Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:1528

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17-05-2016
Datum publicatie
01-06-2016
Zaaknummer
BK-14/01566 tot en met BK-14/01570
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:12613, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:1337
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of de rechtbank de beroepen met betrekking tot de onderhavige (navorderings)aanslagen terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard; de bezwaarschriften – met uitzondering van het bezwaar tegen de navorderingsaanslag ib/pvv voor het jaar 2004 – terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard wegens termijnoverschrijding; of belanghebbende in de onderhavige jaren recht heeft op hypotheekrenteaftrek; en of de Inspecteur naar aanleiding van een kasopstelling terecht het belastbaar inkomen uit werk en woning voor de jaren 2007 en 2008 heeft verhoogd in verband met een laag, dan wel negatief netto privé.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-1378
Viditax (FutD), 14-07-2017
V-N Vandaag 2016/1202

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-14/01566 t/m BK-14/01570

Uitspraak van 17 mei 2016

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Rotterdam, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 oktober 2014, nummers SGR 13/9056, SGR 13/9057, SGR 13/9058, SGR 13/9059 en SGR 13/9060, betreffende na te vermelden (navorderings)aanslagen, beschikkingen inzake heffingsrente en vergrijpboete.

(Navorderings)aanslagen, beschikkingen, bezwaren en geding in eerste aanleg

1.1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2004 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (ib/pvv) opgelegd (BK-14/01566), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 55.571. Gelijktijdig is bij beschikking € 2.923 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag ib/pvv 2004 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.678 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.311. Gelijktijdig is bij beschikking de heffingsrente verminderd tot € 596.

1.2.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2005 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd (BK-14/01567), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.750 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.242. Gelijktijdig is bij beschikking € 714 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.2.

De Inspecteur heeft het tegen de navorderingsaanslag ib/pvv 2005 gerichte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.3.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2006 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd (BK-14/01568), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.420 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.508. Gelijktijdig is bij beschikking € 669 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.3.2.

De Inspecteur heeft het tegen de navorderingsaanslag ib/pvv 2006 gerichte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.4.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2007 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd (BK-14/01569), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 43.636 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.737. Gelijktijdig is bij beschikkingen € 1.283 aan heffingsrente in rekening gebracht en een vergrijpboete van € 1.865 opgelegd.

1.4.2.

De Inspecteur heeft het tegen de navorderingsaanslag ib/pvv 2007 gerichte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.5.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2008 een definitieve aanslag ib/pvv opgelegd (BK-14/01570), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.567 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.989. Gelijktijdig is bij beschikking € 1.051 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.5.2.

De Inspecteur heeft het tegen de aanslag ib/pvv 2008 gerichte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft de beroepen niet-ontvankelijk verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 122. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 25 augustus 2015, gehouden te Den Haag. Ter zitting is tevens behandeld het hoger beroep van [A] in de zaken met kenmerk BK-14/01541 t/m BK-14/01546, van [A] in de zaken met kenmerk BK-14/01547 t/m BK-14/01559 en van [B] in de zaken met kenmerk BK-14/01560 t/m BK-14/01565. Voor zover in die zaken door partijen stukken zijn overgelegd, worden die stukken geacht ook in de onderhavige procedure te zijn overgelegd. Tevens wordt hetgeen door partijen in die zaken voor het overige is aangevoerd, aangemerkt als te zijn aangevoerd in de onderhavige zaken. Van het verhandelde ter zitting is één proces-verbaal opgemaakt.

2.3.

Na sluiting van het onderzoek heeft een briefwisseling plaatsgevonden. Belanghebbende heeft bij brieven, gedagtekend 28 augustus 2015 en 1 september 2015, nog enkele stukken met bijlages ingezonden. De Inspecteur heeft daarop bij brief, gedagtekend 14 september 2015, gereageerd. Het Hof heeft een afschrift van de reactie van de Inspecteur aan belanghebbende doen toekomen.

2.4.

De Inspecteur heeft ingevolge een door het Hof ter zitting tot hem gericht verzoek als aanvulling op het aldaar verhandelde bij brief, gedagtekend 3 september 2015, nog enkele gegevens van feitelijke aard met betrekking tot de voor het jaar 2007 aan belanghebbende opgelegde vergrijpboete ingezonden. Het Hof heeft een afschrift van deze brief aan belanghebbende doen toekomen.

2.5.

Een tweede mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 1 december 2015, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Ter zitting is tevens behandeld het hoger beroep van [A] in de zaken met kenmerk BK-14/01541 t/m BK-14/01546, van [A] in de zaken met kenmerk BK-14/01547 t/m BK-14/01559 en van [B] in de zaken met kenmerk BK-14/01560 t/m BK-14/01565. Voor zover in die zaken door partijen stukken zijn overgelegd, worden die stukken geacht ook in de onderhavige procedure te zijn overgelegd. Tevens wordt hetgeen door partijen in die zaken voor het overige is aangevoerd, aangemerkt als te zijn aangevoerd in de onderhavige zaken. Van het verhandelde ter zitting is één proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3. Het Hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de rechtbank hieromtrent in haar uitspraak heeft vastgesteld.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

In geschil is of:

  1. de rechtbank de beroepen met betrekking tot de onderhavige (navorderings)aanslagen terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard;

  2. de bezwaarschriften – met uitzondering van het bezwaar tegen de navorderingsaanslag ib/pvv voor het jaar 2004 – terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard wegens termijnoverschrijding;

  3. (a) belanghebbende in de onderhavige jaren recht heeft op hypotheekrenteaftrek;

( b) de Inspecteur naar aanleiding van een kasopstelling terecht het belastbaar inkomen uit werk en woning voor de jaren 2007 en 2008 heeft verhoogd in verband met een laag, dan wel negatief netto privé.

4.2.

Belanghebbende beantwoordt de vragen 1, 2 en 3(b) ontkennend en vraag 3(a) bevestigend.

4.3.

De Inspecteur is een tegenovergestelde mening toegedaan.

4.4.

Voor de onderbouwing van de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding.

Conclusies van partijen

5.1.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vermindering van de aanslagen conform de belastbare inkomens welke volgen uit het bij het nader stuk van 17 juli 2015 als bijlage gevoegde accountantsrapport (met bijlagen), tot overeenkomstige vermindering van de beschikkingen inzake heffingsrente, alsmede tot vernietiging van de vergrijpboete.

5.2.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft – voor zover in hoger beroep van belang – als volgt geoordeeld:

"Ontvankelijkheid beroepen

13.1.

Aan de behandeling van de hiervoor genoemde geschilpunten gaat vooraf de vraag of de beroepen ontvankelijk zijn. Daarom zal de rechtbank die vraag allereerst dienen te beantwoorden.

13.2. [

Belanghebbende] heeft op 11 november 2013 in alle zaken beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij (vijf) brieven van 13 november 2013 heeft de rechtbank [belanghebbende] in alle zaken verzocht de gronden van de beroepen mee te delen binnen vier weken na de datum van verzending van de brieven. Op 16 december 2013 heeft [belanghebbende] in alle zaken de gronden van de beroepen aan de rechtbank meegedeeld.

13.3.

De beroepschriften bevatten aldus bij indiening daarvan op 11 november 2013, hoewel artikel 6:5, eerste lid, letter d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zulks vereist, niet de gronden van beroep. Dat betekent dat [belanghebbende] ingevolge artikel 6:6 Awb in de gelegenheid dient te worden gesteld dat verzuim te herstellen binnen een door de rechtbank daartoe gestelde termijn. Indien [belanghebbende] dat verzuim vervolgens niet binnen die termijn herstelt dient de rechtbank de beroepen niet-ontvankelijk te verklaren (vgl. Hoge Raad 25 november 2011, nr. 10/05394, ECLI:NL:HR:2011:BR4813).

13.4. [

Belanghebbende] voert aan dat niet-ontvankelijkverklaring achterwege dient te blijven omdat hij de brieven van 13 november 2013 nooit heeft ontvangen. Omdat hij na indiening van de beroepen niets meer van de rechtbank had gehoord heeft hij bovendien op eigen initiatief de rechtbank benaderd en daarop de gronden ingediend op 16 december 2013. [Belanghebbende] heeft ter ondersteuning van zijn standpunt een brief overgelegd met dagtekening 9 december 2013 en een ‘verzend controle rapport’ van een fax met dagtekening 7 december 2012, tijd 03:29 en een tijdsduur 00:00:20.

13.5.

Nu [belanghebbende] ontkent de brieven van 13 november 2013 te hebben ontvangen acht de rechtbank allereerst van belang te onderzoeken of de brieven door de rechtbank zijn verzonden. Het digitale procedureregister van de rechtbank bevat de aantekening dat op 13 november 2013 de brieven waarin de gronden zijn opgevraagd (het zogeheten kruisjesformulier) op die dag zijn verzonden. De dossiers bevatten ook kopieën van de desbetreffende brieven. De rechtbank acht daarmee aannemelijk dat deze zijn verzonden.

De Hoge Raad heeft op 15 december 2006, nr. 41 882, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416, ter zake van verzending en ontvangst van een rechtens van belang zijnd document geoordeeld dat de omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, het vermoeden rechtvaardigt van ontvangst van het document op dat adres. Het ligt vervolgens op de weg van de belastingplichtige voormeld vermoeden te ontzenuwen.

13.6.

De rechtbank ziet in hetgeen [belanghebbende] in dat verband aanvoert geen aanleiding om te veronderstellen dat de ontvangst redelijkerwijs moet worden betwijfeld. De enkele ontkenning acht de rechtbank in dit geval onvoldoende, maar ook de door [belanghebbende] overgelegde bewijsstukken leiden niet tot een ander oordeel. [Belanghebbende] heeft een brief overgelegd van 9 december 2013 waarin hij informeert naar de stand van zaken met betrekking tot de op 11 november 2013 ingediende beroepen en van welke brief hij stelt deze op 7 december 2013 te hebben gefaxt. [Belanghebbende] heeft ter ondersteuning van zijn standpunt een ‘verzend controle rapport’ bijgevoegd. De rechtbank heeft de brief van 9 december 2013 echter niet ontvangen. Het ‘verzend controle rapport’ kan ook niet dienen ter ondersteuning van [belanghebbendes] standpunt dat hij tijdig contact heeft gezocht met de rechtbank en derhalve - naar de rechtbank begrijpt - het verzuim tijdig heeft hersteld. Het ‘verzend controle rapport’ dateert immers van een jaar eerder, namelijk 7 december 2012.

Slotsom

14. Dat betekent dat [belanghebbende] met zijn aanvullingen van 16 december 2013 het verzuim na de door de rechtbank geboden termijn - uiterlijk 11 december 2013 - en dus te laat heeft hersteld en dat de beroepen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard."

Beoordeling van het hoger beroep

Ontvankelijkheid beroepen (alle jaren)

7.1.

Niet in geschil is dat belanghebbende op 11 november 2013 in alle zaken pro forma beroep heeft ingesteld en dat hij bij een op 16 december 2013 bij de rechtbank ingekomen brief de beroepen heeft voorzien van een motivering.

7.2.

Belanghebbende ontkent brieven van de rechtbank van 13 november 2013 te hebben ontvangen waarin belanghebbende is verzocht de gronden van de beroepen mee te delen uiterlijk binnen vier weken na de datum van verzending van die brieven (derhalve: uitgaande van verzending op 13 november 2013 uiterlijk op 11 december 2013). Belanghebbende voert aan dat hij na indiening van het pro forma beroepschrift een nota griffierecht heeft ontvangen, maar verder niets meer vernam van de rechtbank en dat hij daarom op eigen initiatief de rechtbank heeft benaderd met het oog op herstel van het motiveringsverzuim. Ter ondersteuning van dat standpunt heeft belanghebbende in hoger beroep in de eerste plaats aangevoerd dat zijn zoon - die in de procedure voor de rechtbank optrad als de gemachtigde van belanghebbende - daarover telefonisch contact heeft opgenomen met de rechtbank. Verder heeft belanghebbende, evenals voor de rechtbank, gewezen op een per fax verzonden brief (met dagtekening 9 december 2013). Tot slot heeft belanghebbende gewezen op een door hem bij nader stuk in het geding gebrachte verklaring van de heer [C] , postbode.

7.3.

De rechtbank heeft in onderdeel 13.5 van haar uitspraak onderzocht of de bedoelde verzuimbrieven zijn verzonden. Gelet op de aantekening in het digitale procedureregister en de kopieën van de brieven in de desbetreffende dossiers, heeft zij aannemelijk geacht dat de brieven op 13 november 2013 zijn verzonden. Het Hof maakt, nu uit de stukken van het geding niet het tegendeel is gebleken, deze beslissing alsmede de daartoe door de rechtbank gebezigde gronden tot de zijne. In het door de rechtbank in haar uitspraak vermelde arrest van de Hoge Raad is geoordeeld dat de omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, het vermoeden rechtvaardigt van ontvangst van het poststuk op dat adres (HR 15 december 2006, nr. 41882, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416, BNB 2007/112, r.o. 3.2.2). Anders dan belanghebbende in hoger beroep betoogt, is in dit verband - in het kader van het aannemen van vorenbedoeld vermoeden - niet relevant of de per post verzonden stukken al dan niet aangetekend zijn verzonden. Gelet op het hiervoor overwogene, ligt het op de weg van belanghebbende het vermoeden van ontvangst van de verzuimbrieven te ontzenuwen. Hiertoe is voldoende dat op grond van hetgeen belanghebbende aanvoert de ontvangst redelijkerwijs moet worden betwijfeld.

7.4.1.

De zoon van belanghebbende heeft ter zitting van het Hof verklaard allerlei brieven van de rechtbank te hebben ontvangen in verband met de lopende procedures inzake aan hemzelf en andere leden van zijn familie opgelegde (navorderings)aanslagen in de ib/pvv, maar geen brieven die betrekking hebben op de zaak van zijn vader. Hij heeft voorts verklaard dat hij daarom telefonisch contact heeft opgenomen met de rechtbank, dat daarop kopieën van de verzuimbrieven aan hem zijn verzonden en dat hij vervolgens meteen alles op de fax heeft gezet.

7.4.2.

Met deze verklaring is belanghebbende niet erin geslaagd het vermoeden van ontvangst van de verzuimbrieven te ontzenuwen. Belanghebbende heeft een en ander pas in hoger beroep gesteld. Omtrent het gestelde telefoongesprek is niets vastgelegd bij de rechtbank. Onduidelijk is op welke dag en met welke medewerker van de rechtbank is gesproken. Ook belanghebbende zelf heeft daarover geen duidelijkheid verschaft. Het dossier biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het bewuste telefoongesprek heeft plaatsgehad, noch voor het oordeel dat daarna kopieën van de verzuimbrieven (nogmaals) aan belanghebbende zouden zijn verzonden. Evenmin is aannemelijk geworden dat op telefonisch verzoek uitstel van de motiveringstermijn zou zijn verleend. Zo vermeldt noch de per fax verzonden brief van belanghebbende (met dagtekening 9 december 2013), noch de op 16 december 2013 ingekomen motivering van de beroepen daaromtrent iets, terwijl dat wel voor hand had gelegen.

7.5.1.

De per fax verzonden brief (met dagtekening 9 december 2013) vermeldt het volgende:

"In de week van 11 november 2013 heb ik met betrekking tot bovenvermelde BSN nummer Pro forma Beroepsbesluiten ingediend.

Tot heden heb ik hier geen bericht over mogen ontvangen met betrekking tot verder beloop. Wel heb ik een nota ontvangen welke reeds door cliënt is voldaan.

Gaarne verneem ik van u, zoals in alle overige beroepszaken ik voor de fam. [X] heb ingediend, met de volgende Bsnnr: (…) wat de termijn is van aanvulling motivering beroepschriften en of er nog andere nota's zijn verzonden en door cliënt voldaan moeten worden, daar er slechts maar 1 nota is ontvangen."

Deze fax is voorzien van het volgende stempel: "ingekomen op de griffie 15 dec. 2013 Rechtbank Den Haag, Belastingrecht". Voorts staat in de linkerbovenhoek van het faxbericht: "07/12/2012 03:29", terwijl in de rechteronderhoek staat: "15/12 2013 zon 23:52".

7.5.2.

Gelet op het daarop geplaatste stempel is aannemelijk dat de bedoelde fax op 15 december 2013 door de rechtbank is ontvangen. Steun daarvoor biedt ook de vermelding "15/12 2013 zon 23:52" rechts onderaan de fax, waaruit kan worden afgeleid dat deze op zondagavond 15 december 2013 om 23:52 uur is ingekomen. Dat de tijd en de datuminstelling van de fax bij belanghebbende niet juist waren ingesteld, zoals belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd, klopt gelet op de vermelding "07/12/2012 03:29" links bovenaan de fax, waaruit een – apert onjuiste – verzenddatum van 7 december 2012 valt af te leiden.

7.5.3.

Deze fax biedt evenwel geen soelaas voor belanghebbende, aangezien het Hof geen geloof hecht aan de inhoud daarvan. In deze fax van 15 december 2013 (met de brief met dagtekening 9 december 2013) wordt namens belanghebbende gemeld dat nog geen bericht is ontvangen over de termijn waarbinnen het motiveringsverzuim dient te zijn hersteld en wordt verzocht om een hersteltermijn, terwijl een dag later, op 16 december 2013, namens belanghebbende de gronden van het beroep bij de rechtbank zijn ingekomen (bij brief met dagtekening 7 december 2013). De inhoud van beide stukken valt, gelet op de datum van binnenkomst alsmede de dagtekening daarvan, niet met elkaar te rijmen. Verder verdient opmerking dat zowel de fax van 15 december 2013 als de brief waarin de gronden worden medegedeeld, zijn ingekomen na de uiterste datum waarop het motiveringsverzuim kon worden hersteld (11 december 2013). De inhoud van de fax vormt voor het Hof dan ook geen aanleiding de ontvangst van de op 13 november 2013 verzonden verzuimbrieven te betwijfelen.

7.6.1.

De door belanghebbende overgelegde verklaring van de postbode luidt als volgt:

"[ik verklaar dat] in de [Y] te [Z] tussen de huisnummers […] tot en met […] meerdere familieleden " [X] " wonen. Dit heb ik gemerkt uit het feit dat er diverse poststukken op meerdere nummers worden bezorgd. De volgende huisnummers behoren tot de familie leden van " [X] " volgens opgave van de bewoners: […] , […] , […] , […] , […] , […] , […] , […] , […] , […] , […] , […] , […] , […] , […] , […] , […] , […] , […] .

Het kan wel eens voorgekomen zijn dat er poststukken van de ene fam. lid [X] bij de andere zijn bezorgd, hetgeen niet ondenkbaar is en wel eens is voorgevallen."

7.6.2.

Deze verklaring is door de respectieve leden van de familie [X] in diverse voor het Hof lopende zaken in het geding gebracht met het oog op verschillende ontvankelijkheidskwesties die in deze procedures spelen. Ten aanzien van de onderhavige verzuimbrieven, welke zijn verstuurd aan de toenmalige gemachtigde ( [A] ), heeft belanghebbende niet laten weten bij welk familielid deze brieven zouden zijn bezorgd. Belanghebbende heeft bovendien niet gesteld dat de verzuimbrieven bij een ander familielid kennelijk in het ongerede zijn geraakt. De zeer algemene verklaring van de postbode 'dat het weleens kan voorkomen dat post van het ene familielid bij een ander lid van de familie wordt bezorgd', vormt zonder nadere onderbouwing, welke ontbreekt, voor het Hof geen aanleiding voor twijfel aan de ontvangst van de onderhavige verzuimbrieven.

7.7.

Gelet op het hiervoor overwogene, is belanghebbende niet erin geslaagd het vermoeden van ontvangst van de brieven van 13 november 2013 te ontzenuwen. Het motiveringsverzuim diende uiterlijk op 11 december 2013 te zijn hersteld. De eerst op 16 december 2013 ingekomen motiveringen van de beroepen zijn derhalve te laat ingediend. Redenen op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, zijn het Hof niet gebleken, zodat de rechtbank de beroepen terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Slotsom

7.8.

Het vorenstaande betekent dat de hoger beroepen van belanghebbende ongegrond zijn.

Proceskosten

8. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, Chr.Th.P.M. Zandhuis en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.S.H.M. Strik. De beslissing is op 17 mei 2016 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.