Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:1494

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
26-04-2016
Datum publicatie
27-05-2016
Zaaknummer
BK-15/00865
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:7684, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:296
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is in geschil of belanghebbende en V bij het doen van aangifte voor het jaar 2010 ervoor hebben gekozen de belastbare inkomsten uit eigen woning in de verhouding 0:100 en de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen in de verhouding 32,6:67,4 toe te rekenen aan respectievelijk belanghebbende en haar ex-echtgenoot: bij ontkennende beantwoording van de vraag onder a: het aan belanghebbende toe te rekenen belastbare inkomen uit sparen en beleggen nihil bedraagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1147
FutD 2016-1387
NTFR 2016/1748 met annotatie van mr. A.A. Feenstra
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-15/00865

Uitspraak d.d. 26 april 2016

in het geding tussen:

mevrouw [X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (hierna: de Rechtbank) van 25 juni 2015, nr. SGR 14/7406, betreffende de onder 1.1 vermelde aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De Inspecteur heeft belanghebbende met dagtekening 14 juni 2013 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2010 (hierna: IB/PVV 2010) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.890 (hierna: de aanslag). Met de aanslag is een voorheffing van € 6.216 verrekend.

1.2.

Bij vonnis van 10 maart 2014 heeft de kantonrechter overwogen dat tussen belanghebbende en [Y] B.V. (hierna: de BV) geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan vanaf 2007. De kantonrechter heeft daarbij in aanmerking genomen dat sprake was van een fiscale constructie waarbij belanghebbende slechts fictief in dienst was bij de BV, waardoor een deel van het salaris van de echtgenoot van belanghebbende aan belanghebbende kon worden uitbetaald.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de aanslag en de beschikking bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 25 juni 2014 is de Inspecteur gedeeltelijk aan het bezwaar tegemoet gekomen en heeft hij, conform de aangifte, het belastbaar inkomen uit werk en woning op € 18.881 en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen op € 7.460 vastgesteld.

.

1.4.

Belanghebbende heeft hiertegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 123. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 16 maart 2016, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1.

[in] 1997 is belanghebbende getrouwd met [A] (hierna: V). Vóór het sluiten van hun huwelijk hebben belanghebbende en V. bij notariële akte van 3 april 1997 huwelijkse voorwaarden gemaakt. Ingevolge deze voorwaarden is elke huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap en verrekenbeding uitgesloten (“koude uitsluiting”).

3.2

In november 2011 hebben belanghebbende en V een echtscheidingsconvenant gesloten. Daarin is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 7 Fiscale regeling

7.1

Ieder der partijen doet eigen aangifte. De aanslagen die daarop volgen komen voor zijn/haar rekening. Eventuele teruggave zal ieder der partijen kunnen behouden.”

3.3

Het huwelijk van belanghebbende en V is [in] 2012 ontbonden.

3.4.

[B] (hierna: de adviseur) heeft op 4 juli 2012 ten name van belanghebbende voor het jaar 2010 aangifte gedaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning naar een bedrag van € 18.881 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 7.460 (hierna: de aangifte). De adviseur heeft ook de aangifte ten name van V voor het jaar 2010 verzorgd. In de aangiften ten name van belanghebbende en V is ervoor gekozen de belastbare inkomsten uit eigen woning in de verhouding 0:100 en de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen in de verhouding 32,6:67,4 toe te rekenen aan respectievelijk belanghebbende en V (hierna: de toerekeningskeuzen).

3.5.

De Inspecteur heeft bij de vaststelling van de aanslag het aangegeven belastbare inkomen uit werk en woning verhoogd met € 24.009 (hierna: de looncorrectie). Daarbij baseerde de Inspecteur zich op door de BV verstrekte informatie, inhoudende dat de BV in 2010 tot het bedrag van de looncorrectie loon uit dienstbetrekking aan belanghebbende heeft betaald.

3.6

Bij de uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de looncorrectie van € 24.009 teruggenomen.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

In hoger beroep is in geschil of:

a. belanghebbende en V bij het doen van aangifte voor het jaar 2010 ervoor hebben gekozen de belastbare inkomsten uit eigen woning in de verhouding 0:100 en de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen in de verhouding 32,6:67,4 toe te rekenen aan respectievelijk belanghebbende en haar ex-echtgenoot;

b. bij ontkennende beantwoording van de vraag onder a: het aan belanghebbende toe te rekenen belastbare inkomen uit sparen en beleggen nihil bedraagt.

Bij ontkennende beantwoording van de vraag onder a. is niet in geschil dat het belastbare inkomen uit werk en woning van belanghebbende met € 39.635 dient te worden verminderd.

4.2.

Belanghebbende beantwoordt de vraag onder a. ontkennend en de vraag onder b. bevestigend en voert daartoe – samengevat – het volgende aan.

- Belanghebbende heeft de adviseur niet gemachtigd haar aangifte inkomstenbelasting/premievolksverzekeringen voor het jaar 2010 in te dienen, laat staan daarin te kiezen voor een bepaalde toerekening van de belastbare inkomsten uit eigen woning en de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen aan respectievelijk belanghebbende en V;

- Uit de door de adviseur ingediende aangifte voor het jaar 2009 kan niet worden afgeleid dat belanghebbende de adviseur heeft gemachtigd voor het jaar 2010 haar aangifte in te dienen; de bevoegdheid van de adviseur tot het indienen van de aangifte voor belanghebbende dient voor elk jaar dient afzonderlijk te worden beoordeeld;

- Nu de beconregeling een regeling is die uitsluitend belastingconsulenten en de belastingdienst regardeert, wordt de onbevoegdheid van de adviseur om aangifte voor belanghebbende te doen niet geheeld door de beconregeling;

- De Inspecteur kan zich niet beroepen op de toerekenbare schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid; in dit verband wijst belanghebbende erop dat

* op de website van de belastingdienst expliciet is vermeld dat een DigiD-machtiging slechts geldig is voor de duur van één aangiftejaar;

* nu de beconregeling een regeling is die uitsluitend belastingconsulenten en de belastingdienst regardeert, daaraan niet de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid van de adviseur kan worden ontleend;

.- Belanghebbendes belastbare inkomsten uit eigen woning bedragen bedraagt negatief

€ 39.635, zijnde de helft van de belastbare inkomsten uit eigen woning van belanghebbende en V;

- Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen van belanghebbende bedraagt nihil; de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen van belanghebbende en V dient geheel aan V te worden toegerekend.

4.3.1

De Inspecteur beantwoordt de vraag onder a bevestigend en de vraag onder b ontkennend en voert daartoe het volgende aan.

- Dat de Inspecteur niet met bescheiden of anderszins aannemelijk kan maken dat belanghebbende aan de adviseur een volmacht heeft verleend om in naam van haar voor het jaar 2010 aangifte te doen en in de aangifte te kiezen voor een verdeling van de belastbare inkomsten uit eigen woning en de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, neemt niet weg dat belanghebbende aan de in de door de adviseur ingediende aangifte gekozen verdelingen gebonden is. De Inspecteur mocht immers aannemen dat belanghebbende aan de adviseur voor het doen van aangifte voor het jaar 2010 een toereikende volmacht had verleend (schijn van volmachtverlening).

- De adviseur heeft gebruik gemaakt van het hem door de belastingdienst toegekende beconnummer en met gebruikmaking van dit nummer op grond van de beconregeling de aangiften voor het jaar 2010 voor zowel belanghebbende als V verzorgd.

- Voorafgaande aan het indienen van de aangifte voor het jaar 2010 is van de adviseur geen signaal gekomen dat niet meer met toepassing van de beconregeling voor belanghebbende aangifte zou worden gedaan.

- Omdat de adviseur voor belanghebbende al een aantal jaren aangifte met toepassing van de beconregeling had gedaan en belanghebbende niet tegen de aanslagen over die jaren is opgekomen, mocht de Inspecteur ervan uitgegaan dat de adviseur ook voor het jaar 2010 bevoegd was namens belanghebbende aangifte te doen.

- Als eenmaal op basis van de beconregeling een beconnummer is verstrekt wordt niet elk jaar door de belastingdienst gecontroleerd of nog sprake is van een door de belastingplichtige aan de desbetreffende belastingconsulent verstrekte machtiging.

4.3.2

De Inspecteur neemt voorts het standpunt in dat, indien de vraag onder a. ontkennend wordt beantwoord, gelet op artikel 2:17, derde lid van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (tekst 2010) (hierna; Wet IB), 50% van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen aan belanghebbende dient te worden toegerekend. Dit leidt tot verhoging van het over het inkomen uit sparen en beleggen verschuldigde belasting. Een eventuele verlaging van de over het belastbare inkomen uit werk en woning verschuldigde belasting moet daarmee worden gecompenseerd.

Conclusies van partijen

5.1.

Belanghebbende concludeert tot vermindering van de aanslag tot een, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil, onder vaststelling van een verrekenbaar verlies uit werk en woning van € 20.754 (€ 39.635- € 18.881) en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil alsmede tot veroordeling van de Inspecteur in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft gemaakt.

5.2.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6. De Rechtbank heeft het volgende overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de heffingsambtenaar als verweerder.

"(…)

10. Op grond van artikel 2:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een ieder zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. Volgens artikel 3:60, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is volmacht de bevoegdheid die een volmachtgever verleent aan een ander, de gevolmachtigde, om in zijn naam rechtshandelingen te verrichten. Een volmacht eindigt volgens artikel 3:72 BW, anders dan door de dood, door herroeping door de volmachtgever of door opzegging door de gevolmachtigde.

11. Eiseres is er vanuit gegaan dat de volmacht voor het indienen van aangiften is

herroepen door de in het echtscheidingsconvenant opgenomen bepaling dat eiseres haar eigen aangifte zou indienen. Zij stelt dat de volmacht aldus was beëindigd. Eiseres kan in beginsel slechts worden gebonden aan rechtshandelingen van een 'gevolmachtigde' namens haar verricht voor zover daartoe volmacht is verleend. Die gebondenheid kan echter ook ontstaan wanneer sprake is van toerekenbare schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid als gevolg van een verklaring of gedraging van de "vertegenwoordigde". Zo'n gedraging of verklaring kan ook bestaan uit een nalaten (ECLI:NL:HR: 1968:AB6642). De vraag is dus of de gestelde onbevoegdheid van de adviseur aan verweerder kan worden tegengeworpen.

12. Uit de ter zitting gegeven toelichting van verweerder is gebleken dat de adviseur

die deelneemt aan de beconregeling voor 2010 aangifte kon doen voor zijn cliënten middels het aan hem verstrekte beconnummer. Ondertekening van een dergelijke aangifte door cliënt, in welke vorm dan ook, wordt dan niet vereist. De beconregeling veronderstelt aldus vertegenwoordigingsbevoegdheid van de adviseur. Die veronderstelde vertegenwoordigingsbevoegdheid wordt niet (jaarlijks) geverifieerd.

13. Hoewel deze werkwijze van verweerder de mogelijkheid openlaat dat een adviseur onbevoegd aangiften indient, moet het risico van de onderhavige onbevoegdheid van de adviseur voor rekening van eiseres blijven. Niet in geschil is dat de adviseur in de jaren voorafgaand aan 2010 de gezamenlijke aangiften voor eiseres en haar echtgenoot indiende en dat eiseres niet eerder bij verweerder ageerde tegen die werkwijze. Het had op de weg van eiseres gelegen verweerder in te lichten dat de adviseur niet meer als haar gemachtigde optrad (ECLI:NLHR:1998:AA2339). Met het indienen van de aangifte voor 2010 mocht verweerder, nu verder niets erop wees dat geen sprake meer was van een volmacht, redelijkerwijze er van uitgaan dat in navolging van de voorgaande jaren nog steeds sprake was van een afdoende volmacht.

14. Het voorgaande betekent dat de aanslag is opgelegd uitgaande van de in de aangifte gekozen onderlinge verhouding van de aftrekbare kosten in verband met de eigen woning en de grondslag sparen en beleggen. Die keuze kan alleen op verzoek van eiseres en haar echtgenoot gezamenlijk worden gewijzigd. Nu een dergelijk gezamenlijk verzoek ontbreekt, heeft verweerder terecht het bezwaar van eiseres tegen die verdeling afgewezen.

15. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

(…)"

Beoordeling van het hoger beroep

Met betrekking tot geschilpunt a

7.1.

Nu belanghebbende gemotiveerd heeft betwist dat zij aan de adviseur een volmacht heeft verleend om namens haar voor het jaar 2010 aangifte te doen, ligt het op de weg van de Inspecteur om aannemelijk te maken dat de adviseur tot het doen van aangifte voor belanghebbende bevoegd was. Ter zitting van het Hof heeft de Inspecteur verklaard dat hij niet met bescheiden of andere bewijsmiddelen aannemelijk kan maken dat belanghebbende de adviseur had gemachtigd namens haar voor het jaar 2010 aangifte te doen. Derhalve gaat het Hof ervan uit dat de adviseur bij het indienen van de aangifte en het maken van de toerekeningskeuzen voor het jaar 2010 niet handelde op grond van een hem door belanghebbende verleende volmacht.

7.2.

Het geschil spitst zich vervolgens toe op de vraag of de Inspecteur op grond van een verklaring of gedraging van belanghebbende redelijkerwijs mocht aannemen dat belanghebbende aan de adviseur voor het doen van aangifte voor het jaar 2010 een toereikende volmacht had verleend en zo ja, of die volmacht zich mede uitstrekt tot het in naam van belanghebbende kiezen voor een toerekening van de belastbare inkomsten uit eigen woning in de verhouding 0:100 en een toerekening van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen in de verhouding 32,6:67,4 aan respectievelijk belanghebbende en V.

7.3.

Naar het oordeel van het Hof is hetgeen de Inspecteur ter voldoening aan de op hem rustende bewijslast heeft aangevoerd, onvoldoende om op grond daarvan te oordelen dat de Inspecteur redelijkerwijs mocht aannemen dat belanghebbende aan de adviseur een toereikende volmacht tot het doen van aangifte voor 2010 heeft verleend. Daarbij neemt het Hof het volgende in aanmerking.

De verstrekking van een beconnummer aan de adviseur, waardoor deze met toepassing van de beconregeling voor 2010 aangifte voor belanghebbende kon doen, is geen verklaring of gedraging van belanghebbende als bedoeld in artikel 3:61 van het Burgerlijk Wetboek; derhalve is door deze verstrekking niet een schijn van volmachtverlening gewekt die aan belanghebbende kan worden tegengeworpen. De opvatting van de Inspecteur dat het verstrekken van het beconnummer aan de adviseur voldoende reden is om aan te nemen dat sprake is van een doorlopende machtiging van de adviseur om voor belanghebbende aangifte te doen, acht het Hof onjuist. Hieraan doet niet af dat, naar de Inspecteur onweersproken heeft gesteld, deze opvatting binnen de Belastingdienst gemeengoed is en dat om die reden niet per geval wordt gecontroleerd of een belastingconsulent, aan wie een beconnummer is verstrekt, tot het indienen van aangiften bevoegd is. Dat belanghebbende geen bezwaar heeft gemaakt tegen (een) aanslag(en) die is (zijn) opgelegd overeenkomstig de door de adviseur voor (een) eerder(e) jaar(jaren) ingediende aangifte(n), is geen voor risico van belanghebbende komende omstandigheid waaruit naar verkeersopvattingen een schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid, reeds omdat dit ‘niet doen’ van belanghebbende een andere oorzaak, die niets met de bevoegdheid van de adviseur tot het indienen van aangiften van doen heeft, kan hebben gehad, bijvoorbeeld dat belanghebbende de voor (een) eerder(e) jaar(jaren) opgelegde aanslag(en) destijds niet te hoog vond waardoor zij toen geen aanleiding zag om tegen de aanslag(en) bezwaar te maken.

7.4

Gelet op het vorenoverwogene was de adviseur niet bevoegd namens belanghebbende aangifte voor het jaar 2010 te doen en mocht de Inspecteur redelijkerwijs evenmin aannemen dat de adviseur tot het indienen van de aangifte bevoegd was. Dit betekent dat de in de aangifte gemaakte keuze voor een van een 50/50-verhouding afwijkende toerekening van de belastbare inkomsten uit eigen woning en de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen aan respectievelijk belanghebbende en V, althans wat betreft belanghebbende, niet als een keuze als bedoeld in artikel 2:17 lid 2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 kan worden aangemerkt. Mitsdien beantwoordt het Hof de vraag onder 4.1, sub a, ontkennend.

Met betrekking tot geschilput b

7.5.

Niet in geschil is dat bij ontkennende beantwoording van de vraag onder 4.1, sub a. het belastbare inkomen uit werk en woning van belanghebbende met € 39.635 dient te worden verminderd.

7.6.

In de ontkennende beantwoording van de vraag onder 4.1, sub a. ligt besloten dat belanghebbende geen aangifte voor het jaar 2010 heeft ingediend. Derhalve kan niet worden gezegd dat belanghebbende en V tezamen bij hun aangiften voor 2010 een keuze voor een van een 50/50-verhouding afwijkende toerekening van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen aan respectievelijk belanghebbende en V hebben gedaan. Nu, naar belanghebbende onweersproken heeft verklaard, V niet bereid is om alsnog samen met belanghebbende te kiezen voor een van een 50/50-verhouding afwijkende toerekening van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen en het Hof deze verklaring, gelet op hetgeen uit de gedingstukken blijkt over de huidige verstandhouding van belanghebbende en V, heeft het naar het oordeel van het Hof geen zin om belanghebbende de gelegenheid te geven om samen met V tot een toerekening van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen voor 2010 te komen. Daarvan uitgaande wordt gelet op het bepaalde in artikel 2.17, derde lid Wet IB, de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen geacht bij belanghebbende voor de helft tot haar bezit te behoren. Niet in geschil is dat de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen € 571.293 bedraagt. Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen van belanghebbende voor het jaar 2010 bedraagt derhalve (4 percent van 50 percent van € 571.293 =) € 11.425.

Gevolgen voor de aanslag

7.7.

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot een vermindering van de over het belastbaar inkomen uit werk en woning verschuldigde belasting met € 6.371 en een verhoging van de over het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen verschuldigde belasting met (30 percent van (€ 11.425 - € 7.460) = ) € 1.189. De verhoging van de over het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen verschuldigde belasting dient met de vermindering van de van de over het belastbaar inkomen uit werk en woning verschuldigde belasting te worden gecompenseerd. Per saldo leidt dit tot een verlaging van de aanslag met een bedrag van € 5.182. Voorts zal het Hof het verlies uit werk en woning voor 2010 vaststellen op (€ 39.635 - € 18.881 =) € 20.754.

Proceskosten en griffierecht

8.1.

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 2.230 (€ 1.984 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de Rechtbank en voor het Hof (4 punten à € 496 met wegingsfactor 1 voor het gewicht van de zaak) en € 246 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase (1 punt à € 246 met wegingsfactor 1 voor het gewicht van de zaak).

8.2.

Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling van het beroep in eerste aanleg gestorte griffierecht van € 45, alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 123 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

- verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 11.425;

- wijzigt de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig;

- stelt het verlies uit werk en woning van 2010 vast op € 20.754;

- draagt de Inspecteur op de proceskosten ten bedrage van, in totaal, € 2.230 aan belanghebbend te vergoeden, en

- gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van, in totaal, € 168 aan griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. G.J. van Leijenhorst, mr. J.J.J. Engel en

mr. A.H.N. Stollenwerck, in tegenwoordigheid van de griffier mr. F.A. Mijnans. De beslissing is op 26 april 2016 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.