Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:1520

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-05-2016
Datum publicatie
01-06-2016
Zaaknummer
BK-15/00347
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:4199, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:2439
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of de Inspecteur de advocaatkosten ten bedrage van € 6.800 terecht niet in aftrek heeft toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1172
FutD 2016-1381
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-15/00347

Uitspraak van 3 mei 2016

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (hierna: de Rechtbank) van 3 april 2015, nummer SGR 14/11022, betreffende na te vermelden aanslag en beschikking.

Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 83.140. Bij beschikking is een bedrag van € 257 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 123. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 22 maart 2016, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Ter zitting is tevens behandeld het hoger beroep van belanghebbende, kenmerk BK-15/00263, betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2010 opgelegde aanslag in de IB/PVV. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier één proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

In hoger beroep is, op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1.

Belanghebbende heeft in de jaren 1992 tot en met 2004 alimentatie aan zijn ex-echtgenote betaald.

3.2.

In de periode 2010/2011 is de ex-echtgenote een civiele procedure gestart om de door belanghebbende tijdens de huwelijksgemeenschap opgebouwde pensioenrechten alsnog in de verdeling van de gemeenschap te betrekken. Bij arrest van 18 juni 2013 heeft het gerechtshof Den Haag de vordering van de ex-echtgenote afgewezen.

3.3.

Belanghebbende heeft een gerechtelijke procedure aangespannen om de in het verleden aan de ex-echtgenote betaalde alimentatie terug te krijgen.

3.4.

In verband met de hiervoor bedoelde procedures heeft belanghebbende advocaatkosten gemaakt. Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV 2011 een bedrag van € 6.800 opgevoerd als "totaal aftrekbare kosten i.v.m. alimentatie". De Inspecteur heeft de aftrek van dit bedrag bij het vaststellen van de aanslag niet geaccepteerd.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

In geschil is of de Inspecteur de advocaatkosten ten bedrage van € 6.800 terecht niet in aftrek heeft toegestaan.

4.2.

Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslag.

5.2.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Oordeel van de Rechtbank

6. De Rechtbank heeft omtrent het geschil het volgende overwogen:

"4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de Inspecteur] de aftrek van de advocaatkosten terecht geweigerd. De Wet IB 2001 biedt geen mogelijkheid deze met de alimentatieverplichting van [belanghebbende] samenhangende kosten in aftrek te brengen. Voor zover [belanghebbende] stelt dat deze kosten op grond van artikel 3.108 van de Wet IB 2011 aftrekbaar zijn, verwerpt de rechtbank dit standpunt. Op grond van die bepaling zijn aftrekbaar kosten die zijn gemaakt tot verwerving, inning en behoud van uitkeringen en verstrekkingen. Daarvan is in dit geval, waarbij de advocaatkosten in feite zijn gemaakt om te voorkomen dat een hogere alimentatieverplichting zou ontstaan dan wel om alle in het verleden gedane alimentatiebetalingen terug te draaien, geen sprake. Anders dan [belanghebbende] kennelijk meent, heeft ook het (eventuele) ontstaan van een terugbetalingsverplichting bij de ex-echtgenote voor de in het verleden (ten onrechte) ontvangen alimentatiebetalingen, niet te gelden als een dergelijke uitkering of verstrekking.

5. De rechtbank verwijst ook naar de uitspraak van de Hoge Raad van 1 oktober 2010, nr. 09/05123, ECLI:NL:HR:2010:BN8742, waarin -kort gezegd- is beslist dat advocaatkosten die zijn gemaakt om een alimentatieverplichting te doen verminderen, niet aftrekbaar zijn. Anders dan [belanghebbende] bepleit, acht de rechtbank deze uitspraak ook in dit geval van toepassing.

6. Dat [belanghebbende] pas in 2010, via door [de Inspecteur] in een andere belastingprocedure verstrekte informatie, heeft ontdekt dat zijn ex-echtgenote in werkelijkheid meer verdiende dan het inkomen waar de alimentatiebetalingen op waren gebaseerd en dat hij uitgaande van dat hogere inkomen steeds ten onrechte (teveel) alimentatie heeft betaald, maakt het voorstaande niet anders. Daarmee is immers nog steeds geen sprake van kosten die zijn gemaakt tot verwerving, inning en behoud van uitkeringen en verstrekkingen. De vraag of [de Inspecteur] in dit verband kan worden verweten dat hij [belanghebbende] niet eerder heeft geïnformeerd over het inkomen van zijn ex-echtgenote kan daarbij in het midden blijven, nu de rechtbank dit niet relevant acht voor de onderhavige procedure die slechts gaat over de vraag of de advocaatkosten aftrekbaar zijn. Zo [de Inspecteur] al zou kunnen worden verweten dat hij in dit verband niet voortvarend/onzorgvuldig zou hebben gehandeld, voor welke conclusie de rechtbank vooralsnog overigens nog onvoldoende aanleiding vindt in de gedingstukken, zou dat immers niets afdoen aan de aard van de (niet aftrekbare) advocaatkosten.

7. Voor zover [belanghebbende] meent dat hij door zijn ex-echtgenote op kosten wordt gedreven via een reeks procedures die 'eindeloos en zinloos' zijn en dat de kosten om die reden aftrekbaar zijn, volgt de rechtbank hem daarin evenmin. Zo al sprake zou zijn van 'eindeloos en zinloos procederen' door de ex-echtgenote is dat naar het oordeel van de rechtbank niet een omstandigheid die aftrek van de bewuste advocaatkosten wel mogelijk zou maken.

8. [ Belanghebbende] heeft ter zitting nog verzocht om, zo de voornoemde advocaatkosten niet aftrekbaar worden geacht, in 2011 aftrek te verlenen voor alle betaalde alimentatie over de periode 1991-2004. Aan dit verzoek kan niet worden tegemoetgekomen. Nog daargelaten dat die alimentatiebetalingen in eerdere jaren reeds in aftrek zijn gebracht, is ter zake die betalingen immers geen sprake van in het jaar 2011 opgekomen kosten.

9. Voor zover [belanghebbende] stelt dat het niet toestaan van de geclaimde aftrek in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, overweegt de rechtbank als volgt. Ingevolge artikel 11 van de Wet algemene bepalingen dient de rechtbank recht te spreken volgens de wet en mag zij de innerlijke waarde of billijkheid van wettelijke bepalingen niet beoordelen. Dit brengt mee dat het de rechtbank niet is toegestaan wettelijke regelingen als zodanig te toetsen, behoudens voor zover de wettelijke regeling in strijd zou zijn met een ieder verbindende verdragsbepalingen. Gesteld noch gebleken is dat in het onderhavige geval sprake is van strijd met enige verdragsbepaling."

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

Ter zitting van het Hof is gebleken dat de door belanghebbende in aftrek gebrachte advocaatkosten geheel zien op de door de ex-echtgenote aangespannen civiele procedure om de tijdens de huwelijksgemeenschap opgebouwde pensioenrechten alsnog in de verdeling van de gemeenschap te betrekken.

7.2.

Voorts is ter zitting van het Hof gebleken dat belanghebbende uit hoofde van het hiervoor in 3.2 bedoelde arrest van 18 juni 2013 recht heeft op een proceskostenvergoeding van de ex-echtgenote ten bedrage van € 4.220,31. Door een exemplaar van dit arrest in het geding te brengen waarop deze kostenveroordeling is weggelaten dan wel verwijderd, heeft belanghebbende klaarblijkelijk de bedoeling gehad het Hof fout voor te lichten en aldus te misleiden.

7.3.

Uit het voorgaande volgt dat het geschil zich beperkt tot het verschil tussen de opgevoerde kosten en het van de ex-echtgenote uit hoofde van het arrest te ontvangen bedrag aan kostenvergoeding, derhalve tot een bedrag van (€ 6.800 – € 4.220,31 =) € 2.579,69. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 26 februari 2016, nr. 15/02165, ECLI:NL:HR:2016:317, BNB 2016/78 dient het standpunt van de belanghebbende dat deze kosten op grond van het bepaalde in artikel 3.108 van de Wet IB 2011 aftrekbaar zijn, te worden verworpen.

7.4.

Voorts geldt dat de Belastingdienst niet gehouden was (spontaan) gegevens over de ex-echtgenote aan belanghebbende te verstrekken. De Rechtbank heeft op goede gronden een juiste beslissing gegeven. Het Hof maakt deze beslissing en de daartoe gebezigde gronden tot de zijne. Al hetgeen belanghebbende overigens in hoger beroep heeft aangevoerd, treft geen doel en kan daaraan niet afdoen.

Slotsom

7.5.

Gelet op het vorenstaande dient het hoger beroep van belanghebbende ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

8. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, E.M. Vrouwenvelder en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.S.H.M. Strik. De beslissing is op 3 mei 2016 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.