Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:1551

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
07-06-2016
Datum publicatie
12-07-2016
Zaaknummer
200.174.645/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verkoop perceel, derdenbeslag op koopsom, onrechtmatig (vexatoir) beslag, executieverkoop, schadebeperkingsplicht, causaal verband

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2016/374
RN 2016/88
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.174.645/01

Rolnummer rechtbank : 3468689/14-29730

arrest van 7 juni 2016

inzake

[appellante] ,

wonende te Amsterdam,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. M.N. Mense te Haarlem,

tegen

Intralectric B.V.,

gevestigd te Den Haag,

geïntimeerde

hierna te noemen: Intralectric,

advocaat: mr. M.L. Kleyn te Den Haag.

Het geding

Bij dagvaarding van 4 augustus 2015 is [appellante] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag, team kanton Den Haag (hierna: de kantonrechter), van 6 juli 2015. [appellante] heeft bij memorie van grieven met producties elf genummerde grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd. Intralectric heeft de grieven bestreden bij memorie van antwoord. Ten slotte is arrest bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep

Ade feiten

1.1.

[appellante] keert zich in haar eerste grief tegen het in r.o. 1.11 van het bestreden vonnis door de kantonrechter vastgestelde feit, inhoudende dat Obvion N.V. (hierna: Obvion) haar instemming met doorhaling van de hypotheek naar aanleiding van het op 14 maart 2014 door de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag gewezen vonnis in kort geding heeft ingetrokken. Volgens [appellante] moet als feit worden vastgesteld dat Obvion bedoelde instemming heeft ingetrokken als gevolg van de minderopbrengst van € 21.000,00 door het door Intralectric gelegde derdenbeslag. [appellante] verwijst daarbij naar de inhoud van de door haar als productie E.9 in eerste aanleg overgelegde brief van Obvion. Intralectric heeft hiertegen geen verweer gevoerd. Het hof zal de inhoud van de genoemde brief van Obvion voor zover relevant in r.o. 1.15 opnemen onder de feiten.

1.2.

[appellante] voert in haar eerste grief ook - samengevat - aan dat de kantonrechter de feiten te beperkt heeft vastgesteld. Het hof zal hierna opnieuw de feiten vaststellen die relevant zijn voor zijn beoordeling van het hoger beroep. Voor zover de door de kantonrechter vastgestelde feiten niet zijn bestreden, zal ook het hof daarvan uitgaan. Het gaat in deze zaak kort gezegd om het volgende.

1.3.

[appellante] heeft op 15 januari 2010 met haar toenmalige partner [A] (hierna: [A] ) het perceel grond aan de Demmerik 66 in Vinkeveen (hierna: het perceel) in gezamenlijke eigendom verkregen.

1.4.

[appellante] en [A] zijn met het oog op deze verkrijging een overeenkomst van geldlening aangegaan met Obvion voor een bedrag van € 820.000,00. Ter verzekering van deze vordering hebben [appellante] en [A] een recht van hypotheek op het perceel aan Obvion verleend van € 1.148.000,00.

1.5.

Het perceel is gesaneerd door aannemingsbedrijf Vobi B.V. (hierna: Vobi). Vobi heeft hiervoor € 136.850,00 in rekening heeft gebracht bij [appellante] en [A] . Omdat de factuur niet werd voldaan, heeft Vobi haar recht van retentie op het perceel uitgeoefend.

1.6.

Op 6 november 2013 is [A] op vordering van Intralectric veroordeeld tot het betalen aan Intralectric van € 17.455,00, te vermeerderen met rente en kosten. Dit verstekvonnis (hierna: het jegens [A] gewezen verstekvonnis) is op 4 december 2013 (in het bestreden vonnis staat kennelijk per abuis vermeld 4 december 2014) aan [A] betekend.

1.7.

[appellante] en [A] hebben de bouw van een woning op het perceel gestaakt. Zij hebben een deel van het bedrag dat zij van Obvion hebben geleend terugbetaald. Het perceel hebben zij te koop gezet.

1.8.

Eind 2013 hebben [verkoper 1] en [verkoper 2] (hierna in enkelvoud: [verkoper] ) een bod van € 380.000,00 op het perceel uitgebracht, welk bod met instemming van Obvion door [appellante] en [A] is geaccepteerd. Het transport zou plaatsvinden op 23 december 2013, maar omdat [appellante] nog advies wilde inwinnen is het transport uitgesteld.

1.9.

Op 2 januari 2014 heeft Intralectric executoriaal beslag gelegd op het perceel ten laste van [A] .

1.10.

Op 13 februari 2014 hebben [appellante] en Obvion Intralectric gedagvaard in kort geding. In deze procedure vorderden [appellante] en Obvion - kort samengevat - opheffing van het door Intralectric gelegde beslag.

1.11.

Op 20 februari 2014 heeft Intralectric executoriaal derdenbeslag gelegd onder [verkoper] ten laste van [A] op – kort gezegd – de koopsom. Dit beslag zal hierna worden aangeduid als: het derdenbeslag.

1.12.

Op 24 februari 2014 is het door Intralectric op het perceel gelegde beslag opgeheven.

1.13.

Bij vonnis van 14 maart 2014 (hierna: het vonnis in kort geding) heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag [appellante] en Obvion niet-ontvankelijk verklaard in hun (gewijzigde) vordering tot opheffing van het derdenbeslag, omdat zij – kort samengevat – in strijd met het in artikel 438 lid 5 Rv bepaalde niet (ook) [A] als geëxecuteerde hadden gedagvaard. Tegen dit vonnis is geen rechtsmiddel aangewend.

1.14.

Op 14 maart 2014 heeft de raadsman van [appellante] en Obvion aan de gemachtigde van Intralectric laten weten dat partijen zich beraden op beroep.

1.15.

De brief van Obvion aan notaris A. Fanoy van 18 maart 2014 (productie E.9 bij de dagvaarding in eerste aanleg) houdt onder meer het volgende in:

“Inzake de levering van genoemd perceel grond informeren wij u als volgt.

In tegenstelling tot onze e-mail van 20 december 2013, laat Obvion NV hierbij weten NIET akkoord te zullen gaan met verkoop van het onderpand aan de Demmerik 66 te Vinkeveen. Als gevolg van de minder-opbrengst ad ca € 21.000,-- door het gelegde derden-beslag onder kopers d.d. 20 februari 2014, zullen we voor deze eigendomsoverdracht GEEN royement verlenen.”

1.16.

[verkoper] heeft de koopovereenkomst op 19 maart 2014 ontbonden. Het e-mailbericht van [verkoper 1] aan de makelaar van [appellante] en [naam] van 19 maart 2014 (in eerste aanleg als productie E.18 door [appellante] overgelegd) houdt onder meer het volgende in:

“Via tussenkomst van uw makelaar (…) is in december 2013 een mondelinge koopovereenkomst tot stand gekomen waarbij u tezamen aan ondergetekende [verkoper 1] en mijn broer [verkoper 2] hebben verkocht een perceel bouwgrond, gelegen te [adres] (…) zulks voor een koopprijs van € 380.000 kosten koper. Afgesproken werd dat gemeld perceel bouwgrond eind december 2013 aan ons geleverd zou worden, vrij en niet bezwaard met hypotheekrechten en/of beslagen. Inmiddels bent u nog steeds niet overgegaan tot levering van het perceel aan ons en tevens heeft Obvion N.V. schriftelijk kenbaar gemaakt niet te willen meewerken aan doorhaling van het verkochte perceel ten behoeve van Obvion N.V. gevestigde hypotheekrecht. Aangezien evident is dat u niet kunt voldoen aan uw verplichting uit hoofde van de gesloten mondelinge overeenkomst om het perceel vrij en onbezwaard aan ons te leveren, is sprake van een aan u toerekenbare tekortkoming in de nakoming van uw verplichtingen (….) en gaan wij (…) hierbij over tot ontbinding van de koopovereenkomst (…)”.

1.17.

Op verzoek van Obvion heeft de rechtbank Midden-Nederland bij beschikking van 25 juni 2014 toestemming gegeven aan Obvion tot onderhandse verkoop van het perceel aan [verkoper] voor - na aftrek van onder meer de vordering van Vobi - € 203.000. Op 7 juli 2014 is het perceel voor dit bedrag getransporteerd. Na aftrek van de kosten bedroeg de opbrengst
€ 195.468,96.

Bvorderingen en vonnis in eerste aanleg

2. In eerste aanleg heeft [appellante] - kort samengevat - gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat Intralectric met de gelegde beslagen onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, met veroordeling van Intralectric in de door [appellante] dientengevolge geleden schade, met rente en kosten.

3. De kantonrechter heeft Intralectric veroordeeld tot het betalen aan [appellante] van een bedrag van € 1.377,72 te vermeerderen met contractuele rente vanaf 2 januari 2014 tot de dag der algehele voldoening. Het meer of anders door [appellante] gevorderde is afgewezen. [appellante] is door de kantonrechter veroordeeld in de proceskosten. Aan deze beslissingen heeft de kantonrechter – kort samengevat – de volgende beoordeling ten grondslag gelegd.

A Ten aanzien van het beslag op het perceel

Nu Intralectric de vorderingen van de retentor en de hypotheekhouder erkent en niet heeft gesteld dat ondanks deze vorderingen voor haar enige opbrengst uit het beslag kon voortvloeien, heeft Intralectric door het handhaven van dat beslag misbruik van haar bevoegdheid gemaakt, dat wil zeggen van 2 januari tot en met 24 februari 2014. De over deze periode door [appellante] betaalde rente is schade ten gevolge van het misbruik. Tegen de wijze van berekenen van de schade heeft Intralectric geen verweer gevoerd, zodat die schade uitkomt op € 1.377,72.

B Ten aanzien van het derdenbeslag

Intralectric heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de voorrang van de hypotheekhouder hier is vervallen (artikel 3:229 BW). Bij pleidooi in kort geding is weliswaar aangekondigd dat de koopovereenkomst ontbonden zou kunnen gaan worden, maar vervolgens is Intralectric niet meer geïnformeerd. Zonder nadere informatie na het vonnis in kort geding, was er voor Intralectric geen reden het beslag vrijwillig op te heffen. Met name van de daadwerkelijke ontbinding van de koopovereenkomst, het later gedane verzoek tot goedkeuring van de onderhandse verkoop en de beslissing daarop is Intralectric onwetend gehouden. Er is dus geen sprake van dat Intralectric op enig moment na het kort geding de onevenredigheid tussen haar belang en dat van [appellante] kende of behoorde te kennen. Voorts heeft Intralectric bij herhaling een gesprek aangeboden om tot een minnelijke regeling te komen; vast staat dat [appellante] en [A] daarop niet zijn ingegaan. Van misbruik van recht is onder deze omstandigheden geen sprake.

Chet in hoger beroep gevorderde en de grieven

4. In hoger beroep vordert [appellante] - kort samengevat - dat het bestreden vonnis wordt vernietigd voor zover haar vorderingen daarin zijn afgewezen en dat het in eerste aanleg gevorderde alsnog geheel wordt toegewezen, met veroordeling van Intralectric in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met rente.

5. Met haar grieven komt [appellante] - kort samengevat - op tegen:

- de feitenvaststelling door de kantonrechter (grief I),

- het oordeel van de kantonrechter dat er bij de beoordeling onderscheid moet worden gemaakt tussen het beslag op het perceel en het derdenbeslag (grief II),

- de hiervóór in r.o. 3 onder B weergegeven beoordeling van het derdenbeslag (grieven III, IV, V, VI, VII en IX),

- de afwijzing door de kantonrechter van de door [appellante] gevorderde kosten die verband houden met de procedure in kort geding (grief VIII),

- de afwijzing door de kantonrechter van de gevorderde buitengerechtelijke kosten (grief IX) en de gevorderde proceskosten (grief X).

6. De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis Intralectric veroordeeld om aan [appellante] te betalen een bedrag van € 1.377,72 aan door haar in de periode van 2 januari tot en met 24 februari 2014 geleden renteschade, te vermeerderen met de rente ter hoogte van 5,1% daarover vanaf 2 januari 2014 tot de dag der algehele voldoening. Tegen deze beslissing zijn geen grieven gericht, zodat deze niet aan het hof ter beoordeling voorligt.

7. Het hof ziet aanleiding de grieven per onderwerp te bespreken.

Dde beoordeling van de grieven

het door Intralectric gelegde derdenbeslag

8. In appel is de vraag aan de orde of Intralectric met het leggen dan wel het handhaven van het derdenbeslag onrechtmatig jegens [appellante] heeft gehandeld. Het hof overweegt in dit verband het volgende.

9. Voorop staat dat Intralectric de bevoegdheid had tot het leggen van het derdenbeslag. Zij had immers op grond van het jegens [A] gewezen verstekvonnis een executoriale titel. Artikel 475 lid 1 Rv biedt voorts een wettelijke grondslag voor het derdenbeslag, nu het gaat om beslag op een vordering die [A] uit hoofde van de koopovereenkomst op [verkoper] mocht hebben. Dat het om een gezamenlijke vordering ging van [A] en [appellante] staat aan de bevoegdheid tot beslaglegging op het aandeel van [A] niet in de weg.

10. Dat Intralectric de bevoegdheid had tot het leggen van het derdenbeslag, betekent niet dat zij met dat beslag niet onrechtmatig kan hebben gehandeld. Van een onrechtmatige daad kan ook sprake zijn indien Intralectric in de omstandigheden van het geval misbruik van bedoelde bevoegdheid heeft gemaakt.

11. De vraag of een beslaglegger aansprakelijk is voor de gevolgen van een beslag omdat het beslag is gelegd voor een te hoog bedrag, lichtvaardig is gelegd of onnodig is gehandhaafd, moet worden beantwoord aan de hand van criteria die gelden voor misbruik van bevoegdheid. Uitgaande van de concrete omstandigheden kan aldus aan de orde komen of een beslag als vexatoir en daarom onrechtmatig moet worden aangemerkt (vgl. HR 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2841).

Van misbruik van bevoegdheid is ingevolge artikel 3:13 lid 2 BW onder meer sprake als een bevoegdheid wordt uitgeoefend met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.

12. Een executoir beslag als het onderhavige moet in ieder geval onrechtmatig worden geoordeeld, indien dat in de omstandigheden van het geval niet tot enig resultaat – de incasso van enig bedrag – kan leiden en de beslaglegger daarvan op de hoogte is of had moeten zijn. De beslaglegger heeft dan immers geen in rechte te respecteren belang bij het beslag dat tegenwicht kan bieden aan de inbreuk die door middel van het beslag wordt gemaakt op de belangen van anderen.

13. Bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het derdenbeslag jegens [appellante] is niet relevant dat niet [appellante] , maar [A] de schuldenaar van Intralectric was. Op grond van artikel 3:13 lid 2 BW moet immers een afweging worden gemaakt tussen het belang van Intralectric bij de uitoefening van haar bevoegdheid tot beslaglegging enerzijds en het door de beslaglegging geschade belang van [appellante] anderzijds.

14. Het hof overweegt dat gesteld noch gebleken is dat gegeven de omstandigheden van het geval te verwachten was dat het derdenbeslag tot het incasseren van enig bedrag door Intralectric kon leiden. Obvion wilde immers de hypotheek niet doorhalen als gevolg van “de minder-opbrengst ad ca € 21.000,-- door het gelegde derden beslag”. En [verkoper] wilde het perceel enkel kopen indien daarop geen hypotheek rustte. Kort samengevat zou de verkoop van het perceel dus enkel doorgang kunnen vinden als het derdenbeslag zou worden opgeheven, terwijl het derdenbeslag enkel tot een opbrengst kon leiden bij doorgang van de verkoop van het perceel. Gelet op de inhoud van de in r.o. 1.15 en 1.16 genoemde documenten gaat het hof als onvoldoende gemotiveerd weersproken voorbij aan de betwisting van Intralectric in eerste aanleg dat het derdenbeslag heeft geleid tot de ontbinding van de koopovereenkomst.

15. Vervolgens is aan de orde of Intralectric wist of had moeten weten dat het derdenbeslag in de omstandigheden van het geval niet tot de incasso van enig bedrag zou kunnen leiden. Partijen twisten daarover. Volgens Intralectric is zij na 14 maart 2014 – de dag waarop het vonnis in kort geding is gewezen – niet op de hoogte gehouden van de gang van zaken, waaronder de daadwerkelijke ontbinding van de koopovereenkomst door [verkoper] . De kantonrechter heeft geoordeeld dat nu Intralectric met name van de daadwerkelijke ontbinding van de koopovereenkomst, het later gedane verzoek tot goedkeuring van de onderhandse verkoop en de beslissing daarop onwetend is gehouden, er geen sprake van is dat Intralectric op enig moment na het kort geding de onevenredigheid tussen haar belang en dat van [appellante] kende of behoorde te kennen.

Het hof komt op grond van het navolgende tot een ander oordeel.

16. [appellante] en Obvion hebben in verband met de beslaglegging een kort geding-procedure tegen Intralectric geëntameerd. Blijkens de in eerste aanleg als productie E.6 bij de dagvaarding gevoegde pleitaantekeningen, hebben [appellante] en Obvion op de zitting van de voorzieningenrechter van 3 maart 2014 onder meer het volgende aangevoerd:

“Uitwinning van de gelegde beslagen zal tot gevolg hebben dat de opbrengst van de verkoop ruim € 20.000,00 lager is. De hypotheekhouder neemt daarmee geen genoegen. Hij zal derhalve niet instemmen met doorhaling van de hypotheek. Als gevolg daarvan zullen [appellante] en [A] niet onbezwaard kunnen leveren hetgeen ontbinding van de koop tot gevolg zal hebben.”

17. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat Intralectric in ieder geval op
3 maart 2014 er door [appellante] alsmede door hypotheekhouder Obvion van op de hoogte is gesteld dat handhaving van het derdenbeslag ertoe zou leiden dat de koopovereenkomst zou worden ontbonden en daarmee dat het beslag niet kon leiden tot enige opbrengst. Intralectric heeft desondanks het derdenbeslag gehandhaafd.

18. Gelet op het bovenstaande, heeft Intralectric door na 3 maart 2014 het derdenbeslag te handhaven misbruik gemaakt van haar bevoegdheid. Op 3 maart 2014 wist zij immers, althans had zij kunnen en moeten weten, dat het door haar gelegde derdenbeslag niet tot de incasso van enig bedrag zou kunnen leiden en voorts dat handhaving van dat derdenbeslag (naar alle waarschijnlijkheid) tot gevolg zou hebben dat de verkoop van het perceel door [appellante] en [A] aan [verkoper] geen doorgang zou vinden. In dit verband merkt het hof op dat Intralectric niet heeft gesteld dat en waarom zij er ondanks de mededelingen van [appellante] en Obvion op 3 maart 2014 redelijkerwijs vanuit mocht gaan dat de verkoop van het perceel (toch) doorgang zou kunnen vinden, en er aldus een mogelijkheid bestond dat het derdenbeslag tot enige opbrengst zou leiden. Intralectric heeft, mede gelet op de grote financiële belangen van [appellante] en [A] bij de verkoop van het perceel, na
3 maart 2014 niet in redelijkheid tot handhaving van het derdenbeslag kunnen komen.

19. Aan het voorgaande doet niet af de omstandigheid dat [appellante] en Obvion bij vonnis van 14 maart 2014 door de voorzieningenrechter niet-ontvankelijk zijn verklaard in het door hen gevorderde. De niet-ontvankelijkverklaring staat immers aan de onrechtmatigheid van het handhaven van het derdenbeslag niet in de weg. Dat, zoals Intralectric aanvoert, zij na het vonnis in kort geding niet op de hoogte is gehouden van de daadwerkelijke ontbinding van de koopovereenkomst maakt de beoordeling evenmin anders. Tijdens de zitting van
3 maart 2014 is door [appellante] en Obvion in niet mis te verstane bewoordingen te kennen gegeven wat het resultaat van handhaving van het derdenbeslag zou zijn: ontbinding van de koopovereenkomst. Intralectric maakt niet duidelijk waarom [appellante] die consequenties na het vonnis in kort geding nogmaals onder haar aandacht had moeten brengen.

20. Ook de door Intralectric aangevoerde omstandigheid dat zij bij herhaling aan [appellante] heeft aangeboden in overleg te treden om de zaak in der minne af te wikkelen, staat aan de onrechtmatigheid van de handhaving van het derdenbeslag niet in de weg. Nu Intralectric wist, althans had kunnen en moeten weten, dat het derdenbeslag niet tot de incasso van enig bedrag zou kunnen leiden, kan zij [appellante] redelijkerwijs niet verwijten dat deze niet bereid was tot het treffen van een minnelijke regeling.

21. De beoordeling van het derdenbeslag door de kantonrechter kan in het licht van het voorgaande niet in stand blijven. De tegen die beoordeling gerichte grieven slagen.

schade

22. Gelet op het oordeel dat Intralectric onrechtmatig jegens [appellante] heeft gehandeld door het derdenbeslag na 3 maart 2014 te handhaven, dient te worden beoordeeld of en in hoeverre [appellante] dientengevolge schade heeft geleden.

23. [appellante] heeft - kort samengevat - de volgende schadeposten gesteld:

( i) volgens [appellante] heeft zij tussen 2 januari 2014 en 7 juli 2014 (de dag waarop het perceel na de executieverkoop is geleverd aan [verkoper] ) een bedrag van € 4.861,01 aan rente betaald over het hypotheekbedrag dat als gevolg van de verkoop van het perceel door haar en [A] aan [verkoper] zou zijn afgelost op het van Obvion geleende bedrag,

(ii) nadat [verkoper] de koopovereenkomst had ontbonden, is Obvion op de voet van
artikel 3:268 BW overgegaan tot executieverkoop van het perceel. Daarbij heeft het perceel volgens [appellante] € 5.881,63 en € 5.000,00 minder opgebracht,

(iii) Obvion heeft in het kader van de executieverkoop op de voet van
artikel 3:268 lid 2 BW een verzoek gedaan aan de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland tot onderhandse verkoop. Met betrekking tot de kosten van dit verzoek heeft Obvion volgens [appellante] een bedrag van € 2.117,24 bij haar in rekening gebracht,

(iv) Obvion heeft, aldus [appellante] , ter zake de kosten van de kort geding-procedure een bedrag van € 3.228,69 bij haar in rekening gebracht. Subsidiair vordert zij voor de kort geding-procedure een proceskostenveroordeling ten bedrage van € 1.528,32.

Zij vordert voorts (contractuele dan wel wettelijke) rente over voornoemde posten.

Beroep Intralectric op de schadebeperkingsplicht / eigen schuld

24. In eerste aanleg heeft Intralectric bij wijze van verweer een beroep gedaan op de schadebeperkingsplicht van artikel 6:101 BW. In dit verband heeft zij betoogd dat het op de weg van [appellante] lag om na 14 maart 2014 (de dag waarop het vonnis in kort geding is gewezen) contact met Intralectric op te nemen voor nader overleg en om indien dat contact niet tot resultaat zou leiden een tweede kort geding ter opheffing van het derdenbeslag tegen Intralectric aan te spannen. Nu [appellante] dit heeft nagelaten dient, aldus Intralectric, de schade voor rekening en risico van [appellante] te blijven.

25. Het verweer kan niet slagen. Intralectric heeft niet gesteld dat [appellante] door na
14 maart 2014 contact te zoeken met Intralectric en door vervolgens eventueel een tweede kort geding-procedure te starten, de door haar geleden schade daadwerkelijk had kunnen beperken. Gesteld noch gebleken is dat Intralectric bereid zou zijn geweest om alsnog vrijwillig het beslag of te heffen, of dat Obvion en [verkoper] bereid zouden zijn geweest om de uitslag van een tweede kort geding-procedure tegen Intralectric af te wachten.

26. Het hof overweegt voorts nog het volgende. Tussen de datum waarop het vonnis in kort geding is gewezen (vrijdag 14 maart 2014) en de data waarop Obvion aan de notaris heeft laten weten niet akkoord te gaan met doorhaling van de hypotheek (dinsdag
18 maart 2014) en [verkoper] de overeenkomst heeft ontbonden (woensdag 19 maart 2014) zaten niet meer dan een paar dagen tijd. Gelet op de omstandigheid dat Obvion en [appellante] Intralectric korte tijd vóór 14 maart 2014 - te weten op 4 maart 2014 - in niet mis te verstane bewoordingen in kennis hadden gesteld van de consequentie van het handhaven van het derdenbeslag, en Intralectric daarin geen aanleiding had gezien het derdenbeslag op te heffen, mocht redelijkerwijze niet van [appellante] worden verwacht dat zij in bedoelde paar dagen tijd contact met Intralectric zou opnemen om de consequentie van de handhaving van het derdenbeslag nogmaals onder de aandacht te brengen.

Causaal verband

27. Met betrekking tot al de door [appellante] gestelde schadeposten, die hieronder nog afzonderlijk zullen worden beoordeeld, heeft Intralectric betwist dat er een causaal verband bestaat met de door haar gepleegde onrechtmatige daad.

28. In de eerste plaats dient [appellante] zich volgens Intralectric niet tot haar te wenden voor schadevergoeding, maar tot [A] . Omdat [A] niet aan Intralectric heeft betaald, heeft Intralectric het derdenbeslag gelegd. De daaruit voortvloeiende schade is dan ook veroorzaakt door [A] , aldus Intralectric. Het hof gaat niet in deze redenering mee. Omdat [A] niet aan zijn betalingsverplichtingen voldeed, heeft de rechtbank Den Haag hem veroordeeld tot het betalen van € 17.455,00 aan Intralectric. Daarmee had Intralectric een executoriale titel op grond waarvan zij beslag kon leggen. De wijze waarop zij haar bevoegdheid tot beslaglegging heeft uitgeoefend was echter, zoals hiervóór overwogen, onrechtmatig jegens [appellante] . Intralectric dient de schade die [appellante] als gevolg van die onrechtmatige uitoefening van haar beslagbevoegdheid heeft geleden te vergoeden. De omstandigheid dat [A] niet voldeed aan zijn betalingsverplichting jegens Intralectric doet daaraan niet af. Die omstandigheid betekent immers niet dat er geen causaal verband kan bestaan tussen de onrechtmatige uitoefening van de beslagbevoegdheid door Intralectric en de door [appellante] gestelde schade.

29. Intralectric betwist in de tweede plaats dat er een causaal verband bestaat tussen (het handhaven van) het derdenbeslag en de executieverkoop door Obvion. De directe aanleiding voor de executieverkoop was, aldus Intralectric, dat [appellante] en [A] hun hypotheekverplichtingen niet (meer) nakwamen. Ook dit betoog slaagt niet. [appellante] en [A] hadden voor hun perceel een koper ( [verkoper] ) gevonden die bereid was een bedrag voor het perceel te betalen waarmee ook Obvion akkoord ging. Een executieverkoop zou daarmee worden vermeden. Als gevolg van het door Intralectric gehandhaafde derdenbeslag is die verkoop niet doorgegaan. Obvion is daarop alsnog overgegaan tot executieverkoop. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat er een direct - sine qua non - verband bestaat tussen de onrechtmatige handhaving van het derdenbeslag door Intralectric en de executieverkoop van het perceel door Obvion. Zonder bedoelde handhaving van het derdenbeslag was het niet tot die executieverkoop gekomen.

30. In de derde plaats bestaat er volgens Intralectric geen causaal verband tussen de onrechtmatige handhaving van het derdenbeslag en de lagere opbrengst bij de executieverkoop. Niet valt in te zien, aldus Intralectric, waarom het perceel bij de executieverkoop aan dezelfde kopers ( [verkoper] ) een lagere opbrengst heeft gegenereerd. Het hof kan Intralectric hierin niet volgen. Intralectric betwist niet dat het perceel bij de executieverkoop door Obvion een lagere opbrengst heeft gegenereerd dan de koopsom die [A] en [appellante] eerder met [verkoper] overeen waren gekomen. Nu, zoals hiervóór al aan de orde kwam, de handhaving van het derdenbeslag tot die executieverkoop heeft geleid, bestaat er naar het oordeel van het hof een causaal verband tussen de handhaving van het beslag en de minderopbrengst bij de executieverkoop. Het hof merkt overigens op dat een executieverkoop door een hypotheekhouder niet vergelijkbaar is met een reguliere verkoop door de eigenaren. Het is een feit van algemene bekendheid dat bij een executieverkoop over het algemeen lagere opbrengsten worden gerealiseerd dan bij een reguliere verkoop. Dat het perceel bij de executieverkoop minder heeft opgebracht dan de opbrengst die zou zijn gerealiseerd bij verkoop door [appellante] en [A] , hoeft dan ook geen verbazing te wekken.

Minderopbrengst

31. Het door [appellante] gevorderde bedrag van € 5.881,63 aan minderopbrengst is, afgezien van de hiervóór besproken betwisting van het causaal verband, niet door Intralectric weersproken en zal daarom worden toegewezen. Grief IX slaagt in zoverre.

32. Het door [appellante] in verband met de minderopbrengst gevorderde bedrag van
€ 5.000,00 zal worden afgewezen. [appellante] maakt niet duidelijk hoe dit bedrag zich verhoudt tot het (ook) door haar gevorderde bedrag van € 5.881,63, waardoor de mogelijkheid bestaat dat het bedrag van € 5.000,00 reeds geheel of gedeeltelijk in het bedrag van € 5.881,63 is verwerkt.

33. De door [appellante] gevorderde wettelijke rente over laatstgenoemd bedrag zal worden toegewezen vanaf 7 juli 2014 tot de dag der algehele voldoening. Pas vanaf 7 juli 2014 - de dag waarop het perceel na de executieverkoop is getransporteerd - was immers daadwerkelijk sprake van een verminderde opbrengst. Voor toewijzing van contractuele rente is geen plaats, nu het hier gaat om schade als gevolg van een vertraging in de voldoening van een geldsom, die krachtens artikel 6:119 BW is vastgesteld op de wettelijke rente.

Kosten verzoekschriftprocedure

34. Het door [appellante] gevorderde bedrag van € 2.117,24 aan kosten ter zake de verzoekschriftprocedure is, afgezien van de hiervóór besproken betwisting van het causaal verband, niet weersproken en zal daarom worden toegewezen. Eveneens toewijsbaar is de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 7 juli 2014, aangezien deze kosten voorkomen op de nota van afrekening van de overdracht. Ook in zoverre slaagt grief IX.

Kosten kort geding procedure

35. Het door [appellante] gevorderde bedrag van € 3.228,69 dat door Obvion in verband met de kosten van de procedure in kort geding bij haar in rekening is gebracht, zal worden toegewezen, nu niet weersproken is dat Obvion deze kosten aan [appellante] heeft doorberekend. Deze schade van [appellante] moet redelijkerwijs worden toegerekend aan de door Intralectric gelegde (en met betrekking tot het derdenbeslag gehandhaafde) beslagen. De wettelijke rente over dit bedrag is verschuldigd met ingang van 24 september 2014, nu het hof niet gesteld of gebleken is per welke datum Obvion deze kosten in rekening heeft gebracht. Grief VIII is derhalve terecht voorgesteld.

Renteschade in verband met latere aflossing

36. Op 7 juli 2014 is het perceel - na de executieverkoop - aan [verkoper] geleverd. [appellante] heeft met betrekking tot de periode vanaf 2 januari tot 7 juli 2014 een bedrag van
€ 4.861,01 aan renteschade gevorderd. Daarbij gaat het om de contractuele rente van 5,1% die [appellante] in genoemde periode aan Obvion heeft betaald over het bedrag dat aan Obvion zou zijn afgelost indien de verkoop van het perceel door [appellante] en [A] aan [verkoper] doorgang zou hebben gevonden. Dit aflossingsbedrag is volgens [appellante] € 186.040,65.

37. Intralectric heeft de wijze waarop [appellante] de door haar gevorderde contractuele rente heeft berekend niet weersproken. Gelet op zijn hiervóór in r.o. 8 – 21 neergelegde beoordeling van het derdenbeslag, zal het hof de gevorderde contractuele rente toewijzen met betrekking tot de periode vanaf 3 maart 2014 (de dag waarop de handhaving van het derdenbeslag door Intralectric onrechtmatig werd) tot en met 7 juli 2014. Dan gaat het om een bedrag van (€ 186.040,65 maal 5,1%, gedeeld door 365, maal 127 =) € 3.301,33. Over dit bedrag zal de door [appellante] gevorderde wettelijke rente worden toegewezen conform vordering vanaf de dag van dagvaarding.

Buitengerechtelijke kosten

38. [appellante] komt in haar grieven op tegen de afwijzing door de kantonrechter van de door haar gevorderde buitengerechtelijke kosten. Zij stelt buitengerechtelijke kosten te hebben gemaakt, wat door Intralectric wordt betwist.

39. Nu [appellante] niet concreet heeft gesteld dat zij enige werkzaamheden heeft verricht die haar aanspraak op een bedrag aan buitengerechtelijke kosten rechtvaardigen, heeft de kantonrechter de vordering terecht afgewezen. Er bestaat pas recht op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, indien daadwerkelijk incassohandelingen zijn verricht (vgl. HR 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1405). De grief faalt dus.

conclusie

40. Gelet op het voorgaande kan het bestreden vonnis deels niet in stand blijven. Het hof zal voor de duidelijkheid het bestreden vonnis in zijn geheel vernietigen en het dictum herformuleren.

41. Intralectric zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in beide instanties. Hieronder zijn begrepen de (nog te maken) nakosten, waarvoor de onderstaande veroordeling een executoriale titel geeft (HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116). Ingevolge artikel 237 lid 3 Rv blijft de vaststelling van de proceskosten door het hof in dit arrest beperkt tot de vóór de uitspraak gemaakte kosten. Over de toegewezen bedragen aan proceskosten zal wettelijke rente worden toegewezen als na te melden. De genoemde veroordelingen zullen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Grief X slaagt.

42. Bij gebreke van een gespecificeerd bewijsaanbod in hoger beroep van stellingen die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden leiden wordt aan bewijslevering niet toegekomen.

Beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

( i) vernietigt het bestreden vonnis;

en opnieuw recht doende:

(ii) veroordeelt Intralectric tot betaling aan [appellante] van het bedrag van € 1.377,72, te vermeerderen met 5,1% rente over dat bedrag vanaf 2 januari 2014 tot de dag der algehele voldoening,

(iii) veroordeelt Intralectric tot betaling aan [appellante] van het bedrag van € 5.881,63, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 7 juli 2014 tot de dag der algehele voldoening,

(iv) veroordeelt Intralectric tot betaling aan [appellante] van het bedrag van € 2.117,24, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 7 juli 2014 tot de dag der algehele voldoening,

( v) veroordeelt Intralectric tot betaling aan [appellante] van het bedrag van € 3.228,69, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 24 september 2014 tot de dag der algehele voldoening,

(vi) veroordeelt Intralectric tot betaling aan [appellante] van het bedrag van € 3.301,33, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 24 september 2014 tot de dag der algehele voldoening,

(vii) veroordeelt Intralectric in de kosten van de procedure in eerste aanleg, tot op heden aan de zijde van [appellante] begroot op een bedrag van € 566,80 aan verschotten
(€ 104,80 aan kosten dagvaarding en € 462,00 aan griffierecht) en € 800,00 aan salaris gemachtigde,

(viii) veroordeelt Intralectric in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [appellante] begroot op € 807,84 aan verschotten (€ 96,84 aan kosten dagvaarding en € 711,00 aan griffierecht) en € 1.158,00 aan salaris advocaat,

(ix) bepaalt dat de hiervóór onder (vii) en (viii) toegewezen bedragen aan proceskosten binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening,

( x) verklaart het arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad,

(xi) wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.T. van der Hoeven-Oud, M.J. van der Ven en
W.M. Limborgh en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juni 2016 in aanwezigheid van de griffier.