Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:1568

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
14-06-2016
Datum publicatie
14-06-2016
Zaaknummer
200.173.221/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

belang bij en recht op vaststelling staatloosheid?

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.48
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2016/263 met annotatie van S. Jaghai LLM en C. Vlieks LLM
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.173.221/01

Zaak/rolnummer rechtbank : C/09/469942 / HA ZA 14-842

Arrest d.d. 14 juni 2016

inzake

[naam] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. F.L.M. van Haren te Amsterdam,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. M.M. van Asperen te Den Haag.

Het geding

Bij appeldagvaarding van 3 juni 2015 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 11 maart 2015 dat de rechtbank Den Haag, team handel, tussen partijen heeft gewezen. Bij memorie van grieven (met producties) heeft [appellant] één grief tegen dat vonnis aangevoerd. De Staat heeft deze grief bij memorie van antwoord bestreden. Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Partijen zijn niet opgekomen tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank onder 2. van het bestreden vonnis, zodat het hof ook van deze feiten zal uitgaan. Gelet daarop en op hetgeen partijen overigens onweersproken hebben aangevoerd, gaat het in deze zaak, samengevat, om het volgende.

1.1.

[appellant] is op 30 januari 2002 als alleenstaande minderjarige asielzoeker Nederland ingereisd. Bij aankomst heeft hij gesteld te zijn: [naam] , geboren op [geboortedatum] te Baku – destijds gelegen in de Sovjet-Unie, thans in Azerbeidzjan – uit een inmiddels overleden (etnisch) Armeense vader en een eveneens overleden (etnisch) Azeri moeder.

1.2.

Bij besluit van 22 oktober 2002 heeft de toenmalige minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie een aanvraag van [appellant] van 13 februari 2002 om hem op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Het daartegen door [appellant] ingestelde beroep is bij uitspraak van 11 juni 2004 door de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Azerbeidzjan te vrezen heeft voor vervolging dan wel een reëel risico loopt aldaar te worden onderworpen aan een door artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) verboden behandeling. De uitspraak van de rechtbank is in hoger beroep bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de ABRvS) bij uitspraak van 27 augustus 2004.

1.3.

[appellant] heeft op 8 juli 2008 een aanvraag ingediend voor de verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’. Deze aanvraag is bij besluit van
5 maart 2009 afgewezen door de toenmalige staatssecretaris van Justitie. Bij uitspraak van
24 december 2009 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, het beroep tegen dit besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat opnieuw op het bezwaar dient te worden beslist. In hoger beroep is deze uitspraak echter vernietigd door de ABRvS en is het destijds door [appellant] ingestelde beroep alsnog ongegrond verklaard. Daartoe heeft de ABRvS in haar uitspraak van 12 juli 2010 overwogen, kort gezegd, dat de staatssecretaris van Justitie terecht heeft aangevoerd dat niet is gebleken dat [appellant] in de periode van 21 december 2005 tot 15 maart 2009 heeft geprobeerd zelfstandig, dan wel met behulp van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) of de Dienst Terugkeer en Vertrek van het toenmalige Ministerie van Justitie (DT&V) naar Azerbeidzjan terug te keren en dat aldus niet is voldaan aan de vereisten voor het verkrijgen van de gevraagde vergunning.

1.4.

In Nederland is thans niet voorzien in een bijzondere procedure waarmee kan worden vastgesteld of iemand staatloos is. De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft in een brief van 10 september 2014 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer laten weten dat wordt verkend hoe een dergelijke vaststellingsprocedure (voor de iure staatlozen) het best kan worden ingericht (Kamerstukken II 2013-2014, 19 637, nr. 1889).

2. [appellant] vordert in dit geding een verklaring voor recht dat hij staatloos is – primair “de iure staatloos” en subsidiair “de facto staatloos” –, met veroordeling van de Staat in de kosten. Hij voert daartoe aan dat noch Azerbeidzjan noch Armenië hem als staatsburger erkent en dat beide landen weigeren hem een laissez-passer te verstrekken. [appellant] stelt dat hij heeft geprobeerd vrijwillig naar één van die landen te vertrekken, maar dat dit, ondanks bemiddeling door het IOM en de DT&V, niet is gelukt. Volgens [appellant] is de geloofwaardigheid van zijn verklaringen omtrent zijn afkomst en de in Azerbeidzjan door hem als gevolg van zijn afkomst ondervonden problemen in rechte komen vast te staan. Gelet daarop en gelet op de omstandigheid dat in zijn algemeenheid geen laissez-passer aan etnisch Armeniërs uit Azerbeidzjan met een achternaam eindigend op –yan of –ian wordt afgegeven, is de conclusie gerechtvaardigd dat hij reeds geruime tijd de iure doch in ieder geval de facto staatloos is, aldus [appellant] . Naar zijn mening is de civiele rechter op grond van artikel 42 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie en artikel 112 van de Grondwet, bij afwezigheid van een andere rechtsingang, bevoegd om als “restrechter” kennis te nemen van zijn vordering om staatloos te worden verklaard. [appellant] stelt dat de vaststelling van staatloosheid een recht is dat beschermd wordt door artikel 8 van het EVRM. Hij voegt daaraan toe dat hij niet louter een immaterieel belang heeft bij de vaststelling van zijn staatloosheid, maar ook een burgerrechtelijk belang, gelet op de uitspraak van de ABRvS van 21 mei 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1788), waarin is overwogen dat zolang van personen zonder nationaliteit de staatloosheid niet wordt vastgesteld, zij geen aanspraak kunnen maken op de bescherming op grond van de Staatloosheidsverdragen en de Nederlandse wetgeving die daaruit voortvloeit.

3. De Staat heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De Staat heeft onder meer betoogd dat [appellant] niet-ontvankelijk moet worden verklaard bij gebrek aan belang in de zin van artikel 3:303 BW. Volgens de Staat omvat artikel 8 EVRM voorts geen algemeen fundamenteel recht op vaststelling van staatloosheid en staat bovendien niet vast dat [appellant] is wie hij zegt dat hij is. Ter onderbouwing van deze laatste stelling heeft de Staat erop gewezen dat [appellant] slechts een overlijdensakte heeft overgelegd die zijn moeder zou betreffen en dat niet blijkt van een link tussen die akte enerzijds en [appellant] anderzijds.

4. Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vordering afgewezen, omdat naar haar oordeel [appellant] geen concreet belang in de zin van artikel 3:303 BW bij de vordering heeft.

5. In appel vordert [appellant] dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, de vordering alsnog zal toewijzen, met veroordeling van de Staat in de proceskosten. De grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant] geen belang heeft als hiervoor bedoeld. Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de door hem verlangde vaststelling van staatloosheid onder de huidige regelgeving niet kan leiden tot het uitoefenen van de door hem bedoelde economische en politieke rechten (zoals het recht om een woning te huren of het recht op het afsluiten van een ziektekostenverzekering), op de grond dat die rechten zijn voorbehouden aan vreemdelingen aan wie een verblijfsvergunning is toegekend en dat staatloosheid als zodanig onder de huidige regelgeving geen grond oplevert voor zo’n vergunning. [appellant] meent dat de rechtbank heeft miskend dat hij niet beschikt over een geldig identiteitsdocument of een geldig reisdocument en dat hij op grond van artikel 27 van het Verdrag betreffende de Status van Staatlozen van 1954 (Trb. 1957, 22) (hierna: het Verdrag van 1954) recht heeft op zo’n document. Volgens hem heeft dit artikel rechtstreekse werking en geldt het recht, ongeacht de verblijfstatus van de staatloze. [appellant] meent dat dit zijn “concreet belang” bij de vordering versterkt, nu een gebrek aan identificatiemiddelen de kans op arrestatie en vreemdelingendetentie vergroot.

6. Nu [appellant] zijn vordering kennelijk (mede) baseert op een door de Staat gepleegde onrechtmatige daad (zie proces-verbaal van de comparitie van partijen in eerste aanleg pag. 7), is de burgerlijke rechter bevoegd van die vordering kennis te nemen.

7. Bij de beoordeling van het appel staat het volgende voorop. Met de term “de iure staatloos” wordt in dit geding gedoeld op de hoedanigheid van een persoon die door geen enkele Staat krachtens diens wetgeving als onderdaan wordt beschouwd (zie artikel 1, eerste lid, van het Verdrag van 1954). In het geval van “de facto staatloosheid” heeft de desbetreffende persoon wel een nationaliteit, maar is deze niet effectief, hetgeen betekent dat diplomatieke en consulaire bijstand, inclusief het recht op terugkeer en wedertoelating op het grondgebied, aan de persoon worden ontzegd (vgl. het advies van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACVZ) over de verdragsrechtelijke bescherming van staatlozen in Nederland (december 2013), met als titel “Geen land te bekennen”, par. 2.2., p. 24). Internationale verdragen die zien op staatloosheid, betreffen uitsluitend de “de iure staatloosheid”.

8. [appellant] maakt met een beroep op de rechten die staatlozen toekomen en met een beroep op artikel 8 EVRM aanspraak op de gevorderde staatloosheidverklaring.

9. Het beroep op de rechten van staatlozen faalt. Het Verdrag van 1954 verplicht er niet toe om een staatloosheidsverklaringsprocedure in het leven te roepen ten behoeve van mensen die staatloos zijn. Staten mogen hun verdragsverplichtingen nakomen langs een andere weg dan met zo’n verklaring. Van [appellant] staat ook niet al vast dat hij de iure staatloos is en zich op rechten uit het verdrag kan beroepen. Op grond van zijn verleden zoals hij daarover verteld heeft, is het mogelijk dat hij de nationaliteit heeft van Azerbeidzjan of van Armenië, althans dat een van deze landen hem (alsnog) als onderdaan zal erkennen. Hij heeft immers (naar eigen zeggen) een Armeense vader en een Azeri moeder en is geboren in Baku (zie 1.1). Niet staat vast dat deze landen hem niet als onderdaan binnenlaten. Op grond van de (onherroepelijk geworden) beslissing van de ABRvS van 12 juli 2010 in een zogenoemde buitenschuldprocedure staat wel vast dat [appellant] op dat moment nog niet al het redelijkerwijs mogelijke had gedaan om naar Azerbeidzjan terug te keren (zie 1.3). Ook daarna is niet komen vast te staan dat [appellant] dat heeft gedaan of heeft geprobeerd naar Armenië terug te keren. Er is daarom nog steeds onvoldoende gebleken dat de meest gerede buitenlandse autoriteiten weigeren hem als onderdaan te erkennen.

10. [appellant] heeft zich daarnaast ook beroepen op artikel 8 EVRM (eerste aanleg, dagvaarding p. 6-7). Het hof is anders dan [appellant] en met de Staat van oordeel dat uit de rechtspraak van het EHRM niet volgt dat artikel 8 EVRM een algemeen recht geeft op vaststelling van staatloosheid door het land van feitelijk verblijf. Uit de door [appellant] in dit verband aangehaalde uitspraken (Mikulić/Kroatië EHRM 7 februari 2002, nr. 53176/99, Genovese/Malta EHRM 11 oktober 2011, nr. 53124/09 en Karassev/Finland 12 januari 1999, nr. 31414/96) blijkt dat het steeds van de omstandigheden afhangt of de weigering om een bepaalde nationaliteit wèl te erkennen of toe te kennen, een schending van artikel 8 EVRM oplevert. Zo overwoog het EHRM in de zaak Genovese/Malta (onder 30):

“The Court also reiterates that the concept of “private life” is a broad term not susceptible to exhaustive definition. It covers the physical and psychological integrity of a person. It can therefore embrace multiple aspects of the person’s physical and social identity (see Dadouch v. Malta, no. 38816/07, § 47, ECHR 2010‑... (extracts)). The provisions of Article 8 do not, however, guarantee a right to acquire a particular nationality or citizenship. Nevertheless, the Court has previously stated that it cannot be ruled out that an arbitrary denial of citizenship might in certain circumstances raise an issue under Article 8 of the Convention because of the impact of such a denial on the private life of the individual (see Karassev v. Finland (dec.), no. 31414/96, ECHR 1999-II, and Slivenko v. Latvia (dec.) [GC], no. 48321/99, § 77, ECHR 2002-II)” Zoals door de Staat terecht is aangevoerd (conclusie van antwoord 4.2. j° verweerschrift p. 2) valt niet in te zien dat vaststelling van staatloosheid door een staat waar iemand feitelijk verblijft, zonder meer een (fundamenteel) recht vormt. De in voornoemd arrest tot uitdrukking gebrachte verplichting om (onder omstandigheden) een bepaalde nationaliteit of burgerschap toe te kennen, betekent niet dat het verblijfsland op grond van artikel 8 EVRM verplicht is staatloosheid door middel van een procedure vast te stellen telkens wanneer, in voorkomend geval, de buitenlandse autoriteiten (van bijvoorbeeld het land van de geboorte of van de vader of de moeder) weigeren een nationaliteit toe te kennen of de persoon als hun onderdaan te erkennen. Indien de fundamentele rechten van een persoon langs een andere weg dan met staatloosheid kunnen worden geborgd, is van schending van artikel 8 EVRM geen sprake.

11. Op dit laatste punt strandt de vordering. Op zich is goed voorstelbaar dat [appellant] , ook voor zijn ‘private life’ in de zin van artikel 8 EVRM, belang heeft bij een verblijfsvergunning en bij het verkrijgen van identiteitspapieren. Vaststaat echter dat staatloosheid als zodanig onder de huidige Vreemdelingenregelgeving geen grond oplevert voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning. Indien juist is hetgeen [appellant] in dit geding stelt, te weten dat hij inmiddels wel al het redelijkerwijs mogelijke heeft gedaan om Nederland uit te reizen, maar dat Azerbeidzjan en Armenië hem weigeren toe te laten, dan kan hij dit aanvoeren in een zogenoemde buiten-schuldprocedure en aldus een verblijfsvergunning verkrijgen (zie artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenbesluit 2000 en onderdeel B8/4 van de Vreemdelingencirculaire 2000), waarmee hij vervolgens tevens een identiteitsdocument kan bemachtigen. Dat [appellant] een dergelijke procedure al eens vergeefs heeft doorlopen, laat onverlet dat het wel degelijk een met voldoende waarborgen omklede procedure is die, indien [appellant] staatloos is zonder verblijfsrecht in zijn land van herkomst, tot verblijfsrecht en een identiteitsdocument hier te lande leidt. Het staat [appellant] vrij om opnieuw een aanvraag hiertoe te doen. Dit laatste in aanmerking genomen kan in het midden blijven of juist is de (door de Staat betwiste) stelling van [appellant] dat artikel 27 van het Verdrag betreffende de Status van Staatlozen van 28 september van 1954 rechtstreekse werking heeft en dat iemand van wie wel is vastgesteld dat hij staatloos is, op grond van dat artikel aanspraak kan maken op een identiteitsdocument, ongeacht de verblijfsstatus van de bewuste persoon.

12. Aan het voorgaande doet niet af dat de buiten-schuldprocedure volgens de UNHCR niet de aangewezen weg is om de staatloosheid van iemand vast te stellen, nu het wel de weg is waarlangs [appellant] kan bereiken hetgeen hij kennelijk wil bereiken, te weten een verblijfsvergunning of in elk geval, aldus zijn stelling in appel, een identiteitsdocument. Dat er geen procedure is op grond waarvan de staatloosheid wordt vastgesteld, kan met zich brengen dat het omslachtig is om aanspraak te maken op de bescherming die aan staatlozen op grond van de Staatloosheidsverdragen en de Nederlandse wetgeving die voortvloeit uit die verdragen geboden wordt. Dit betekent echter vooralsnog niet dat het aan de rechter is om een procedure ter vaststelling van staatloosheid in het leven te roepen, omdat de rechten van staatlozen op andere wijze dan via zo’n procedure beschermd zijn (voor [appellant] dus via voornoemde buitenschuldprocedure). Daarbij komt dat indien [appellant] meent dat hij als staatloze recht heeft op een bepaalde voorziening, zoals huisvesting, ziektekostenverzekering, en dergelijke, hij dit kan aanvoeren bij de instantie die die voorzieningen verstrekt en bij geschil daarover gebruik kan maken van de daarvoor bestemde bijzondere rechtsgang. In die rechtsgang kan dan zo nodig worden geoordeeld over de stelling van [appellant] dat hij staatloos is en over de vraag of daaraan consequenties verbonden dienen te worden. Dit betekent dat het niet aan de burgerlijke rechter is om daarover in algemene zin een verklaring voor recht te geven. Er staat immers voor [appellant] in voorkomend geval een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang open.

13. De conclusie luidt dat het appel faalt. Bij deze uitkomst past dat [appellant] in de proceskosten in hoger beroep wordt veroordeeld. Zoals door de Staat is gevorderd, zal worden bepaald dat bij niet-betaling over de proceskosten wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na dit arrest.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis

- veroordeelt [appellant] in de proceskosten, aan de zijde van de Staat in hoger beroep, tot op heden begroot op € 711,- aan griffierecht en € 894,- aan salaris advocaat, bij niet-betaling te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van veertien dagen na dit arrest;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.A. Boele, G. Dulek-Schermers en E.M. Dousma-Valk en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juni 2016 in aanwezigheid van de griffier.