Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:1523

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
26-04-2016
Datum publicatie
01-06-2016
Zaaknummer
BK-15/00356, BK-15/00357, BK-15/00358 en BK-15/00359
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:3761, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil of de navorderingsaanslagen terecht en tot een juist bedrag zijn opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1173
V-N 2016/38.24.20
FutD 2016-1375
NTFR 2016/1553
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-15/00356, BK-15/00357, BK-15/00358 en BK-15/00359

Uitspraak d.d. 26 april 2016

in het geding tussen:

[X] , zonder bekende woon- of verblijfplaats, belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (hierna: de Rechtbank) van 26 maart 2015, nummers SGR 14/11181, SGR 14/11183, SGR 14/11184 en SGR 14/11186, betreffende de onder 1.1 vermelde aanslagen en beschikkingen.

Aanslagen, beschikkingen, bezwaren en geding in eerste aanleg

1.1.

Aan belanghebbende zijn navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd over de jaren 2008 tot en met 2011. Gelijktijdig is bij beschikkingen heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaren afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 123. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De Inspecteur heeft met dagtekening 14 januari 2016 de pleitnota, met bijlagen ingediend.

2.3.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 2 februari 2016, gehouden te Den Haag. Belanghebbende is niet verschenen. Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 2 december 2015 aan het adres [Y] , [Z] , onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Op 22 december 2015 is de enveloppe waarin de vorenbedoelde brief is verzonden, ongeopend ter griffie terugontvangen. Uit de kennelijk door medewerkers van PostNL geplaatste aantekeningen op die enveloppe, die door de griffier in het dossier is gevoegd, leidt het Hof af dat de besteller van PostNL op 3 december 2015 geen gehoor heeft gekregen op het eerderbedoelde adres, dat hij toen aldaar een kennisgeving van aanbieding heeft achtergelaten met de mededeling dat de brief op het kennelijk in die mededeling genoemde postkantoor kon worden afgehaald, dat de brief niet op dat postkantoor is afgehaald, en dat PostNL de enveloppe tenslotte op 21 december 2015 heeft geretourneerd aan de afzender, te weten de griffier. Blijkens de Gemeentelijke Basisadministratie van de gemeente [A] staat belanghebbende sinds 26 oktober 2015 niet ingeschreven op voornoemd adres en verblijft hij met ingang van 26 oktober 2016 in Indonesië. Omdat de griffier niet heeft kunnen vaststellen wat de woon- of verblijfplaats is van belanghebbende, is belanghebbende door middel van een publicatie in de Staatscourant van 8 januari 2016, nr. 1122 uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde staat in hoger beroep het volgende vast:

3.1.

Belanghebbende verricht in de vorm van een eenmanszaak boekhoudkundige werkzaamheden voor zowel bedrijven als particulieren.

3.2.

Bij belanghebbende is een boekenonderzoek ingesteld inzake de heffing van inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en omzetbelasting over de jaren 2008 tot en met 2011. Op 22 november 2013 is een rapport ter zake opgesteld. In dit rapport is voor zover hier van belang het volgende opgenomen:

"(…)

2.2

Bedrijfsactiviteiten

De ondernemersactiviteiten bestaan uit het verrichten van boekhoudkundige werkzaamheden voor diverse bedrijven. Naast de boekhouding voor deze bedrijven worden tevens jaarrekeningen opgemaakt. Tevens verzorgt belastingplichtige de aangiften inkomstenbelasting, loonbelasting en omzetbelasting. Voor het particuliere segment verzorgt hij de aangiften inkomstenbelasting. Tijdens het onderzoek waren bij de onderneming geen werknemers in dienst.

2.3

Administratie

Belastingplichtige verzorgt de dagelijkse administratie. De eigen administratie bestaat uit facturen, bonnetjes en bankafschriften. In een excel-sheet wordt vanuit kas en bankbetalingen een kolommenbalans opgemaakt. De administratie is bij de renovatie van zijn woning verloren gegaan. Belastingplichtige geeft aan van de klanten niets bij te houden. Hij verricht de werkzaamheden bij de klant. Gedurende een korte periode werd een pand gehuurd aan de [B] te [C] . Naast de boekhouding verzorgt hij de aangifte omzetbelasting en loonbelasting. Eén keer per jaar maakt hij de jaarrekening op. Belastingplichtige houdt van de werkzaamheden voor zijn klanten niets bij. Bij een geobjectiveerde benadering kom ik tot het oordeel dat de eigen administratie op de volgende onderdelen niet aan de wettelijke norm voldoet:

- een klantenadministratie (dossier per klant) ontbreekt,

- een administratie van de verrichtte werkzaamheden en de besteedde tijd per klant ontbreekt.

2.3.1

Administratieplicht (artikel 52 Algemene wet inzake rijksbelastingen)

Uit het onderzoek is gebleken dat belastingplichtige zich op onderdelen niet gehouden heeft aan de administratieplicht. De bepalingen op dit gebied zijn terug te vinden in artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Deze bepalingen bevatten kwaliteitseisen welke aan een administratie gesteld worden ten behoeve van de belastingheffing. De administratie voldoet op de volgende punten niet aan de wettelijke normen voldoet

- Ondanks een omvangrijke contante geldstroom is er ten onrechte geen kasadministratie bijgehouden,

- Een deel van de bankafschriften ontbreken,

- Over de gecontroleerde jaren konden geen facturen worden overgelegd,

- Uit bankafschriften valt op te maken dat niet alle omzet is geboekt,

- Er worden vervoerskosten in aanmerking genomen met als onderbouwing een te ruime niet gespecificeerde schatting;

- Een debiteurenoverzicht ontbreekt,

- De balanspost omzetbelasting wordt niet opgenomen;

(…)

4 Winstberekening

4.1

Bedrijfsopbrengsten

De bedrijfsopbrengsten bestaan uit de opbrengsten uit administratieve, boekhoudkundige dienstverlening en het indienen van aangiften inkomstenbelasting, omzetbelasting en loonbelasting voor diverse klanten. De aangegeven omzet wordt per kas en bank ontvangen. De in de aangifte inkomstenbelasting en omzetbelasting aangegeven omzet sluiten niet aan. De uit de bankafschriften geconstateerde omzet wijkt eveneens af van de aangifte inkomstenbelasting en omzetbelasting.

Door het ontbreken van een kasadministratie is de contante geldstroom niet te volgen. Uit de bankafschriften blijkt dat er veel geld contant wordt gestort op de bankrekeningen. Ook wordt er veel geld overgemaakt van de ene naar de andere bankrekening. Daarnaast vinden er diverse stortingen plaats van de bankrekeningen op buitenlandse bankrekeningen. Voor het indienen van een groot aantal aangiften inkomstenbelasting, omzetbelasting en loonbelasting wordt geen opbrengst aangegeven. Belastingplichtige verklaarde dat hij voor het indienen van deze aangiften niets heeft ontvangen. Belastingplichtige heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze werkzaamheden zijn verricht zonder dat hier een vergoeding tegenover stond.

De aangegeven omzet zal worden gecorrigeerd met de verschillen die uit de bankafschriften naar voren komen. Daarnaast wordt een bedrag van € 2.000 exclusief omzetbelasting per jaar bijgeteld. Deze bijtelling is een voorzichtige schatting van de contant ontvangen omzet, gebaseerd op het aantal aangiften van particuliere en zakelijke klanten, voor wie belastingplichtige geen omzet heeft aangegeven. Bij deze schatting is rekening gehouden met de beweringen van belastingplichtige dat hij voor kennissen en familieleden aangiften kosteloos invult.

(…)

Correcties omzet

2008

[D] € 3 041

[E] € 1 200

Overige omzet uit overige werkzaamheden € 2000

Vastgestelde omzet € 6 241

Aangegeven in de aangifte ib € 1 670

Correctie omzet excl. ob € 4 571

2009

Omzet volgens eigen administratie € 4 554

Omzet [F] ) € 2 521

Omzet [D] € 1 681

Omzet bijtelling uit overige werkzaamheden € 2 000

Vastgestelde omzet € 10 765

Aangegeven in de aangifte ib € 4 554

Correctie omzet excl. ob € 6.202

2010

Omzet administratiekantoor volgens bankafschriften € 16 545

Omzet bijtelling uit overige werkzaamheden € 2 000

Vastgestelde omzet € 18 545

Omzet volgens de aangifte € 3 442

Correctie omzet excl. ob € 15 103

2011

Omzet administratiekantoor volgens bankafschriften € 6 365

Omzet bijtelling uit overige werkzaamheden € 2 000

Vastgestelde omzet € 8 365

Omzet volgens de aangifte € 11 005

Correctie omzet excl. ob -/-€ 2 640

2012

Omzet administratiekantoor volgens bankafschriften € 5 863

Omzet bijtelling uit overige werkzaamheden € 2 000

Vastgestelde omzet € 7 863

Omzet volgens de aangifte € 2 880

Correctie omzet excl. Ob € 4 983

4.2

Bedrijfskosten

Belastingplichtige voert de volgende kostenposten op in de verlies & winstrekening.

Afschrijving

De in 2008 aangeschafte kantoorinventaris wordt in drie jaar afgeschreven De wettelijke afschrijvingstermijn bedraagt 5 jaar Uit praktische overweging zal niet worden gecorrigeerd De afschrijving op de in 2010 en 2011 aangeschafte kantoorinventaris wordt niet geaccepteerd. Op het controle adres kon niet worden aangegeven welke inventaris het betrof Facturen waren niet aanwezig. Een activastaat was er evenmin. Belastingplichtige gaf aan dat het uitgaven en inventaris betroffen in het door hem gehuurde kantoorpand Het kantoorpand wordt inmiddels niet gebruikt. De overdacht naar privé, of verkoop aan derden is niet in de administratie verwerkt. Met de bewering dat de investeringen zijn gedaan in een poging tot uitbreiding van de activiteiten te komen is de zakelijkheid van de investeringen onvoldoende aannemelijk gemaakt. De afschrijving zal worden gecorrigeerd.

Correctie 2010 € 427

Correctie 2011 € 2 998

Correctie 2012 € 2 998

Huur kantoorruimte

In een deel van de gecontroleerde jaren wordt de huur van een bedrijfspand ten laste van het resultaat gebracht Het betreft hier huur die gefactureerd is met omzetbelasting Een verzoek tot belaste huur heb ik niet aangetroffen. De voorbelasting op deze huur, waarvan overigens geen factuur van aanwezig is zal niet worden geaccepteerd, maar als kostenpost worden aangemerkt.

Meer huurkosten 2010 € 456

Meer huurkosten 2011 € 1 026

Meer huurkosten 2012 € 86

Onderhoudskosten

De onderhoudskosten in 2010 en 2011 zijn niet aannemelijk gemaakt en worden gecorrigeerd Bovendien werden diverse uitgaven in 2011 met een totaalbedrag van € 1201 dubbel geboekt.

Correctie 2010 € 720

Correctie 2011 € 8 334

Kantoorbehoeften

De kosten van het officecenter worden in 2011 geaccepteerd. De overige kosten zijn niet aannemelijk gemaakt.

Correctie 2011 € 1 520

Telefoonkosten

Bij het in aanmerking nemen van de telefoonkosten worden abonnementsgelden aan T‑Mobile en Vodafone, prepaid tegoeden en aanschaf van telefoons in aanmerking genomen. Er wordt geen rekening gehouden met een correctie op het privé-gebruik van de telefoons Gezien de omvang van de activiteiten heb ik de volgende correcties aangebracht.

In 2008 worden de telefoonkosten gecorrigeerd met € 625.

In 2009 wordt 50% van de in aanmerking genomen telefoonkosten gecorrigeerd

De correctie bedraagt € 627.

In 2010 wordt de helft van de aangegeven kosten aangemerkt als zakelijke kosten

Correctie € 475

In 2011 wordt een bedrag van € 698 aangemerkt als zakelijke telefoonkosten. Een bedrag van € 1 946 wordt gecorrigeerd.

In 2012 wordt de helft van de aangegeven kosten aangemerkt als zakelijke kosten

Correctie € 738

Overige kosten

Van de overige kosten worden de drukkosten en de inktkosten geaccepteerd. Overige kosten worden gecorrigeerd.

Correctie 2009 € 280

Correctie 2010 € 322

Rentekosten

Onder de rentekosten zijn uitgaven voor rechtshulp ten laste van het resultaat gebracht. De zakelijkheid van deze kosten zijn niet aannemelijk gemaakt.

Correctie 2011 € 745

Vervoerskosten

In de gecontroleerde jaren wordt als vervoerskosten een geschat bedrag ten laste van het resultaat gebracht. In 2008 en 2009 bedragen de vervoerskosten € 3 560 per jaar. In 2010 t/m 2012 bedragen de kosten € 1882. Het ten laste van het resultaat gebrachte bedrag is gebaseerd op een vergoeding van 0,19 cent per kilometer. Er zouden jaarlijks 18 736 kilometer gereden worden voor het administratiekantoor. Een rittenadministratie is niet aanwezig. Gezien de omvang van het bedrijf stel ik het bedrag vast op € 912.

Correctie 2008 € 2 648

Correctie 2009 € 2 648

Correctie 2010 € 980

Correctie 2011 € 980

Correctie 2012 € 980"

3.3.

Naar aanleiding van de conclusies uit het boekenonderzoek heeft de Inspecteur de volgende navorderingsaanslagen opgelegd:

Inkomen werk en woning

Aangegeven

Navorderingsaanslag

2008

€ 21.894

€ 29.946

2009

€ 23.423

€ 37.503

2010

€ 24.982

€ 46.067

2011

€ 19.018

€ 34.350"

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de navorderingsaanslagen terecht en tot een juist bedrag zijn opgelegd, hetgeen belanghebbende bestrijdt en de Inspecteur verdedigt.

4.2.

De Inspecteur heeft het standpunt van belanghebbende gemotiveerd bestreden.

4.3.

Voor de gronden van de standpunten van partijen, verwijst het Hof naar de stukken van het geding.

Conclusies van partijen

5.1.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en tot vernietiging c.q. vermindering van de navorderingsaanslagen.

5.2.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen:

"(…)

5. Tussen partijen is in geschil of deze navorderingsaanslagen terecht zijn opgelegd. [Belanghebbende] voert aan dat dit niet het geval is omdat [de Inspecteur] omzet bijtelt maar geen rekening houdt met de kosten die [belanghebbende] heeft gemaakt of met andere omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de omvang van het resultaat. [De Inspecteur] heeft de standpunten van [belanghebbende] gemotiveerd weersproken.

6. Artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) schrijft voor dat administratieplichtigen zijn gehouden van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf, zelfstandig beroep of werkzaamheid naar de eisen van dat bedrijf, dat zelfstandig beroep of die werkzaamheid op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken. Op grond van het tweede lid, aanhef en onder b, van dit artikel is [belanghebbende] administratieplichtig.

7. Niet in geschil is dat de administratie over de gecontroleerde jaren niet is overgelegd aan [de Inspecteur]. [Belanghebbende] voert aan dat de dozen met zijn administratie per ongeluk zijn aangezien als dozen die vernietigd konden worden. Indien [belanghebbende] hiermee bedoelt een beroep te doen op overmacht als bedoeld in artikel 54 van de Awr als gevolg waarvan hij zijn administratie niet kon overleggen verwerpt de rechtbank dit beroep. Van [belanghebbende] mag worden verwacht dat hij zorgvuldig met zijn administratie omgaat en deze niet aan de straat plaatst.

8. Nu [belanghebbende] niet heeft voldaan aan de vereisten van artikel 52 van de Awr en een beroep op artikel 54 van de Awr niet slaagt is er sprake van omkering van de bewijslast.

Dit betekent dat de beroepen ongegrond worden verklaard tenzij [belanghebbende] doet blijken, dat wil zeggen overtuigend aantoont, dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is [belanghebbende] daarin niet geslaagd. [Belanghebbende] heeft geen, althans onvoldoende bewijs geleverd waaruit blijkt dat de door [de Inspecteur] toegepaste correcties te hoog zijn. [Belanghebbende] heeft weliswaar veel argumenten aangedragen maar onvoldoende om te voldoen aan de verzwaarde bewijslast die door de omkering van de bewijslast op hem rust.

9. Dat [belanghebbende] niet heeft voldaan aan zijn verzwaarde bewijslast, betekent echter niet dat [de Inspecteur] de omzetcorrecties naar willekeur mag vaststellen. [De Inspecteur] dient de aanslag vast te stellen aan de hand van een redelijke schatting (vergelijk Hoge Raad 27 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0401). Nu [de Inspecteur] de administratie op basis van bankgegevens, gegevens over de door [belanghebbende] verzorgde aangiftes, facturen ten name van bedrijven waar [belanghebbende] de administratie voor verzorgt, heeft vastgesteld, is de rechtbank van oordeel dat de uitkomsten van [de Inspecteur] redelijk zijn.

10. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zijn de beroepen ongegrond verklaard.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

(…)"

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

Het geschil spitst zich toe op het antwoord op de vraag of de Inspecteur terecht de omzet en de in aftrek gebrachte kosten heeft gecorrigeerd (zie het controlerapport hiervoor onder 3.2. vermeld).

7.2.

Met betrekking tot de omkering van de bewijslast heeft de Inspecteur in zijn pleitnota nader gesteld dat de bewijslast ten onrechte is omgekeerd wegens het niet voldoen aan de vereisten van artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) omdat een onherroepelijke informatiebeschikking ontbreekt. Het Hof volgt de Inspecteur in dit standpunt. De Inspecteur stelt dat omkering van de bewijslast desalniettemin aan de orde is omdat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan. De Inspecteur wijst in dit verband op een verhoudingsgewijs en op zichzelf beschouwd aanzienlijk lager bedrag aan belasting in de aangiften ten opzichte van de volgens de opgelegde navorderingsaanslagen verschuldigde belasting. De Inspecteur heeft hiervan de bewijslast. Het Hof zal daarom eerst de correcties als zodanig beoordelen.

7.3.

Met betrekking tot het ingestelde boekenonderzoek heeft de Inspecteur ter zitting verklaard dat hij hieraan voorafgaand, uit het geautomatiseerde systeem van de belastingdienst heeft afgeleid dat belanghebbende in het jaar 2008 aangiften IB/PVV heeft verzorgd voor ongeveer 40 particulieren. De Inspecteur heeft voorts uit dit systeem afgeleid dat belanghebbende in evenvermeld jaar tevens voor negen ondernemers aangiften IB/PVV, loonbelasting en omzetbelasting heeft verzorgd. De Inspecteur heeft bevestigd dat het zeer wel mogelijk is dat belanghebbende, zoals hij heeft gesteld en onderbouwd met diverse verklaringen, voor de ten behoeve van particulieren ingevulde aangiften geen vergoeding heeft ontvangen. Dat laat onverlet, aldus de Inspecteur ter zitting, dat hij voor circa negen ondernemers wel diensten tegen vergoeding heeft verricht terwijl de Inspecteur uit de administratie van belanghebbende afleidt dat er slechts vergoedingen ontvangen van drie ondernemers zijn verantwoord. De Inspecteur heeft desgevraagd erkend dat de correcties in het controlerapport (zeer) summier zijn onderbouwd.

7.4.

Belanghebbende betwist de door de Inspecteur aangebrachte correcties van de omzet. De diverse op grond van de bankafschriften gecorrigeerde posten betreffen onder meer terugbetalingen van leningen en betalingen voor de verkoop van de inventaris van zijn huis, aldus belanghebbende. De door de Inspecteur aangebrachte correctie van € 2000 per jaar, zijnde een schatting van contant ontvangen ontvangsten, betwist belanghebbende ten stelligste. Voor de ten behoeve van bevriende relaties gedane aangiften heeft hij geen vergoeding in rekening gebracht, aldus belanghebbende. De andere vergoedingen heeft hij aangegeven.

7.5.

De bewijslast ter zake van de correcties van de omzet ligt bij de Inspecteur. Gelet op de gemotiveerde bestrijding van belanghebbende van de aangebrachte correcties wordt geoordeeld dat de in het controlerapport opgenomen gegevens ter zake van de desbetreffende correcties voldoende onderbouwing missen en kunnen deze correcties niet worden gestaafd. Daarenboven geldt dat, uitgaande van de aanname van de Inspecteur dat belanghebbende jaarlijks voor circa negen ondernemers de aangifte IB/PVV, loonbelasting en omzetbelasting tegen betaling heeft verzorgd, de omzet, rekening houdend met de door hem aangebrachte omzetcorrecties, onnavolgbaar fluctueert. De Inspecteur heeft in dit verband ter zitting desgevraagd bevestigd slechts voor één jaar te hebben nagegaan voor hoeveel relaties – particulieren en ondernemers – belanghebbende de aangiften heeft verzorgd en dat de fluctuatie niet goed valt te verklaren. Derhalve heeft de Inspecteur de aangebrachte correcties, tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende, onvoldoende gemotiveerd. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de Inspecteur niet aan de op hem liggende bewijslast heeft voldaan.

7.6.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 7.5. is overwogen berekent het Hof de vermindering van de navorderingsaanslagen voor zover deze de omzet betreffen als volgt.

In zijn hoger beroepschrift heeft belanghebbende vermeld wat volgens hem de verschuldigde omzet is. Voor zover dit bedrag hoger dan wel gelijk is aan hetgeen hij in zijn aangiften heeft vermeld zal het Hof voor de omzet uitgaan van deze bedragen. Voor het jaar 2011 gaat de Inspecteur uit van een lager bedrag aan omzet, te weten € 8.365, dan belanghebbende heeft aangegeven. Gelet op de omstandigheid dat hiervan € 2.000 betrekking heeft op de onder 7.4 vermelde correctie wordt dit bedrag verminderd met € 2.000 hetgeen resulteert in een omzet van € 6.365. Het in hoger beroep nog lagere bedrag aan omzet voor het jaar 2011 heeft belanghebbende onvoldoende onderbouwd.

Dit leidt voor de omzet van belanghebbende tot het volgende:

Jaar

Aangegeven
omzet

Omzet
navorderings-aanslag

Correctie

Omzet in Hoger Beroep

Omzet

door Hof vastgesteld

Nieuw bedrag correctie

Vermindering navordering

2008

€ 1.670

€ 6.241

€ 4.571

€ 4.241

€ 4.241

€ 2.571

€ 2.000

2009

€ 4.554

€ 10.756

€ 6.202

€ 4.554

€ 4.554

nihil

€ 6.202

2010

€ 3.442

€ 18.545

€ 15.103

€ 3.442

€ 3.442

nihil

€ 15.103

2011

€ 11.005

€ 8.365

-/- € 2.640

€ 5.505

€ 6.365

-/- € 4.640

€ 2.000

7.7.

Met betrekking tot de kosten heeft de Inspecteur om diverse redenen de aftrek van de hiermee gemoeide bedragen geweigerd, onder verwijzing naar 4.2 van het controlerapport, (hiervoor geciteerd onder 2.3). De Inspecteur heeft onder meer gemotiveerd gesteld dat er geen verband bestaat tussen de werkzaamheden en de diverse gemaakte kosten, dat facturen ontbreken, dat rittenadministraties ontbreken en dat er sprake is van dubbele boekingen. De Inspecteur heeft diverse kosten gemitigeerd omdat deze hem gelet op de omvang van het bedrijf onaannemelijk voorkomen.

Gelet op deze aangevoerde feiten en omstandigheden heeft de Inspecteur aan de op hem rustende last voldaan om te bewijzen dat de correcties van deze kosten terecht en tot juiste bedragen zijn gepleegd. De blote stelling van belanghebbende dat de desbetreffende kosten zijn gemaakt is ten ene male onvoldoende om tot een ander oordeel te leiden. In zoverre faalt belanghebbendes hoger beroep.

7.8.

Indien veronderstellenderwijs ervan wordt uitgegaan dat de bewijslast kan worden omgekeerd, hetgeen de Inspecteur bepleit, dient sprake te zijn van een redelijke schatting, doch uit het vorenoverwogene volgt dat daarvan ten aanzien van de omzetcorrecties geen sprake is.

Conclusie

7.9.

Met in achtneming van het voorgaande is de conclusie dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is. Beslist dient te worden als volgt.

Proceskosten en griffierecht

8.1.

Het Hof ziet af van een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht nu er geen kosten zijn gesteld of gebleken.

8.2.

Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling voor de Rechtbank gestorte griffierechten van € 90, alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 123 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze de jaren 2008, 2009 en 2010 betreffen;

- verklaart de bij de Rechtbank ingestelde beroepen inzake de jaren 2008, 2009 en 2010 gegrond;

- vernietigt de desbetreffende uitspraken op bezwaar van de Inspecteur;

- vermindert de desbetreffende navorderingsaanslagen als volgt:

2008: tot een berekend naar een belastbaar inkomen van (€ 29.946 -/- € 2.000 =) € 27.946

2009 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van (€ 37.503 -/- € 6.202 =) € 31.301

2010: tot een berekend naar een belastbaar inkomen van (€ 46.067 -/- € 15.103 =) € 30.964

2011: tot een berekend naar een belastbaar inkomen van (€ 34.603 -/- € 2.000 =) € 32.603

- gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 213 aan griffierechten te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. E.M. Vrouwenvelder, P.J.J. Vonk en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.S.H.M. Strik. De beslissing is op 26 april 2016 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

de Inspecteur verzonden:

Omdat de vaste woon- of verblijfplaats van belanghebbende niet bekend is, is door middel van een publicatie in de Staatscourant bekend gemaakt dat uitspraak is gedaan.

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.