Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:1543

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-05-2016
Datum publicatie
18-07-2016
Zaaknummer
200.176.541/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:2843, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

executiegeschil; dwangsommen verbeurd?; artikel 47 Awr; plicht tot verstrekken van informatie aan Belastingdienst t.a.v. buitenlands vermogen (KB Lux)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-1858
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.176.541/01

Zaak/rolnummer rechtbank : C/09/488954 / KG ZA 15-701

Arrest d.d. 10 mei 2016

inzake

[appellant]

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. S. Bharatsingh te Den Haag,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Financiën),

zetelend te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. W.I. Wisman te Den Haag.

Het geding

Voor het verloop van het geding tot aan 3 november 2015 verwijst het hof naar zijn arrest van die datum. Bij dat arrest is de incidentele vordering van [appellant] tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 21 juli 2015 afgewezen en is de zaak naar de rol verwezen voor memorie van antwoord in de hoofdzaak. De Staat heeft die memorie van antwoord (met producties) op 15 december 2015 genomen. Partijen hebben hun zaak doen bepleiten op 24 maart 2016, beiden aan de hand van pleitnotities, waarna zij arrest hebben gevraagd. Arrest wordt gewezen op basis van de ten behoeve van het pleidooi overgelegde stukken.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het hof blijft bij zijn vaststelling van de feiten zoals weergegeven (onder 1.) in zijn eerdergenoemd arrest van 3 november 2015 in het incident. Volledigheidshalve neemt het hof deze feiten (op een enkel onderdeel iets anders geformuleerd, maar de strekking blijft hetzelfde) hieronder over. Met inachtneming van deze feiten en van hetgeen overigens uit de stukken als niet (voldoende) gemotiveerd weersproken naar voren is gekomen, gaat het in deze zaak om het volgende.

1.1.

De Belastingdienst heeft in 2009 op grond van artikel 47, eerste lid, onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (verder: Awr), naar aanleiding van een uit onderzoek naar voren gekomen vermoeden dat [appellant] buitenlandse bankrekeningen heeft (gehad) die in aangiften inkomsten- en/of vermogensbelasting niet zijn betrokken, aan [appellant] verzocht daarop betrekking hebbende formulieren in te vullen en bescheiden te verstrekken. [appellant] heeft vervolgens opgave gedaan van twee bankrekeningen in België. Hierna heeft de Belastingdienst aan [appellant] zijn voornemen kenbaar gemaakt om navorderingsaanslagen en boetes op te leggen, omdat hij beschikt over gegevens van een tipgever dat [appellant] één of meer bankrekeningen heeft (gehad) bij een vestiging van de Rabobank Luxembourg. In 2010 heeft de Belastingdienst dat voornemen herhaald. [appellant] heeft niet gereageerd, waarna de Belastingdienst navorderingsaanslagen en boetes aan [appellant] heeft opgelegd. [appellant] heeft daartegen bezwaar gemaakt en beroep ingesteld, stellende dat hij geen bankrekening in het buitenland heeft.

1.2.

De Belastingdienst heeft op 21 december 2011 aan [appellant] een informatiebeschikking op grond van artikel 52a van de Awr gezonden. Daarin wordt [appellant] nogmaals verzocht opgaaf te doen van zijn in 2009 aangehouden bankrekeningen en/of beleggingen in het buitenland en van de saldi daarop per 1 januari en 31 december 2009 en van zijn overige vermogensbestanddelen van box III per 1 januari en 31 december 2009.

1.3.

Op vordering van de Belastingdienst heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank 's-Gravenhage bij vonnis van 3 april 2012 (onder meer) [appellant] bevolen om – binnen zeven dagen na het uitspreken van het vonnis en nadat de Belastingdienst de wijze van informatieverstrekking heeft bepaald – aan de Belastingdienst te verstrekken alle gegevens en inlichtingen betreffende de door (onder meer) [appellant] in de periode vanaf 1 januari 1998 tot de datum van het vonnis in het buitenland aangehouden bankrekeningen en/of andere in het buitenland aangehouden vermogensbestanddelen, waaronder in ieder geval, maar niet uitsluitend, inlichtingen en gegevens over bankrekeningen aangehouden bij de Rabobank Luxembourg, onder de voorwaarde dat de gegevens en inlichtingen duidelijk, stellig en zonder voorbehoud mondeling en/of schriftelijk op een door de Belastingdienst nader te bepalen wijze worden verstrekt, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.000,- per dag, met een maximum van € 300.000,-.

1.4.

Bij brief van 5 april 2012 aan de advocaat van [appellant] heeft de Belastingdienst verzocht de gevraagde gegevens en inlichtingen te vermelden op een bij de brief gevoegd formulier (“Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en) en/of vermogensbestanddelen”), de gestelde vragen te beantwoorden op een ander bij de brief gevoegd formulier (“Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en)”) en deze formulieren, door [appellant] getekend en vergezeld van de gevraagde bescheiden, afschriften van de desbetreffende bankrekeningen en overzichten van de effectenportefeuille over de periode 1 januari 1998 tot en met 31 december 2011, in te zenden. De Belastingdienst heeft daarbij medegedeeld voornemens te zijn (de advocaat en) [appellant] zo nodig voor een mondelinge toelichting uit te nodigen. Een afschrift van deze brief is aan [appellant] gestuurd. Ook nu heeft [appellant] alleen opgave van een tweetal bankrekeningen in België gedaan.

1.5.

Bij arrest van 24 april 2012 (ECLI:NL:GHSGR:2012:BW4595) heeft dit hof het door de voorzieningenrechter bij vonnis van 3 april 2012 aan [appellant] gegeven bevel tot informatieverstrekking (zie onder 1.3. hierboven) bekrachtigd.

Het hof heeft in dit arrest – voor zover hier van belang – voorts het volgende overwogen (r.o. 22):

“Ten aanzien van [appellant] wordt als volgt overwogen. (….) Volgens [appellant] heeft hij met de opgave van twee rekeningen in België aan zijn informatieverplichting voldaan. Volgens de Staat daarentegen is [appellant] op grond van de informatie van de tipgever, die als betrouwbaar moet worden aangemerkt, - na een identificatieonderzoek in het BVR-systeem en via onderzoek naar beschikbare telefoongegevens – geïdentificeerd als rekeninghouder bij de Rabobank Luxembourg, zodat hij niet kan volstaan met een blote ontkenning. Het hof is het voorshands ermee eens dat er een gerechtvaardigde verdenking ten aanzien van een rekening in Luxemburg is ontstaan en dat de Belastingdienst hierover nadere vragen mag stellen. Een blote ontkenning door [appellant] is in dit geval onvoldoende voor de conclusie dat [appellant] heeft voldaan aan de in artikel 47 AWR opgenomen informatieverplichting. (…)”

Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [appellant] heeft beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.

1.6.

Bij brieven van 11 oktober 2012 en 19 november 2012 heeft de Belastingdienst de advocaat van [appellant] opgeroepen voor een onderhoud en daarbij op basis van artikel 41 Awr gevorderd dat [appellant] hem zal vergezellen. Een afschrift van beide brieven is aan [appellant] gestuurd.

1.7.

Bij arrest van 25 oktober 2013 (ECLI:NL:HR:2013:1042) heeft de Hoge Raad in het aan [appellant] door de voorzieningenrechter gegeven (zie 1.3.) en nadien door het hof bekrachtigde (zie 1.5.) bevel de restrictie aangebracht dat, voor zover dat bevel betrekking heeft op materiaal waarvan het bestaan van [appellant] afhankelijk is, dit materiaal slechts ten behoeve van de belastingheffing zal worden gebruikt. Voor het overige is het bevel in stand gelaten. De Hoge Raad heeft voorts aan [appellant] een nieuwe termijn van zeven dagen na zijn arrest gegeven waarbinnen deze aan zijn verplichtingen diende te voldoen.

1.8.

Bij brief van 19 december 2013 aan [appellant] – met afschrift aan diens advocaat -heeft de Belastingdienst onder verwijzing naar zijn eerdere brief van 5 april 2012 (zie hierboven onder 1.4.) en naar voormeld arrest van de Hoge Raad (hierna ook: het arrest van de Hoge Raad) meegedeeld dat [appellant] niet heeft voldaan aan de opgelegde informatieplicht en dat hij daarom met ingang van 2 november 2013 (namelijk: 7 dagen na 25 oktober 2013, de datum van het arrest van de Hoge Raad, hof) een dwangsom van € 2.000,- per dag verbeurt. De brief vermeldt voorts dat de Belastingdienst overweegt om tot inning van de verbeurde dwangsommen over te gaan indien [appellant] niet uiterlijk binnen veertien dagen de gevraagde gegevens en inlichtingen verstrekt op de in de brief van 5 april 2012 aangegeven wijze.

1.9.

Bij exploot van 24 december 2013 heeft de Staat aan [appellant] doen betekenen: een kopie van voormelde brief van 5 april 2012, een kopie van voormelde brief van 19 december 2013, het arrest van de Hoge Raad van 25 oktober 2013, het vonnis van de voorzieningenrechter van 3 april 2012 en het arrest van dit hof van 24 april 2012.

1.10.

Bij brief van 23 januari 2014, gericht aan de advocaat van [appellant], heeft de Belastingdienst, onder verwijzing naar zijn brief van 19 december 2013, opnieuw verzocht om een onderhoud:

“Bij brief van 19 december 2013 heeft de landsadvocaat u en uw cliënt aangeschreven inzake het verstrekken van de gevraagde inlichtingen op basis van artikel 47 AWR rond de vanaf 1998 tot op heden aangehouden bankrekeningen in het buitenland. Tot op heden is hierop noch van u noch van uw cliënt een reactie ontvangen.

Bij deze verzoek ik u om een onderhoud, waarbij ik op basis van artikel 41 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van u vorder dat uw cliënt de heer [appellant] u vergezelt naar dit onderhoud. (….)

De volgende dagen zijn hiertoe beschikbaar:

(….) [volgt een opsomming van data]

Graag verneem ik zo spoedig mogelijk van u een dag waarop het onderhoud kan plaatsvinden.”

Een afschrift van de brief is aan [appellant] verzonden.

1.11.

Op 1 mei 2014 heeft de Staat bij - ook per deurwaardersexploot betekende - brief aan [appellant] laten weten dat deze nog steeds niet aan zijn informatieplicht heeft voldaan en heeft de Staat de verjaring van de verbeurde dwangsommen gestuit. Ook hierna zijn nog stuitingsbrieven gestuurd. Op 15 januari 2015 heeft de Staat een dwangbevel tot betaling van € 300.000,- aan verbeurde dwangsommen, met kosten, aan [appellant] doen betekenen. Op 24 april 2015 heeft de Staat een beslagexploot op registergoederen van [appellant] aan deze doen betekenen.

1.12.

In juli 2015 heeft de Belastingdienst informatie ontvangen van de bevoegde autoriteiten van Luxemburg, inhoudende, kort samengevat, dat [appellant] samen met zijn echtgenote een bankrekening houdt bij de Crédit Agricole te Luxemburg, met in de jaren 2011, 2012 en 2013 aanzienlijke saldi.

2. [appellant] vordert in dit kort geding, zakelijk weergegeven, een verbod aan de Staat om over te gaan tot tenuitvoerlegging van het op 25 oktober 2013 door de Hoge Raad gewezen arrest, op straffe van verbeurte van een dwangsom, en met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3. Bij het bestreden vonnis is de vordering van [appellant] afgewezen. Daartegen richt zich het appel. De incidentele vordering van [appellant] tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis van 21 juli 2015 voor de duur van de behandeling van het hoger beroep, is door dit hof bij arrest van 3 november 2015 afgewezen op de grond dat dit vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Het hof heeft de uitspraak over de kosten in het incident aangehouden tot aan de einduitspraak.

4. In de hoofdzaak vordert [appellant] in appel dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest, zijn vordering alsnog zal toewijzen, met veroordeling van de Staat in de kosten.

5. Grief 1 is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat er geen twijfel over bestaat dat [appellant] dwangsommen heeft verbeurd. Volgens [appellant] heeft de voorzieningenrechter ten onrechte overwogen dat de brief van 19 december 2013 en de betekening daarvan op 24 december 2013, alsmede het verzoek van 23 januari 2014 om een onderhoud, voor [appellant] tenminste aanleiding had moeten zijn om een afspraak te maken met de Belastingdienst.

[appellant] heeft daartoe het volgende aangevoerd. De formulieren boden geen ruimte voor een gemotiveerde ontkenning. Het gaat er dus om of [appellant] niet heeft voldaan aan een verplichting om een nadere toelichting te geven. De voorzieningenrechter heeft de brief van 23 januari 2014 in dat verband ten onrechte aangemerkt als een verzoek van de Belastingdienst om een onderhoud. Het verzoek was immers gericht aan de advocaat van [appellant] en niet aan [appellant] zelf. Er werd slechts van de advocaat gevorderd dat [appellant] hem zou vergezellen. Van [appellant] zelf werd niets gevorderd. Als de Belastingdienst had gewild dat [appellant] bij een onderhoud aanwezig zou zijn, had hij de vordering dat [appellant] zijn gemachtigde zou vergezellen rechtstreeks aan de belastingplichtige moeten richten. De oproep ex artikel 41 Awr moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb en had gelet op artikel 3:41 Awb dan ook aan [appellant] zelf bekend moeten worden gemaakt. Ook als geen sprake is van een besluit, geldt deze eis, en wel op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het besluit is echter niet aan [appellant] verzonden, althans [appellant] heeft het niet ontvangen. De brief van 23 januari 2014 kon dus geen aanleiding vormen om een afspraak met de Belastingdienst te maken.

6. Bij de beoordeling van het appel staat het volgende voorop. [appellant] heeft zich niet beroepen op misbruik van bevoegdheid of op het dreigende ontstaan van een noodtoestand. De vordering van [appellant] is gebaseerd op de stelling dat hij geen dwangsommen heeft verbeurd. In een executiegeschil als het onderhavige, waarbij het erom gaat of dwangsommen zijn verbeurd omdat een veroordeling niet of onvoldoende is nageleefd, heeft de rechter niet tot taak de door de bodemrechter besliste rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen, maar dient hij zich ertoe te beperken de ter uitvoering van de veroordelende uitspraak te toetsen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld (zie o.a. HR 15 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9400, juncto conclusie PG 2.2).

7. Kernvraag is dus of [appellant] binnen de door de Hoge Raad gestelde termijn heeft voldaan aan het bevel tot informatieverstrekking zoals op 3 april 2012 gegeven door de voorzieningenrechter en nadien (voor zover thans relevant) in stand gelaten door achtereenvolgens het hof en de Hoge Raad op 24 april 2012 respectievelijk 25 oktober 2013.

8. Met de voorzieningenrechter is het hof van oordeel dat voormeld bevel in de kern inhoudt dat [appellant] verplicht is om op verzoek van de Belastingdienst en op een door de Belastingdienst aan te geven wijze mondeling en/of schriftelijk informatie te verstrekken over door hem in het buitenland aangehouden bankrekening(en) en/of andere buitenlandse vermogensbestanddelen. [appellant] heeft tegen de desbetreffende overweging van de voorzieningenrechter terecht geen grief gericht. Reeds in de brief van 5 april 2012 heeft de Belastingdienst duidelijk gemaakt dat hij de in het vonnis van 3 april 2012 (naar welk vonnis de brief expliciet verwijst) bedoelde informatie inderdaad zowel schriftelijk, namelijk door middel van formulieren, als mondeling, namelijk door middel van een nog te plannen onderhoud, wenst te ontvangen. Voor de goede orde merkt het hof op dat niet vaststaat dat [appellant] op/naar aanleiding van de aan hem toegestuurde formulieren afdoende schriftelijke informatie heeft verstrekt. De voorzieningenrechter heeft dit ook niet onomwonden vastgesteld (het is in het bestreden vonnis veeleer in het midden gelaten) en anders dan [appellant] kennelijk meent (pleitnota sub 5), bestond er voor de Staat, gelet op het voor hem positieve dictum, geen aanleiding om op dit punt grieven te formuleren. Wat daar echter ook van zij, nu de door [appellant] op de formulieren ingevulde antwoorden (opnieuw) slechts een blote ontkenning inhielden terwijl vaststaat dat [appellant] daarmee niet kan volstaan (zie het citaat onder 1.5.), kon er bij [appellant] geen twijfel over bestaan dat hij op grond van de veroordeling in ieder geval gehouden was gevolg te geven aan een oproep tot een onderhoud om een nadere toelichting te geven/antwoord te geven op nadere vragen. [appellant] heeft dat op zichzelf ook niet bestreden.

9. Nadat de Hoge Raad op 25 oktober 2013 het bevel tot informatieverstrekking in stand had gelaten en daarbij een nieuwe termijn had gesteld, heeft de Belastingdienst bij brief van 19 december 2013 [appellant] rechtstreeks aangeschreven en daarbij verwezen naar voormelde brief van 5 april 2012 en naar de achtereenvolgens door voorzieningenrechter, hof en Hoge Raad gewezen uitspraken. Al deze stukken zijn een paar dagen later, op 24 december 2013, ook aan [appellant] betekend (zie 1.9). Op 23 januari 2014 volgde de hierboven (onder 1.10) vermelde oproepingsbrief. Naar het voorlopig oordeel van het hof moest [appellant] in ieder geval op dat moment (zo niet al eerder, in 2012) in redelijkheid begrijpen wat de Belastingdienst van hem verwachtte, namelijk dat hij contact zou opnemen om een datum voor een onderhoud te plannen en dat hij (samen met zijn advocaat) op dat onderhoud zou verschijnen teneinde mondeling informatie te verstrekken zoals bevolen door de rechter.

10. Het hof acht niet juist de stelling van [appellant] dat de brief van 23 januari 2014 aan hem in persoon had moeten worden gestuurd. Anders dan [appellant] meent, is een oproep ex artikel 41 Awr naar voorlopig oordeel van het hof geen besluit, maar een feitelijke handeling omdat de verplichting tot medewerking rechtstreeks voortvloeit uit de Awr en de oproep slechts een uitvoering daarvan is. Daaraan doet niet af dat artikel 41 Awr genoemd wordt in artikel 52a Awr. In laatstgenoemd artikel is bepaald, kort gezegd, dat indien met betrekking tot een op te leggen aanslag niet of niet volledig wordt voldaan aan de verplichtingen ingevolge (onder meer) artikel 41 Awr, de inspecteur dit kan vaststellen bij voor bezwaar vatbare beschikking (informatiebeschikking). Dat betekent echter niet dat de oproep ex artikel 41 Awr als zodanig óók een beschikking/besluit is. Afgezien daarvan is van belang dat, zoals de Staat ter zitting terecht heeft aangevoerd, het bevel aan [appellant] tot informatieverschaffing geen vormvereisten bevat waaraan de Belastingdienst moet voldoen, in die zin dat uit die veroordeling zou volgen dat slechts dan sprake zou kunnen zijn van het verbeuren van dwangsommen indien eventuele oproepen voor een onderhoud aan [appellant] in persoon zouden zijn toegestuurd. Dat de Belastingdienst op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur gehouden zou zijn de oproepen rechtstreeks aan [appellant] te richten, vindt geen steun in het recht, laat staan dat het niet volgen van een dergelijke gedragslijn zou betekenen dat [appellant] hoe dan ook geen dwangsommen kan verbeuren. Daarbij is mede van belang dat de Staat onweersproken heeft gesteld dat hij zich op uitdrukkelijk verzoek van de advocaat van [appellant] niet tot [appellant] zelf, maar tot diens advocaat heeft gewend. Niet in geschil is voorts dat alle aan de advocaat van [appellant] gerichte brieven, waaronder de brief van 23 januari 2014, in afschrift aan [appellant] zijn gestuurd. Het mag bovendien van een advocaat worden verwacht dat hij de aan hem gestuurde brieven aan zijn cliënt doorstuurt, althans hem in kennis stelt van de inhoud ervan. [appellant] heeft ook niet gesteld dat dit niet is gebeurd.

11. Uit het voorgaande volgt dat voor [appellant] redelijkerwijs geen twijfel kon bestaan omtrent de vraag wat hij moest doen om aan de informatieverplichting te voldoen, maar dat hij dit vervolgens heeft nagelaten. Ter zitting in appel heeft de advocaat van [appellant] weliswaar gesteld dat hij naar aanleiding van de brief van 23 januari 2014 telefonisch contact heeft opgenomen met de Belastingdienst en heeft medegedeeld dat zijn cliënt op de voorgestelde data wegens verblijf in Turkije verhinderd was, maar hij heeft niet gesteld dat hij namens [appellant] daarbij een of meer andere data heeft voorgesteld dan wel dat hij en/of [appellant] zelf op enige andere wijze blijk heeft gegeven van een coöperatieve houding ten aanzien van de pogingen van de Belastingdienst om een datum voor een onderhoud te plannen. Dit kon en mocht wel van [appellant] worden verwacht.

12. Het bovenstaande betekent dat het hof niet meer hoeft in te gaan op de discussie rond de brieven van 11 oktober 2012 en 19 november 2012, nu [appellant] in elk geval na 23 januari 2014 actie had moeten ondernemen. Het hof volstaat dan ook met de overweging dat mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, de door [appellant] in verband met de brieven uit 2012 aangevoerde argumenten evenmin slagen. Grief 1 faalt dus.

12. Met grief 2 bepleit [appellant] matiging van de opgelegde dwangsom, primair tot nihil. Hij voert daartoe aan dat hij in belangrijke mate aan de veroordeling heeft voldaan door de formulieren in te vullen en dat dan hooguit resteert dat hij geen mondelinge toelichting heeft gegeven. Volgens [appellant] kan hem daarvan slechts in zeer geringe mate een verwijt gemaakt worden, omdat de oproep van 23 januari 2014 niet aan hem gericht was. Ook deze grief faalt. Het hof oordeelt in dit geding als executierechter oordeelt en uit art. 611d Rv volgt dat slechts de rechter die de dwangsom heeft opgelegd, de dwangsom, kort gezegd, kan wijzigen in geval van blijvende of tijdelijke onmogelijkheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen (HR 15 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB8095). Dat in het veroordelend vonnis een matigingsclausule is opgenomen kan daar niet aan afdoen. Zoals de Staat terecht heeft aangevoerd, kan daarin alleen een algemene verwijzing worden gelezen naar de bevoegdheden die de (dwangsom)rechter toekomen op grond van artikel 611d Rv.

14. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het appel geen succes heeft. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Bij deze uitkomst past dat [appellant] in de proceskosten in appel (daaronder begrepen de kosten van het incident) wordt veroordeeld. Zoals gevorderd door de Staat zal het hof bepalen dat bij niet-betaling over de proceskosten wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na datum arrest. Conform de vordering van de Staat zal de proceskostenveroordeling voorts uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt [appellant] in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 711,- aan griffierecht en € 3.576,- aan salaris advocaat, bij niet-betaling te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van veertien dagen na de datum van dit arrest;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.M. Dousma-Valk, M.P.J. Ruijpers en H.C. Grootveld en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 mei 2016 in aanwezigheid van de griffier.