,- (inclusief de voor de betekening van dit arrest reeds verbeurde dwangsommen), zal gelden;

- bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

- veroordeelt [appellante] in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 711,- aan griffierecht en € 2.682,- aan salaris advocaat, bij niet-betaling te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van veertien dagen na de datum van dit arrest;

- veroordeelt [appellante], indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen, in de nakosten, begroot op € 131,-, te vermeerderen met € 68,- voor de explootkosten als betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden en met wettelijke rente over de nakosten;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.M. Dousma-Valk, M.P.J. Ruijpers en H.C. Grootveld en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juni 2016 in aanwezigheid van de griffier.