Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:1527

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17-05-2016
Datum publicatie
01-06-2016
Zaaknummer
BK-14/01547 tot en met BK-14/01559
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:12617, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:1339
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of: de bezwaarschriften met betrekking tot de jaren 2007 en 2008 - met uitzondering van de navorderingsaanslag ib/pvv 2007 - terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard; of de Inspecteur naar aanleiding van een kasopstelling terecht het belastbaar inkomen uit werk en woning voor de onderhavige jaren heeft verhoogd wegens een negatief netto privé; of de Inspecteur gelet op het vorenstaande voor wat de Zvw-zaken betreft terecht van het maximum bijdrage-inkomen is uitgegaan; en of aan belanghebbende terecht voor de jaren 2007 en 2008 vergrijpboetes, en voor de jaren 2008, 2009 en 2010 verzuimboetes zijn opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1211
V-N 2016/39.23.14
NTFR 2016/1747 met annotatie van Mr. P.G.M. Jansen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-14/01547 t/m BK-14/01559

Uitspraak van 17 mei 2016

in het geding tussen:

[X] (1977) te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Rotterdam, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 oktober 2014, nummers SGR 13/6808, SGR 13/6809, SGR 13/6811, SGR 13/6812, SGR 13/6813, SGR 13/6815, SGR 13/6821, SGR 13/6822, SGR 13/6824, SGR 13/6825, SGR 13/6826, SGR 13/6828 en SGR 13/6830, betreffende na te vermelden (navorderings)aanslagen, beschikkingen inzake heffingsrente, verzuim- en vergrijpboetes.

(Navorderings)aanslagen, beschikkingen, boetes, bezwaren en geding in eerste aanleg

1.1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2004 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (ib/pvv) opgelegd (BK-14/01547), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.292. Gelijktijdig is bij beschikking € 1.650 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag ib/pvv 2004 en de beschikking gehandhaafd.

1.2.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2005 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd (BK-14/01548), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.836. Gelijktijdig is bij beschikking € 2.695 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.2.

De Inspecteur heeft het tegen de navorderingsaanslag ib/pvv 2005 gerichte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.3.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2006 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd (BK-14/01549), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.388. Gelijktijdig is bij beschikking € 2.251 aan heffingsrente in rekening gebracht. De navorderingsaanslag is op 10 mei 2012 ambtshalve verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.314 en € 599 aan heffingsrente.

1.3.2.

De Inspecteur heeft het tegen de navorderingsaanslag ib/pvv 2006 gerichte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.4.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2007 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd (BK-14/01550), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.388. Gelijktijdig is bij beschikkingen € 2.146 aan heffingsrente in rekening gebracht en een vergrijpboete van € 3.063 opgelegd.

1.4.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag ib/pvv 2007 en de beschikkingen gehandhaafd.

1.5.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2007 een navorderingsaanslag Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd (BK-14/01551), berekend naar een maximum bijdrage-inkomen Zvw van € 30.623. Gelijktijdig is bij beschikking € 196 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.5.2.

De Inspecteur heeft het tegen de navorderingsaanslag Zvw 2007 gerichte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.6.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2008 een definitieve aanslag ib/pvv opgelegd (BK-14/01552), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 10.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.450. Gelijktijdig is bij beschikkingen € 133 aan heffingsrente in rekening gebracht en een verzuimboete van € 226 opgelegd.

1.6.2.

De Inspecteur heeft het tegen de aanslag ib/pvv 2008 gerichte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.7.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2008 een definitieve aanslag Zvw opgelegd (BK-14/01553), berekend naar een bijdrage-inkomen Zvw van € 10.000. Gelijktijdig is bij beschikking € 48 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.7.2.

De Inspecteur heeft het tegen de aanslag Zvw 2008 gerichte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.8.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2008 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd (BK-14/01554), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.318. Gelijktijdig is bij beschikkingen € 1.293 aan heffingsrente in rekening gebracht en een vergrijpboete van € 2.630 opgelegd.

1.8.2.

De Inspecteur heeft het tegen de navorderingsaanslag ib/pvv 2008 gerichte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.9.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2008 een navorderingsaanslag Zvw opgelegd (BK-14/01555), berekend naar een maximum bijdrage-inkomen van € 31.231. Gelijktijdig is bij beschikking € 133 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.9.2.

De Inspecteur heeft het tegen de navorderingsaanslag Zvw 2008 gerichte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.10.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2009 een definitieve aanslag ib/pvv opgelegd (BK-14/01556), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.325 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 78. Gelijktijdig is bij beschikkingen € 1.190 aan heffingsrente in rekening gebracht en een verzuimboete van € 226 opgelegd.

1.10.2.

De Inspecteur heeft het tegen de aanslag ib/pvv 2009 gerichte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.11.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2009 een definitieve aanslag Zvw opgelegd (BK-14/01557), berekend naar een maximum bijdrage-inkomen Zvw van € 32.369. Gelijktijdig is bij beschikking € 114 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.11.2.

De Inspecteur heeft het tegen de aanslag Zvw 2009 gerichte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.12.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2010 een definitieve aanslag ib/pvv opgelegd (BK-14/01558), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 51.262. Gelijktijdig is bij beschikkingen € 584 aan heffingsrente in rekening gebracht en een verzuimboete van € 226 opgelegd.

1.12.2.

De Inspecteur heeft het tegen de aanslag ib/pvv 2010 gerichte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.13.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2010 een definitieve aanslag Zvw opgelegd (BK-14/01559), berekend naar een maximum bijdrage-inkomen Zvw van € 33.189. Gelijktijdig is bij beschikking € 58 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.13.2.

De Inspecteur heeft het tegen de aanslag Zvw 2010 gerichte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft de beroepen ib/pvv 2004, Zvw 2007, ib/pvv 2008 en Zvw 2008 ongegrond verklaard, het beroep ib/pvv 2007 gegrond verklaard, de bestreden uitspraak op bezwaar vernietigd doch uitsluitend voor zover deze ziet op de vergrijpboete, de boetebeschikking vernietigd en bepaald dat de uitspraak van de rechtbank in zoverre in de plaats treedt van de uitspraak op bezwaar, de beroepen ib/pvv 2005, ib/pvv 2006, ib/pvv 2009, Zvw 2009, ib/pvv 2010 en Zvw 2010 gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar ib/pvv 2005, ib/pvv 2006, ib/pvv 2009, Zvw 2009, ib/pvv 2010 en Zvw 2010 vernietigd, de bezwaren ib/pvv 2005, ib/pvv 2006, ib/pvv 2009, Zvw 2009, ib/pvv 2010 en Zvw 2010 ontvankelijk verklaard, de (navorderings)aanslagen ib/pvv 2005, ib/pvv 2006, ib/pvv 2009, Zvw 2009, ib/pvv 2010 en Zvw 2010, de daarbij gegeven heffingsrentebeschikkingen en de daarbij bij beschikkingen opgelegde verzuimboetes gehandhaafd, bepaald dat de uitspraak van de rechtbank in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar en de Inspecteur opgedragen het in de zaak SGR 13/6808 (BK-14/01558) betaalde griffierecht van € 44 aan belanghebbende te vergoeden.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 122. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 25 augustus 2015, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Ter zitting is tevens behandeld het hoger beroep van [X] (1973) in de zaken met kenmerk BK-14/01541 t/m BK-14/01546, van [A] in de zaken met kenmerk BK-14/01560 t/m BK-14/01565 en van [B] in de zaken met kenmerk BK-14/01566 t/m BK-14/01570. Voor zover in die zaken door partijen stukken zijn overgelegd, worden die stukken geacht ook in de onderhavige procedure te zijn overgelegd. Tevens wordt hetgeen door partijen in die zaken voor het overige is aangevoerd, aangemerkt als te zijn aangevoerd in de onderhavige zaken. Van het verhandelde ter zitting is één proces-verbaal opgemaakt.

2.3.

Na sluiting van het onderzoek heeft een briefwisseling plaatsgevonden. Belanghebbende heeft bij brief, gedagtekend 28 augustus 2015, nog enkele stukken met bijlages ingezonden. De Inspecteur heeft daarop bij brief, gedagtekend 14 september 2015, gereageerd. Het Hof heeft een afschrift van de reactie van de Inspecteur aan belanghebbende doen toekomen.

2.4.

Een tweede mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 1 december 2015, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Ter zitting is tevens behandeld het hoger beroep van [X] (1973) in de zaken met kenmerk BK-14/01541 t/m BK-14/01546, van [A] in de zaken met kenmerk BK-14/01560 t/m BK-14/01565 en van [B] in de zaken met kenmerk BK-14/01566 t/m BK-14/01570. Voor zover in die zaken door partijen stukken zijn overgelegd, worden die stukken geacht ook in de onderhavige procedure te zijn overgelegd. Tevens wordt hetgeen door partijen in die zaken voor het overige is aangevoerd, aangemerkt als te zijn aangevoerd in de onderhavige zaken. Van het verhandelde ter zitting is één proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3. Het Hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de rechtbank hieromtrent in haar uitspraak heeft vastgesteld.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

In geschil is of:

1. de bezwaarschriften met betrekking tot de jaren 2007 en 2008 - met uitzondering van de navorderingsaanslag ib/pvv 2007 - terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard;

2. de Inspecteur naar aanleiding van een kasopstelling terecht het belastbaar inkomen uit werk en woning voor de onderhavige jaren heeft verhoogd wegens een negatief netto privé;

3. de Inspecteur gelet op het vorenstaande voor wat de Zvw-zaken betreft terecht van het maximum bijdrage-inkomen is uitgegaan;

4. aan belanghebbende terecht voor de jaren 2007 en 2008 vergrijpboetes, en voor de jaren 2008, 2009 en 2010 verzuimboetes zijn opgelegd.

4.2.

Belanghebbende beantwoordt de in 4.1 opgeworpen vragen ontkennend. De Inspecteur is de tegenovergestelde mening toegedaan.

4.3.

Voor de onderbouwing van de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding.

Conclusies van partijen

5.1.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vermindering van de aanslagen conform de belastbare inkomens welke volgen uit het bij het nader stuk van 17 juli 2015 als bijlage gevoegde accountantsrapport (met bijlagen), tot overeenkomstige vermindering van de beschikkingen inzake heffingsrente, alsmede tot vernietiging van de vergrijp- en verzuimboetes.

5.2.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft – voor zover in hoger beroep van belang – als volgt geoordeeld:

"Ontvankelijkheid bezwaarschriften (...), Zvw 2007, ib/pvv 2008 en Zvw 2008

16. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 22j, letter a, van de Awr - in afwijking van artikel 6:8 van de Awb - aan op de dag na die van dagtekening van de beschikking, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking.

Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Het tweede lid bepaalt dat een bezwaarschrift bij verzending per post tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

(…)

Bezwaar navorderingsaanslag Zvw 2007

18.1.

De navorderingsaanslag Zvw 2007 is met dagtekening 22 mei 2012 aan [belanghebbende] opgelegd. Dat deze aanslag - zo begrijpt althans de rechtbank het dienaangaande in het beroepschrift gestelde - eerst later dan een week na 22 mei 2012 is verzonden, is niet aannemelijk geworden. De rechtbank overweegt daartoe dat [belanghebbende] zijn stelling niet nader heeft onderbouwd. Nu ook overigens geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat de aanslag pas na die datum is verzonden, is de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift, gezien het bepaalde in artikel 6:7 van de Awb en artikel 22j, letter a, van de Awr, geëindigd op 3 juli 2012. Het door [de Inspecteur] op 12 juli 2012 ontvangen pro forma bezwaarschrift van 11 juli 2012 is gelet op artikel 6:9 van de Awb niet tijdig ingediend.

18.2.

In hetgeen [belanghebbende] na de regiezitting heeft overgelegd en aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat tegen de navorderingsaanslag van 22 mei 2012 tijdig een bezwaarschrift is ingediend. De brief van 9 mei 2012 kan [belanghebbende] niet baten, reeds op de grond dat deze brief niet op [belanghebbende] ziet, maar op zijn broer [X] , geboren in 1973. Ook de brief van 29 mei 2012 biedt [belanghebbende] geen soelaas, nu die brief ziet op de aan hem opgelegde aanslagen ib/pvv 2004, premie Ziekenfondswet 2004 en ib/pvv 2006. Voorts verwijst [belanghebbende] naar een brief van [de Inspecteur] van 21 juni 2012 die weliswaar mede ziet op [belanghebbende], maar zo algemeen van aard is onder verwijzing naar ‘lopende bezwaarprocedures’ dat [belanghebbende] daarmee niet aannemelijk maakt dat hij tegen onderhavige aanslag eveneens tijdig een bezwaarschrift heeft ingediend. De algemene verklaring van [C] - de voormalige gemachtigde van [belanghebbende] - van 23 mei 2014 waarin hij vermeldt altijd tijdig bezwaarschriften te hebben ingediend leidt evenmin tot een ander oordeel, reeds omdat zulks niet verifieerbaar is.

18.3.

Ingeval van een niet tijdig ingediend bezwaarschrift bepaalt artikel 6:11 van de Awb dat niet-ontvankelijkverklaring ervan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

[Belanghebbende] heeft geen reden voor de overschrijding van de bezwaartermijn opgegeven en de rechtbank is ook niet van een verschoonbare termijnoverschrijding gebleken. Derhalve is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb die in de weg zou staan aan niet-ontvankelijkverklaring. [De Inspecteur] heeft het bezwaar dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. Aan de beantwoording van de vraag of de navorderingsaanslag Zvw 2007 terecht is opgelegd, komt de rechtbank dus niet toe. Het beroep van [belanghebbende] in de zaak SGR 13/6830 dient ongegrond te worden verklaard.

Bezwaar definitieve aanslagen ib/pvv 2008 en Zvw 2008

19. De definitieve aanslagen ib/pvv 2008 en Zvw 2008 dateren beide van 25 mei 2011. Nu geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat de aanslagen pas na die datum zijn verzonden, is de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift, gezien het bepaalde in artikel 6:7 van de Awb en artikel 22j, letter a, van de Awr, geëindigd op 6 juli 2011. Het pro forma bezwaarschrift van 21 mei 2012, door [de Inspecteur] ontvangen op dezelfde datum, is gelet op artikel 6:9 van de Awb niet tijdig ingediend. Nu voorts gesteld noch gebleken is dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, is het bezwaar tegen de aanslagen terecht niet-ontvankelijk verklaard, hetgeen [belanghebbende] gezien het beroepschrift en de na de regiezitting toegezonden stukken ook erkent. Aan de beantwoording van de vraag of de definitieve aanslagen ib/pvv 2008 en Zvw 2008 terecht zijn opgelegd, komt de rechtbank dus niet toe. De beroepen van [belanghebbende] in de zaken SGR 13/6813 en SGR 13/6815 dienen ongegrond te worden verklaard.

Bezwaar navorderingsaanslagen ib/pvv 2008 en Zvw 2008

20.1.

Tussen partijen is in geschil of de bezwaarschriften tegen de navorderingsaanslagen ib/pvv 2008 en Zvw 2008 tijdig zijn ingediend. Gelet op de onder 16 opgenomen wettelijke bepalingen overweegt de rechtbank als volgt. De beide aanslagen zijn gedagtekend 22 mei 2012. Gesteld noch gebleken is dat de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van bekendmaking, zodat de bezwaartermijn is aangevangen op 23 mei 2012. Alsdan hadden de bezwaarschriften uiterlijk op 3 juli 2012 bij [de Inspecteur] ingediend moeten worden, dan wel bij terpostbezorging uiterlijk op 3 juli 2012 door [de Inspecteur] uiterlijk 10 juli 2012 moeten zijn ontvangen. De (pro forma) bezwaarschriften - gedagtekend 11 juli 2012 - zijn echter door [de Inspecteur] ontvangen op 12 juli 2012 zodat deze te laat zijn ingediend.

20.2. [

Belanghebbende] heeft daartegen aangevoerd dat hij al eerder en tijdig bezwaarschriften heeft ingediend en hij verwijst daartoe in het beroepschrift naar een brief van zijn voormalig gemachtigde van 21 mei 2012 en in de na de regiezitting overgelegde stukken naar diverse brieven van [de Inspecteur]. De rechtbank oordeelt dat deze brieven geen aanleiding geven de bezwaarschriften alsnog ontvankelijk te achten. De brief van de voormalig gemachtigde van 21 mei 2012 kan [belanghebbende] niet baten, nu deze voor wat het jaar 2008 betreft ziet op de definitieve aanslagen 2008. [Belanghebbende] verwijst voorts naar brieven die geen betrekking hebben op hem respectievelijk zien op andere belastingjaren dan wel andere belastingaanslagen (brieven van 9 mei 2012 en 29 mei 2012). Daarnaast verwijst [belanghebbende] naar een brief van [de Inspecteur] die weliswaar mede ziet op [belanghebbende], maar zo algemeen van aard is onder verwijzing naar ‘lopende bezwaarprocedures’ dat [belanghebbende] daarmee niet aannemelijk maakt dat hij ten aanzien van de onderhavige aanslagen eveneens bezwaarschriften heeft ingediend (brief van 21 juni 2012). Dit klemt te meer nu voor eerdere jaren door [belanghebbende] wel al diverse bezwaarschriften waren ingediend. Tot slot heeft [belanghebbende] bij zijn beroepschrift een print gevoegd van verbeterde aangiftegegevens ib/pvv 2008, gedagtekend 19 juni 2012. De rechtbank overweegt dat die print niet als tijdig ingediend bezwaarschrift kan worden aangemerkt. [De Inspecteur] heeft weersproken de verbeterde aangifte ib/pvv 2008 binnen de bezwaartermijn te hebben ontvangen en voorts zijn in de gedingstukken geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat de betreffende stukken tijdig dan wel verschoonbaar te laat zijn ingediend.

20.3.

Nu voorts gesteld noch gebleken is dat dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding heeft [de Inspecteur] de bezwaarschriften naar het oordeel van de rechtbank gezien het vorenstaande terecht niet-ontvankelijk verklaard. De algemene verklaring van [C] - de voormalige gemachtigde van [belanghebbende] - van 23 mei 2014 waarin hij vermeldt altijd tijdig bezwaarschriften te hebben ingediend leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat zulks niet verifieerbaar is.

20.4.

De beroepen SGR 13/6821 en SGR 13/6822 gericht tegen de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de navorderingsaanslagen ib/pvv 2008 en Zvw 2008 zullen daarom ongegrond worden verklaard.

(…)

Bijtelling wegens netto privé ib/pvv 2004, ib/pvv 2005, ib/pvv 2006, ib/pvv 2007, ib 2009 en ib/pvv 2010

22.1. [

Belanghebbende] heeft in de jaren 2004 en 2005 bij de Kamer van Koophandel ingeschreven gestaan als firmant in de VOF [X] & Zn, in de periode van 1 januari 2004 tot 1 januari 2007 met een eenmanszaak onder de naam [D] Incasso Bureau en in de periode 23 januari 2007 tot en met 1 juli 2007 als firmant in de VOF [E] . Daarnaast heeft [belanghebbende] de onder 2 opgenomen onroerende zaken verhuurd. Omdat huurcontracten deels ontbraken evenals vastleggingen van de huurinkomsten, [belanghebbende] geen inzicht heeft verschaft in zijn bankrekeningen en het betalingsverkeer bij [belanghebbende] grotendeels contant verliep, heeft [de Inspecteur] ter beantwoording van de vraag of [belanghebbende] alle (belaste) bronnen van inkomen in zijn aangiften ib/pvv, voor zover ingediend, heeft opgenomen gedurende het boekenonderzoek een kasopstelling gemaakt.

22.2.

Bij de kasopstelling die [de Inspecteur] - voor zover thans van belang - voor de jaren 2004 tot en met 2007 heeft opgemaakt heeft hij - kort en zakelijk weergegeven - de volgende uitgangspunten gehanteerd:

-bij gebreke van ter beschikkingstelling door [belanghebbende] heeft [de Inspecteur] van de bij hem bekende, op naam van [belanghebbende] staande, bankrekeningen bij de diverse instellingen bankafschriften opgevraagd;

-daaruit heeft [de Inspecteur] de contante opnamen en stortingen gedestilleerd. Het saldo heeft [de Inspecteur] in een kasopstelling opgenomen;

-het saldo heeft [de Inspecteur] verhoogd met de theoretisch contant ontvangen huuropbrengsten van de bij [belanghebbende] in bezit zijnde en verhuurde onroerende zaken;

-de theoretisch ontvangen huuropbrengsten heeft [de Inspecteur] per onroerende zaak berekend aan de hand van de in de bankafschriften vermelde werkelijke huuropbrengsten, informatie met betrekking tot de huurtoeslag en van de gemeente en bij ontbrekende nadere informatie aan de hand van de vuistregel ‘leegwaarde x 70% x 7%’;

-de theoretisch ontvangen huuropbrengsten heeft [de Inspecteur] verminderd met de volgens de bank werkelijk ontvangen huur;

-het dan overblijvende bedrag aan theoretisch contant ontvangen huuropbrengsten heeft [de Inspecteur] in de kasopstelling opgenomen;

-daarop is in mindering gebracht de bij [de Inspecteur] bekende dan wel geschatte uitgaven die [belanghebbende] contant heeft dan wel moet hebben gedaan (zoals aan- en verkoop auto’s, kosten ontmanteling hennepkwekerij, vakantiekosten en onderhoudskosten onroerende zaken);

-het saldo heeft [de Inspecteur] tot slot vermeerderd met een bedrag aan veronderstelde minimale gezinsuitgaven (op basis van NIBUD-gegevens en afhankelijk van de gezinsomstandigheden) waarbij rekening is gehouden met de gezinsuitgaven indien en voor zover die via de bank zijn gedaan.

22.3.

De kasopstelling heeft volgens [de Inspecteur] - rekening houdend met de gezinsuitgaven via de bank - geleid tot een negatief netto privé van € 30.929 (2004) € 22.836 (2005), € 9.314 (2006) en € 26.558 (2007). Daarbij dient dan nog rekening te worden gehouden met de (consumptieve) gezinsuitgaven voor een gezin met drie kinderen van € 15.000, aldus [de Inspecteur]. De € 15.000 bevat - zoals [de Inspecteur] ter zitting uitgebreid heeft toegelicht - naast alle uitgaven voor kleding en voeding, overige (consumptieve) gezinsuitgaven (als contributies verenigingen, aanschaf huishoudelijke artikelen, cadeaus, etc). Een en ander heeft geleid tot een correctie op het inkomen uit werk en woning wegens negatief netto privé van € 45.929 (2004), € 37.836 (2005), € 24.314 (2006) en € 41.558 (2007). Voor de jaren 2009 en 2010 heeft [de Inspecteur] de definitieve aanslagen ib/pvv ambtshalve vastgesteld naar een verzamelinkomen van € 50.403 respectievelijk € 51.262. [De Inspecteur] heeft daarbij bedragen van € 50.000 respectievelijk € 50.300 als resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking genomen. [De Inspecteur] heeft de hoogte van deze bedragen bepaald door extrapolatie van hetgeen bij het boekenonderzoek voor de jaren 2004 tot en met 2008 bij de vaststelling van het belastbaar inkomen uit werk en woning naar voren is gekomen.

22.4. [

Belanghebbende] heeft alleen voor het jaar 2004 aangifte ib/pvv gedaan. Het standpunt van [de Inspecteur] is dat [belanghebbende] niet alle inkomsten uit werk en woning heeft aangegeven gezien de omvang van het negatief netto privé en dat gelet op die omvang en de omvang van het netto privé 2005-2008 voor alle jaren niet de vereiste aangifte is gedaan.

[De Inspecteur] heeft daarom afgezien van het afgeven van een informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a Awr.

22.5.

De rechtbank is van oordeel dat [de Inspecteur] met al hetgeen hij heeft ingebracht en toegelicht heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat [belanghebbende] niet al zijn inkomen uit werk en woning in zijn aangifte ib/pvv 2004 heeft opgenomen. [De Inspecteur], die onder voorbehoud is aangesloten bij het standpunt van [belanghebbende] dat de verhuurde onroerende zaken als inkomen uit sparen en beleggen in aanmerking moet worden genomen, heeft namelijk aannemelijk gemaakt dat [belanghebbende] naast de huurinkomsten nog enige andere bron van inkomen moet hebben gehad. De rechtbank acht ook aannemelijk dat het bedrag aan belasting dat daardoor niet zou worden geheven relatief en absoluut omvangrijk is en dat [belanghebbende] dit wist of zich daarvan bewust moet zijn geweest. Aldus heeft [belanghebbende] niet de vereiste aangifte gedaan en heeft hij ook overigens de vereiste aangiften voor de jaren 2005-2010 niet gedaan, reeds omdat [belanghebbende] voor die jaren - hoewel daartoe uitgenodigd - geen aangiften heeft ingediend. De omstandigheid dat [belanghebbende] in de bezwaarfase nieuwe aangiftegegevens voor de jaren 2004-2008 heeft overgelegd, maakt - anders dan [belanghebbende] kennelijk meent - niet dat voor die jaren alsnog de vereiste aangiften zijn gedaan. Ingevolge vaste jurisprudentie (vgl. ECLI:NL:GHAMS:2013:2634 onder overweging 4.3.2) kan immers nadat een definitieve aanslag is vastgesteld geen aangifte meer worden gedaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat ingevolge het bepaalde in artikel 27e, eerste lid, van de Awr de bewijslast dient te worden omgekeerd. De rechtbank merkt hierbij nog op dat voor het jaar 2004 omkering van de bewijslast ook kan worden gegrond op de omstandigheid dat [belanghebbende], ofschoon daartoe op de hiervoor onder de overwegingen 5, 6 en 7 genoemde data in de gelegenheid gesteld, niet aan de informatieverplichting van artikel 47 Awr heeft voldaan. Het voorgaande betekent dat de beroepen ongegrond worden verklaard tenzij [belanghebbende] doet blijken, dat wil zeggen overtuigend aantoont, dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is [belanghebbende] daarin niet geslaagd. [Belanghebbende] heeft - met de stelling dat de huurinkomsten te laag en de onderhoudskosten te hoog in de kasopstelling zijn meegenomen - niet aangetoond dat het in aanmerking genomen negatief netto privé onjuist is. In hetgeen [belanghebbende] heeft overgelegd en aangevoerd is voorts geen grond gelegen voor het oordeel dat het voor de jaren 2009 en 2010 door [de Inspecteur] in aanmerking genomen verzamelinkomen op een te hoog bedrag is vastgesteld.

22.6.

Op [de Inspecteur] rust ondanks de omkering van de bewijslast de verplichting om een redelijke schatting te maken van de niet aangegeven inkomsten uit werk en woning. Daarin is [de Inspecteur] - mede gezien het vorenstaande - naar het oordeel van de rechtbank geslaagd. [De Inspecteur] heeft aan de hand van hem ter beschikking staande informatie zo nauwkeurig als onder de omstandigheden mogelijk is een opstelling gemaakt van het goeddeels contant verlopende betalingsverkeer bij [belanghebbende]. Gedurende het onderzoek heeft [de Inspecteur] de kasopstelling nog aangepast, in het bijzonder naar aanleiding van opmerkingen van [belanghebbende] en bevindingen bij de boekenonderzoeken bij de familieleden. Inhoudelijk voert [belanghebbende] tegen de kasopstelling met name aan dat de huurinkomsten te laag zijn opgenomen en de onderhoudskosten te hoog. Het bewijs dat [belanghebbende] daarvoor uiteindelijk in bezwaar inbrengt in de vorm van een aantal huurcontracten, een aantal kwitanties en een zelf opgestelde specificatie van huurinkomsten is door [de Inspecteur] beoordeeld. Dat bewijs bleek echter zodanig fragmentarisch en soms met elkaar in tegenspraak dat [de Inspecteur] uiteindelijk en naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden heeft gemeend dat dat bewijs onvoldoende was om de kasopstelling aan te passen en om al dan niet geheel de correcties te laten vervallen. De rechtbank overweegt in dat verband dat er weliswaar (deels) huurcontracten zijn overgelegd, maar dat vaak niet kon worden vastgesteld of de daarin opgenomen huren ook (tot die bedragen) zijn betaald, voor welke periode de verhuur heeft plaatsgevonden en of er nog leegstand is geweest. In sommige gevallen was in de door [belanghebbende] opgestelde specificatie een hogere huur opgenomen dan uit het huurcontract kon worden afgeleid of ontbrak een huurcontract of bankontvangst zodat controle van de specificatie per definitie onmogelijk is. In andere gevallen heeft [belanghebbende] bovendien weliswaar huurcontracten overgelegd, maar stonden er volgens de GBA geen personen op het betreffende adres ingeschreven. In andere gevallen stonden er wel personen op een adres ingeschreven volgens de GBA, maar kon [belanghebbende] ter zake geen huurcontracten overleggen.

De rechtbank acht bij haar beoordeling van de redelijke schatting ook nog van belang dat zelfs in het geval de door [belanghebbende] overgelegde specificatie zou worden gevolgd er nog immer sprake zou zijn van een negatief netto privé, zelfs zonder rekening te houden met de dan nog in aanmerking te nemen € 15.000 aan gezinsuitgaven. [Belanghebbende] heeft daartegen feitelijk alleen nog aangevoerd dat de vader en de broers in voorkomende gevallen aan elkaar financiële bijstand verlenen. Dat acht de rechtbank gezien het oordeel in hun zaken echter geen afdoende verklaring voor het negatief netto privé van [belanghebbende]. Dat [belanghebbende] al zou hebben beschikt over een contant vermogen waarmee [de Inspecteur] in zijn kasopstelling geen rekening heeft gehouden en dat een verklaring zou kunnen zijn voor het door [de Inspecteur] geconstateerde negatief netto privé acht de rechtbank eveneens onwaarschijnlijk reeds omdat [belanghebbende] de aanwezigheid van dergelijke contanten zelf nooit in zijn aangiften heeft opgenomen. Voor wat de jaren 2009 en 2010 betreft heeft [de Inspecteur] op grond van ervaringscijfers in redelijkheid het belastbaar inkomen uit werk en woning door middel van extrapolatie kunnen vaststellen.

22.7.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft [de Inspecteur] de correcties terecht en naar de juiste bedragen als belastbaar inkomen uit werk en woning in aanmerking genomen.

Definitieve aanslagen Zvw 2009 en 2010

25. Uit hetgeen hiervoor onder 22 en 24 is overwogen volgt dat voor de jaren 2009 en 2010 het belastbaar inkomen uit werk en woning hoger is dan het voor die jaren geldende maximum bijdrage-inkomen Zvw van € 32.369 respectievelijk € 33.189. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat de definitieve aanslagen Zvw 2009 en 2010 terecht en naar een juist bedrag aan [belanghebbende] zijn opgelegd.

(…)

Verzuimboete ib/pvv 2009 en ib/pvv 2010

27.1.

Op grond van het bepaalde in artikel 67a, eerste lid, van de Awr kan de inspecteur, uiterlijk bij de vaststelling van de aanslag, een verzuimboete opleggen van ten hoogste € 4.920, indien de belastingplichtige de aangifte voor een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven niet, dan wel niet binnen de ingevolge artikel 9, derde lid, gestelde termijn heeft gedaan. Volgens paragraaf 21, tweede lid, BBBB legt de inspecteur ter zake van een aangifteverzuim een verzuimboete op van € 226.

27.2.

Niet is in geschil dat [belanghebbende] binnen de hem daartoe gestelde termijn geen aangifte ib/pvv voor de jaren 2009 en 2010 heeft gedaan. Daarop zijn in overeenstemming met artikel 67a Awr in samenhang met het bepaalde in paragraaf 21 van het BBBB bij beschikking verzuimboetes van € 226 aan [belanghebbende] opgelegd. [Belanghebbende] heeft tegen de boetes geen gronden aangevoerd. De rechtbank acht de boetes passend en geboden."

Beoordeling van het hoger beroep

Ontvankelijkheid van het bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslag Zvw 2007

7.1.

De navorderingsaanslag Zvw 2007 is met dagtekening 22 mei 2012 aan belanghebbende opgelegd. Ingevolge het bepaalde in de artikelen 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) had belanghebbende tegen de navorderingsaanslag Zvw 2007 binnen zes weken na de dag van dagtekening daarvan bezwaar moeten maken, aangezien niet aannemelijk is geworden dat deze aanslag niet juist was geadresseerd (zie 7.2.2) of later is verzonden (zie 7.2.3).

7.2.1.

Bij de beoordeling van de stellingen is van belang dat gesteld noch gebleken is dat sprake was van een onjuiste adressering van de navorderingsaanslag. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het poststuk op dat adres (HR 15 december 2006, nr. 41882, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416, BNB 2007/112, r.o. 3.2.2). Anders dan belanghebbende in hoger beroep betoogt, is in dit verband - in het kader van het aannemen van vorenbedoeld vermoeden - niet relevant of de per post verzonden stukken al dan niet aangetekend zijn verzonden. Gelet op het hiervoor overwogene, ligt het op de weg van belanghebbende het vermoeden van ontvangst van de navorderingsaanslag te ontzenuwen. Hiertoe is voldoende dat op grond van hetgeen belanghebbende aanvoert de ontvangst daarvan redelijkerwijs moet worden betwijfeld. Belanghebbende heeft in zijn nadere motivering van het hoger beroep weliswaar gesteld dat de navorderingsaanslag 'niet tijdig is verzonden en pas veel later is ontvangen', maar de Inspecteur heeft dat gemotiveerd betwist en belanghebbende heeft zijn stelling enkel onderbouwd door ter zitting van het Hof te verwijzen naar een op 14 augustus 2015 bij het Hof binnengekomen verklaring van de heer [F] , die werkzaam is als postbode in de buurt van [G] . De verklaring van de postbode luidt als volgt:

"[ik verklaar dat] in de [Y] te [Z] tussen de huisnummers […] tot en met […] meerdere familieleden " [X] " wonen. Dit heb ik gemerkt uit het feit dat er diverse poststukken op meerdere nummers worden bezorgd. De volgende huisnummers behoren tot de familie leden van " [X] " volgens opgave van de bewoners: […] , […] , […] , […] , […] , […] , […] , […] , […] , […] , […] , […] , […] , […] , […] , […] , […] , […] , […] .

Het kan wel eens voorgekomen zijn dat er poststukken van de ene fam. lid [X] bij de andere zijn bezorgd, hetgeen niet ondenkbaar is en wel eens is voorgevallen."

7.2.2.

Deze verklaring is door de respectieve leden van de familie [X] in diverse voor het Hof lopende zaken in het geding gebracht met het oog op verschillende ontvankelijkheidskwesties die in deze procedures spelen. De zeer algemene verklaring van de postbode 'dat het weleens kan voorkomen dat post van het ene familielid bij een ander lid van de familie wordt bezorgd', vormt zonder nadere onderbouwing, welke ontbreekt, geen aanleiding voor twijfel aan de ontvangst van de onderhavige navorderingsaanslag.

7.2.3.

Voor zover belanghebbende met de stelling dat de navorderingsaanslag niet tijdig en op gelijke datum is verzonden heeft bedoeld aan te voeren dat de datum van bekendmaking ligt na de dag van dagtekening van het aanslagbiljet, wordt als volgt geoordeeld. Belanghebbende heeft niet laten weten op welke datum hij de onderhavige navorderingsaanslag heeft ontvangen en bovendien vermeldt het bezwaarschrift omtrent deze kwestie niets. Belanghebbende heeft aldus niet voldaan aan zijn stelplicht.

7.3.

De termijn voor bezwaar ving aan op de dag na de dagtekening van de navorderingsaanslag (22 mei 2012) en de laatste dag van de termijn was 3 juli 2012. Het pro forma bezwaarschrift (met dagtekening 11 juli 2012) is door de Inspecteur op 12 juli 2012 ontvangen. Het bezwaar is derhalve niet tijdig ingediend. Belanghebbende heeft onder verwijzing naar de verklaring van zijn toenmalige gemachtigde, de heer [C] , nog aangevoerd dat alle bezwaren tijdig - soms zelfs prematuur - zijn ingediend en dat het niet logisch zou zijn in sommige zaken wèl en in andere zaken niet tijdig bezwaar in te dienen. Dit betoog en de verklaring van [C] leiden echter niet tot het oordeel dat op een eerder tijdstip tijdig bezwaar is ingediend. Belanghebbende heeft eerst na de zitting van het Hof het pro forma bezwaarschrift van 30 april 2012 overgelegd, waarin bezwaar wordt gemaakt tegen alle aanslagen ib/pvv en Zvw van belanghebbende (en vier andere leden van de familie [X] ) over de jaren 2006 tot en met 2010. De Inspecteur heeft in de in 2.3 vermelde brief de ontvangst van dit pro forma bezwaarschrift betwist. Gelet op deze betwisting, alsmede op het feit dat in daarna ingediende (pro forma) bezwaarschriften niet wordt verwezen naar dit eerdere pro forma bezwaarschrift en dit stuk bovendien niet eerder in de procedure is gebracht, is niet aannemelijk dat het pro forma bezwaarschrift van 30 april 2012 is verstuurd aan de Inspecteur.

7.4.

Gelet op het vorenstaande is het bezwaar niet tijdig ingediend en dient het daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard, tenzij sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding (artikel 6:11 Awb). Aangezien belanghebbende hieromtrent niets heeft gesteld en dergelijke omstandigheden ook overigens niet zijn gebleken, heeft de Inspecteur het door hem op 12 juli 2012 ontvangen pro forma bezwaarschrift van 11 juli 2012 terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Het hoger beroep is derhalve in zoverre ongegrond.

Ontvankelijkheid bezwaarschriften tegen de definitieve aanslagen ib/pvv 2008 en Zvw 2008

7.5.

De aanslagen ib/pvv 2008 en Zvw 2008 zijn met dagtekening 25 mei 2011 aan belanghebbende opgelegd. De termijn voor bezwaar liep tot en met 6 juli 2011. Het door de Inspecteur bijna een jaar later, op 21 mei 2012, ontvangen pro forma bezwaarschrift is derhalve niet tijdig ingediend.

7.6.

Belanghebbende heeft in zijn nadere motivering van het hoger beroep met een beroep op het bepaalde in artikel 6:11 van de Awb aangevoerd: dat hij ten gevolge van de slechte postbezorging in de wijk de aanslagen niet heeft ontvangen; dat hij eerst nadat zijn broer naar aanleiding van het boekenonderzoek inzage is verleend in stukken, bekend is geraakt met de onderhavige aanslagen en dat hij direct daarna bezwaar heeft aangetekend. Het Hof verwerpt dit beroep op artikel 6:11 van de Awb, aangezien hetgeen belanghebbende ter onderbouwing daarvan aanvoert, niet juist kan zijn gelet op de datum waarop de dossierinzage heeft plaatsgehad (21 juni 2012) en de datum waarop de bezwaarschriften door de Inspecteur zijn ontvangen (21 mei 2012). Dit brengt mee dat de Inspecteur de onderhavige bezwaarschriften terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens termijnoverschrijding, zodat het hoger beroep in zoverre ongegrond is.

7.7.

Uit het vorengaande volgt dat niet wordt toegekomen aan een oordeel over de voor het jaar 2008 opgelegde verzuimboete.

Ontvankelijkheid bezwaarschriften tegen de navorderingsaanslagen ib/pvv 2008 en Zvw 2008

7.8.

Aan belanghebbende is over het jaar 2008 in één aanslagbiljet een navorderingsaanslag in de ib/pvv opgelegd, alsmede een bestuurlijke boete. Aangezien uit het bezwaarschrift, het beroepschrift en het hogerberoepschrift niet blijkt dat belanghebbende tegen de boete geen rechtsmiddelen heeft willen aanwenden en hij desgevraagd ter zitting van het Hof te kennen heeft gegeven ook de boete te bestrijden, moet het ervoor worden gehouden dat ook de boete in geding is. Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift tegen de boetebeschikking wordt vooropgesteld dat op de Inspecteur de last rust de onjuistheid van belanghebbendes stellingen te bewijzen (vgl. onderdeel 3.4 van HR 22 juni 1988, nr. 24.998, BNB 1988/292).

7.9.

De navorderingsaanslagen ib/pvv 2008 en Zvw 2008 zijn met dagtekening 22 mei 2012 aan belanghebbende opgelegd. De termijn voor bezwaar liep tot en met 3 juli 2012. Het door de Inspecteur eerst op 12 juli 2012 ontvangen pro forma bezwaarschrift (met dagtekening 11 juli 2012) is derhalve niet tijdig ingediend.

7.10.

Belanghebbende heeft gesteld dat hij al eerder en tijdig bezwaarschriften heeft ingediend. Meer in het bijzonder wijst hij in hoger beroep naar een op 30 april 2012 gedagtekend pro forma bezwaarschrift, waarvan de Inspecteur de ontvangst heeft betwist. Onder de na de zitting van de zijde van belanghebbende ingekomen stukken bevindt zich een afschrift van dit stuk. De Inspecteur heeft de onjuistheid van belanghebbendes stelling bewezen dat al eerder, namelijk op 30 april 2012, een bezwaarschrift is ingediend. Het Hof verwijst hiervoor naar het in 7.3 hiervoor overwogene.

7.11.

Niet gebleken is dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Belanghebbende heeft gesteld dat hij in goed vertrouwen ervan uit mocht gaan dat zijn bezwaar inhoudelijk werd behandeld, maar hij heeft in zijn nadere motivering van het hoger beroep niet onderbouwd op welke brieven van de Inspecteur hij in dit verband doelt. Eerst in de na de zitting bij het Hof ingekomen stukken wordt verwezen naar een brief van de Inspecteur van 21 juni 2012, waarin door de Inspecteur wordt verwezen naar 'de lopende bezwaarprocedures'. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te verwijzen naar de in onderdeel 20.2 van de rechtbankuitspraak vermelde brieven (waaronder de hiervoor bedoelde brief van de Inspecteur van 21 juni 2012) kan hem dat niet baten, aangezien het Hof de beslissing van de rechtbank dienaangaande alsmede de daartoe door de rechtbank gebezigde gronden tot de zijne maakt. Al hetgeen belanghebbende overigens nog in dit kader heeft aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden. Dit brengt mee dat de Inspecteur de onderhavige bezwaarschriften terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, zodat het hoger beroep in zoverre ongegrond is.

7.12.

Uit het vorengaande volgt dat niet wordt toegekomen aan een oordeel over de voor het jaar 2008 opgelegde vergrijpboete.

Bijtelling in verband met het negatieve netto privé (jaren 2004, 2005, 2006, 2007, 2009 en 2010)

7.13.

Vaststaat dat door de Inspecteur voor de onderhavige jaren geen informatiebeschikking is genomen als bedoeld in artikel 52a Awr. Hij heeft zich van meet af aan op het standpunt gesteld dat belanghebbende voor de onderhavige jaren niet de vereiste aangifte heeft gedaan als bedoeld in artikel 27e Awr.

7.14.

Belanghebbende heeft alleen voor het jaar 2004 aangifte in de ib/pvv gedaan. Niet in geschil is dat belanghebbende binnen de hem daartoe gestelde termijn, na uitnodiging en aanmaning, geen aangiftes in de ib/pvv voor de overige in geschil zijnde jaren heeft gedaan. Over deze jaren zijn ambtshalve aanslagen in de ib/pvv vastgesteld.

7.15.

Bij inhoudelijke gebreken in de aangifte - zoals verzwegen bedragen - is de vereiste aangifte niet gedaan indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel verhoudingsgewijs als op zichzelf beschouwd aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven (zie HR 30 oktober 2009, nr. 07/10513, ECLI:NL:HR:2009:BH1083, BNB 2010/47).

7.16.

De Inspecteur heeft gewezen op de door hem tijdens het boekenonderzoek berekende negatieve bedragen aan besteedbaar netto privé:

2004

2005

2006

2007

2008

- € 30.929

- € 22.836

- € 9.314

- € 26.558

- € 25.318

Hij stelt dat de verschillen tussen een redelijk netto privé van € 15.000 en de bovenvermelde negatieve uitkomsten uit de kasopstelling dermate groot zijn dat daaraan fiscale gevolgen dienen te worden verbonden. Met inachtneming van die bedragen en bij gebreke van enig inzicht in belanghebbendes bronnen van inkomen, moet er – aldus de Inspecteur – nog een andere bron van inkomen zijn geweest dan de verhuur van de panden. De inkomsten uit de voor hem onbekende bron heeft hij aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden. De verhuuractiviteiten heeft de Inspecteur, onder voorbehoud en conform het standpunt van de belanghebbende, in box 3 gerangschikt. Voor de jaren 2009 en 2010 heeft hij de door hem als resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking genomen bedragen bepaald door extrapolatie van hetgeen bij het boekenonderzoek voor de jaren 2004 tot en met 2008 naar voren is gekomen.

7.17.

Met betrekking tot de kasopstelling heeft de Inspecteur de in onderdeel 22.2 van de uitspraak van de rechtbank weergegeven uitgangspunten gehanteerd. Aan de hand daarvan heeft hij, mede gelet op het feit dat het overgrote deel van het betalingsverkeer bij belanghebbende contant verliep, met behulp van de hem ter beschikking staande informatie zowel de ontvangen huren als de door belanghebbende gedane uitgaven, waaronder uitgaven in verband met onderhoud van de onroerende zaken, berekend. Voorts heeft de Inspecteur een kasopstelling gemaakt. Ter controle heeft de Inspecteur nog een vermogensvergelijking voor het jaar 2007 gemaakt, die nagenoeg geheel aansluit bij de uitkomsten van de kasopstelling. Daarmee heeft de Inspecteur een en ander gedaan op een zorgvuldige en redelijke wijze en is de vervaardigde kasopstelling zo nauwkeurig als onder de gegeven omstandigheden mogelijk was. De kasopstelling is naar aanleiding van opmerkingen van belanghebbende en zijn familieleden door de Inspecteur tijdens het boekenonderzoek nog aangepast. In de bezwaarfase heeft belanghebbende een specificatie verstrekt van de volgens hem ontvangen huurinkomsten en in aanvulling daarop huurovereenkomsten en kwitanties van contant ontvangen huur aan de Inspecteur doen toekomen. De Inspecteur heeft de door belanghebbende gestelde huurinkomsten echter niet geaccepteerd, aangezien de verstrekte huurovereenkomsten en kwitanties zijns inziens dermate onvolledig waren dat daarmee de volgens de specificatie ontvangen huurinkomsten slechts zeer gedeeltelijk werden onderbouwd en bovendien - als de gestelde huurinkomsten zouden worden gevolgd - de uitkomst nog altijd een negatief netto privé zou zijn.

7.18.

Gelet op de door de Inspecteur ingebrachte kasopstelling en de daarin berekende negatieve bedragen netto privé over een reeks van jaren, alsmede de vermogensvergelijking is het vermoeden gerechtvaardigd dat belanghebbende in de in geschil zijnde jaren aanzienlijke bedragen aan belastbare inkomsten niet in zijn aangiften voor de ib/pvv heeft verantwoord. De enkele omstandigheid dat de Inspecteur niet de bron van die inkomsten heeft kunnen noemen, doet aan dit oordeel niet af (vgl. HR 9 februari 1955, nr. 12.149, BNB 1955/89, HR 29 september 1993, nr. 28.202, BNB 1993/330 en HR 11 april 2014, nr. 13/00802, BNB 2014/167). Dit bewijsvermoeden kan vervolgens door belanghebbende worden ontzenuwd door voldoende sterk tegenbewijs te leveren. Daarvoor is vereist dat op grond van hetgeen belanghebbende aanvoert, redelijkerwijs de juistheid van het op grond van het vermoeden aangenomen feit (dat sprake moet zijn geweest van belastbare inkomsten die belanghebbende niet in zijn aangiften heeft opgenomen en dat het daarbij gaat om aanzienlijke bedragen) moet worden betwijfeld. Gelet op het navolgende is belanghebbende niet geslaagd in het ontzenuwen van het vermoeden.

7.19.

Belanghebbende heeft tegen het standpunt van de Inspecteur in het bijzonder aangevoerd dat de door de Inspecteur gehanteerde huurinkomsten te laag en de onderhoudskosten te hoog zijn. In hoger beroep heeft hij daarbij verwezen naar een door de heer [H] van [I] (hierna: de accountant) vervaardigde tegenopstelling (bijlage A + bijbehorende bijlages bij de nadere motivering van het hoger beroep). De huurinkomsten zijn door de accountant opgesteld aan de hand van door belanghebbende overgelegde huurcontracten, betalingskwitanties en bankontvangsten. De onderhoudskosten heeft de accountant gebaseerd op eigen bevindingen en worden bevestigd door een verklaring van de heer [J] , directeur van [J] B.V. De verklaring van [J] behoort, evenals kopieën van de huurcontracten en betalingskwitanties, tot de stukken van het geding (bijlages 3, 6 en 7 bij het accountantsrapport).

7.20.

De Inspecteur is op detailniveau ingegaan op de door de accountant gemaakte tegenopstelling en heeft daartegen diverse bezwaren geuit. Eén daarvan – een naar het oordeel van het Hof zwaarwegend bezwaar – houdt in dat in de opstelling van de accountant niet alle huren waarvan bij het boekenonderzoek is vastgesteld dat zij per bank zijn ontvangen, in aanmerking worden genomen. Ten opzichte van de opstelling van de Inspecteur vindt hierdoor een belangrijke verschuiving plaats van ontvangsten per bank naar ontvangsten per kas, hetgeen meebrengt dat de kasopstelling meer voor privébestedingen beschikbare gelden laat zien. Bij het boekenonderzoek zijn namelijk, vanwege het ontbreken van een kasadministratie, de kasontvangsten berekend door de totale theoretische huurontvangsten te verminderen met de totale per bank ontvangen huur. De accountant heeft ter zitting van het Hof verklaard dat hij soms niet heeft kunnen vaststellen of het ging om een bankontvangst of een kasontvangst (bij gebrek aan bankafschriften is hij afgegaan op verklaringen van belanghebbende daaromtrent), maar dat hij er niet aan twijfelt dat de desbetreffende door de Inspecteur genoemde huurbedragen, zoals de Inspecteur stelt, zijn ontvangen per bank. Dit klemt te meer nu vastgesteld moet worden dat het gaat om substantiële bedragen: € 4.290 in 2004; € 4.242 in 2005; € 13.265 in 2006; € 37.978 in 2007 en € 36.324 in 2008. Wanneer het netto privé zoals door de accountant berekend wordt verminderd met deze per bank ontvangen bedragen, wordt het netto privé in vier jaren negatief (2004, 2005, 2007 en 2008) en in één jaar onaannemelijk laag (2006). Gelet hierop biedt de tegenberekening van belanghebbende geen oplossing voor de door de Inspecteur geconstateerde negatieve bedragen aan besteedbaar netto privé. Ook anderszins heeft hij daarvoor geen toereikende verklaring aangedragen.

7.21.

Aldus heeft belanghebbende het bewijsvermoeden niet ontzenuwd. Dit betekent dat aannemelijk is geworden dat in de in geschil zijnde jaren op zichzelf beschouwd steeds aanzienlijke bedragen aan belastbare inkomsten niet in de aangiften voor de ib/pvv zijn verantwoord en voorts dat het volgens de aangifte ib/pvv verschuldigde bedrag aan ib/pvv (dan wel het door niet doen van de desbetreffende aangiftes niet aangegeven bedrag) verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan het werkelijk verschuldigde bedrag aan ib/pvv. De aard en de omvang van deze gebreken in de aangiften brengen mee dat belanghebbende ten tijde van het (niet) doen van deze aangiften wist of zich bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven. Belanghebbende heeft derhalve niet de vereiste aangiften gedaan, zodat ten aanzien van alle in geschil zijnde jaren de sanctie van artikel 27e in samenhang met artikel 27h, lid 2, Awr toepassing dient te vinden.

7.22.

Belanghebbende heeft, gelet op de hiervoor in 7.20 vermelde bezwaren tegen het accountantsrapport, die het Hof aannemelijk acht, niet overtuigend aangetoond dat de met omkering van de bewijslast vastgestelde (navorderings)aanslagen onjuist zijn. Dit ontslaat de Inspecteur evenwel niet van de verplichting de door hem aangebrachte correcties niet naar willekeur vast te stellen. De Inspecteur heeft de hoogte van zijn schatting van de belastbare bedragen zodanig onderbouwd met feitelijke stellingen (zie 7.17, alsmede onderdeel 22.2 van de uitspraak van de rechtbank) dat de schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan, behoudens hetgeen in het navolgende wordt overwogen. Voor wat de jaren 2009 en 2010 betreft heeft de Inspecteur op grond van ervaringscijfers in redelijkheid het belastbaar inkomen uit werk en woning door middel van extrapolatie kunnen vaststellen.

7.22.1.

De Inspecteur is bij zijn correcties uitgegaan van GBA-gegevens en heeft als gevolg daarvan ten aanzien van sommige panden aangenomen dat sprake was van periodes van leegstand, terwijl belanghebbende bij zijn nadere motivering van het hoger beroep huurcontracten heeft overgelegd, waaruit kan worden afgeleid dat in weerwil van de GBA-gegevens sprake was van verhuur en niet van leegstand. De Inspecteur heeft weliswaar aangevoerd te twijfelen aan de echtheid ervan, maar desgevraagd heeft hij ter zitting van het Hof laten weten om hem moverende redenen geen behoefte te hebben de originelen van de in kopie verstrekte huurcontracten in te zien. De stellingen van belanghebbende, die erop neerkomen dat meer huurinkomsten zijn ontvangen dan waarvan de Inspecteur is uitgegaan, zijn derhalve onvoldoende door de Inspecteur bestreden, zodat van de juistheid van die stellingen wordt uitgegaan. Dit betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat belanghebbende meer in box 3 vallende inkomsten uit verhuur heeft genoten dan waarvan de Inspecteur is uitgegaan. Dit brengt met zich dat de door de Inspecteur berekende negatieve uitkomsten van de kasopstelling dienen te worden gecorrigeerd.

7.22.2.

In het hiervoor overwogene vindt het Hof aanleiding de door de Inspecteur aangebrachte correcties van de belastbare inkomens uit werk in woning van belanghebbende met betrekking tot de onderhavige jaren voor elk jaar met een in goede justitie bepaald bedrag van € 10.000 te verminderen.

Aanslagen Zvw voor de jaren 2009 en 2010 (terecht van het maximum bijdrage-inkomen uitgegaan?)

7.23.

Gelet op het hiervoor overwogene is het belastbaar inkomen uit werk en woning voor de jaren 2009 en 2010 hoger dan het voor die jaren geldende maximum bijdrage-inkomen Zvw, zodat de aanslagen Zvw 2009 en Zvw 2010 terecht en naar een juist bedrag zijn opgelegd.

Verzuimboetes ib/pvv 2009 en ib/pvv 2010

7.24.

Belanghebbende heeft geen afzonderlijke gronden tegen de verzuimboetes aangevoerd. Met de rechtbank (onderdelen 27.1 en 27.2 van de uitspraak van de rechtbank) acht het Hof de door de Inspecteur ter zake van de aangifteverzuimen opgelegde boetes passend en geboden. Gelet op de geringe overschrijding van de redelijke termijn acht het Hof geen termen aanwezig om de boetes ambtshalve te verminderen.

Immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

7.25.

In de onderhavige zaken is niet om vergoeding van immateriële schade verzocht. In de zaak met nummer BK-14/01549 is evenwel de redelijke termijn (van de totale duur van de procedure) in beginsel verstreken na de op de tweede mondelinge behandeling aangezegde datum voor het doen van uitspraak. In een dergelijk geval wordt geen verzoek om vergoeding van immateriële schade verlangd en moet ambtshalve worden beoordeeld of de redelijke termijn is overschreden (zie HR 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252, V-N 2016/13.4).

7.26.

Gelet op de ingewikkeldheid van de zaak - meer in het bijzonder: de omvang en de complexheid van het dossier en de omvang van het verrichte onderzoek, alsmede de verknochtheid van de bedoelde zaak met andere (gelijktijdig behandelde) zaken betreffende dezelfde en andere belastingplichtigen - is sprake van een bijzondere omstandigheid die aanleiding is voor verlenging van de redelijke termijn, zodat de redelijke termijn voor berechting van de bedoelde zaak niet is overschreden.

Proceskosten

8.1.

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten, waarbij het Hof, gelet op de inhoud van de desbetreffende dossiers, de onderhavige zaken aanmerkt als met elkaar samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het vorengenoemde Besluit en de daarbij behorende bijlage, voor de vorenbedoelde zaken tezamen vast op

€ 4.464 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (3 punten à € 496 x 2 (gewicht van de zaak), vermenigvuldigd met factor 1,5 wegens vier of meer samenhangende zaken) en op € 738 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase (1 punt à € 246 x 2 (gewicht van de zaak), vermenigvuldigd met factor 1,5 wegens vier of meer samenhangende zaken), in totaal derhalve op € 5.202. Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling voor de procedure in eerste aanleg, omdat gesteld noch gebleken is dat belanghebbende voor die procedure kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

8.2.

Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling voor de rechtbank gestorte griffierecht van € 220 (nummer SGR 13/6826 betreffende de navorderingsaanslag ib/pvv 2004, nummer SGR 13/6825 betreffende de navorderingsaanslag ib/pvv 2005, nummer SGR 13/6824 betreffende de navorderingsaanslag ib/pvv 2006, nummer SGR 13/6811 betreffende de aanslag ib/pvv 2009 en nummer SGR 13/6808 betreffende de aanslag ib/pvv 2010), alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 122 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, behoudens de beslissingen betreffende de ontvankelijkheid van de bezwaren ib/pvv 2005, ib/pvv 2006, ib/pvv 2009 en ib/pvv 2010, de voor het jaar 2007 opgelegde vergrijpboete, de navorderingsaanslag Zvw 2007, de aanslag ib/pvv 2008, de aanslag Zvw 2008, de navorderingsaanslag ib/pvv 2008, de navorderingsaanslag Zvw 2008, de aanslag ib/pvv 2009 en de aanslag ib/pvv 2010, de voor de jaren 2009 en 2010 opgelegde verzuimboetes, alsmede de beslissing omtrent de griffierechten,

- vernietigt de uitspraken op bezwaar ib/pvv 2004 t/m 2007, 2009 en 2010 in zoverre,

- vermindert de navorderingsaanslag ib/pvv 2004 tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning ten bedrage van € 19.292,

- vermindert de navorderingsaanslag ib/pvv 2005 tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning ten bedrage van € 27.836,

- vermindert de navorderingsaanslag ib/pvv 2006 tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning ten bedrage van € 21.487,

- vermindert de navorderingsaanslag ib/pvv 2007 tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning ten bedrage van € 32.388,

- vermindert de aanslag ib/pvv 2009 tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning ten bedrage van € 40.325 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 78,

- vermindert de aanslag ib/pvv 2010 tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning ten bedrage van € 41.262,

- gelast de Inspecteur de heffingsrentebeschikkingen dienovereenkomstig te verminderen,

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 5.202, en

- gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 342 (€ 220 + € 122) aan griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, Chr.Th.P.M. Zandhuis en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.S.H.M. Strik. De beslissing is op 17 mei 2016 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.