Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:1490

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
06-04-2016
Datum publicatie
26-05-2016
Zaaknummer
BK-15/00351
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:4091, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:2606
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op aftrek van een bedrag van € 3.000 ter zake van giften die bestaan uit het afzien van door de Stichtingen aan hem verschuldigde vrijwilligersvergoedingen. Meer specifiek is in geschil het antwoord op de vragen of belanghebbende aanspraak kon maken op de vrijwilligersvergoedingen door de Stichtingen alsmede of hij de vrijheid had om over de vergoedingen te beschikken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1148
V-N 2016/34.1.1
FutD 2016-1299
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-15/00351

Uitspraak van 6 april 2016

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Den Haag, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (hierna: de Rechtbank) van 25 maart 2015, nummer SGR 14/10410, betreffende de onder 1.1 vermelde aanslag en beschikking.

Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De Inspecteur heeft belanghebbende een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor de jaar 2012 (hierna: IB/PVV 2012) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 80.033 (hierna: de aanslag). Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de Inspecteur € 84 belastingrente in rekening gebracht (hierna: de beschikking).

1.2.

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 78.165 en de in rekening gebrachte belastingrente dienovereenkomstig verminderd.

1.3.

Belanghebbende heeft hiertegen beroep ingesteld. Er is een griffierecht geheven van € 45. De Rechtbank heeft het beroep tegen de aanslag en de beschikking ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 123. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

Belanghebbende heeft bij nader stuk van 5 augustus 2015, ingekomen bij het Hof op 6 augustus 2015, op het verweerschrift gereageerd. De Inspecteur heeft daarop bij nader stuk van 1 september 2015, ingekomen bij het Hof op 3 september 2015, gereageerd. Vervolgens heeft belanghebbende op 10 september 2015, ingekomen bij het Hof op 11 september 2015, een nader stuk ingediend. Afschriften van deze stukken zijn aan de wederpartij verstrekt.

2.3.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 24 februari 2016, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1.

Belanghebbende is in 2012 als vrijwilliger werkzaam geweest bij de Stichting [A] en bij de Stichting [B] (hierna: de Stichtingen). De Stichtingen zijn ieder afzonderlijk aangemerkt als een Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI). Belanghebbende is tevens penningmeester van de Stichting [A] .

3.2.

Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV 2012 een bedrag van € 3.000 in aftrek gebracht ter zake van giften die bestaan uit het afzien van door de Stichtingen aan hem verschuldigde vrijwilligersvergoedingen (2 x € 1.500). De Inspecteur heeft deze aftrek niet geaccepteerd.

3.3.

Tot de stukken van het geding behoort een brief van 24 april 2014, waarin, namens het bestuur, de voorzitter van de Stichting [A] het volgende schrijft:

"De heer [X] , [Y] [Z] fungeert sinds

2009 o.a. als administrateur van onze stichting en voert hierbij als vrijwilliger

de volgende werkzaamheden uit:

- Het bijhouden van de financiële administratie

- Het opstellen van de jaarrekening

- Het verzorgen van de jaarlijkse teruggave van de ingehouden

dividendbelasting

De heer [X] kan voor deze werkzaamheden aanspraak maken op

een jaarlijkse vergoeding van in totaal EUR 1.500 en onze stichting is bereid

en in staat om deze vergoeding te betalen. De heer [X] heeft echter

vrijwillig afgezien van deze vergoeding. Derhalve heeft e.e.a. tot nu toe met

gesloten beurs plaatsgevonden. Mocht dit laatste voor de Belastingdienst

onvoldoende bewijs zijn voor acceptatie van de gift door de heer [X]

aan onze stichting, dan zullen wij de genoemde vergoeding jaarlijks

uitbetalen waarna hij hetzelfde bedrag terugstort als gift aan onze stichting."

3.4.

Bij brief van 21 april 2014 hebben de voorzitter en de secretaris van de Stichting [B] aan belanghebbende geschreven:

"Hierbij bevestigen wij de, reeds jaren geleden mondeling overeengekomen, afspraak

betreffende het verzorgen van de administratie van en voor de Stichting [B] .

De afspraak houdt het volgende in:

- Het verwerken van de financiële gegevens tot balans en winst-/verliesrekening;

- Het opstellen van de jaarrekening volgens wettelijk vastgesteld format;

- Het verzorgen van de aangiften omzetbelasting.

Voor deze werkzaamheden is een jaarlijkse vergoeding afgesproken van € 1.500,- all in.

U heeft te kennen gegeven dit bedrag als donatie aan de Stichting [B] te willen beschouwen. Betaling zal dan ook in principe met gesloten beurs plaatsvinden. Mocht dit laatste voor de Belastingdienst onvoldoende bewijs zijn voor acceptatie van uw donatie als gift, dan zullen wij de genoemde vergoeding jaarlijks uitbetalen waarna u hetzelfde bedrag per omgaande terugstort als gift aan onze Stichting.

(…)"

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

In hoger beroep is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op aftrek van een bedrag van € 3.000 ter zake van giften die bestaan uit het afzien van door de Stichtingen aan hem verschuldigde vrijwilligersvergoedingen. Meer specifiek is in geschil het antwoord op de vragen of belanghebbende aanspraak kon maken op de vrijwilligersvergoedingen door de Stichtingen alsmede of hij de vrijheid had om over de vergoedingen te beschikken.

4.2.

Belanghebbende beantwoordt de in geschil zijnde vragen bevestigend en voert daartoe –samengevat– aan dat hij met hetgeen hij heeft overgelegd, in het bijzonder de schriftelijke verklaringen van de besturen van beide stichtingen, aangehaald onder 3.3 en 3.4, aannemelijk heeft gemaakt dat de aftrek van de giften die bestaan uit het afzien van door de Stichtingen aan hem verschuldigde vrijwilligersvergoedingen tot een bedrag van € 3.000 hem dient te worden verleend.

4.3.

De Inspecteur beantwoordt deze vragen ontkennend en voert daartoe – samengevat – het volgende aan. Belanghebbende heeft niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat hij aanspraak kon maken op de vrijwilligersvergoedingen en dat hij de vrijheid had om over de vergoedingen te beschikken. De door belanghebbende overgelegde brieven van de Stichtingen zijn daartoe onvoldoende. Besluiten van de stichtingsbesturen waarin belanghebbende een recht op de vrijwilligersvergoedingen wordt verleend, ontbreken. Ook overigens is van verschuldigdheid van de vergoedingen door de Stichtingen aan belanghebbende niet gebleken. Daarnaast heeft belanghebbende niet de vrije beschikking over de vergoedingen gehad aangezien belanghebbende en de Stichtingen op voorhand hadden afgesproken dat belanghebbende afzag van de vrijwilligersvergoedingen.

Conclusies van partijen

5.1.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag rekening houdend met aftrek van € 3.000 ter zake van giften die bestaan uit het afzien van door de Stichtingen aan hem verschuldigde vrijwilligersvergoedingen.

5.2.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Oordeel van de Rechtbank

6. De Rechtbank heeft het volgende overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder.

"(…)

4. Eiser, op wie in deze de bewijslast rust, heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij een

reëel recht heeft op de uitbetaling van een vrijwilligersvergoeding door de stichtingen. Uit de door eiser overgelegde stukken kan namelijk niet worden afgeleid dat de stichtingen een regeling hebben vastgesteld met betrekking tot het uitkeren van vergoedingen aan haar vrijwilligers, waaronder eiser. De in de statuten van de stichtingen opgenomen onkostenvergoedingsregelingen hebben immers enkel betrekking op de bestuurders van de stichtingen. Daarnaast blijkt ook uit de jaarrekeningen van de stichtingen niet van een vergoedingsregeling voor vrijwilligers. Ook heeft eiser geen door hemzelf met de stichtingen gesloten vrijwilligersovereenkomsten overgelegd. De door eiser overgelegde vrijwilligersverklaringen van de stichtingen uit 2014 acht de rechtbank in dat verband onvoldoende.

(…)"

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

In artikel 6.36, eerste lid, van de Wet IB 2001 is bepaald:

“Giften die bestaan uit het afzien door een vrijwilliger (…) van een vergoeding worden in aanmerking genomen indien:

a. de instelling een verklaring heeft afgegeven dat de belastingplichtige zich heeft ingezet als vrijwilliger (…);

b. de belastingplichtige aanspraak kan maken op de in de verklaring genoemde vergoeding;

c. de instelling bereid en in staat is die vergoeding uit te keren; en

d. de belastingplichtige de vrijheid heeft over de vergoeding te beschikken.

7.2.

Nu de Inspecteur gemotiveerd bestrijdt dat is voldaan aan de in artikel 6.36, eerste lid, aanhef en onderdelen b en d, gestelde voorwaarden, ligt op de weg van belanghebbende aannemelijk te maken dat hij aanspraak kon maken op uitbetaling van de vrijwilligersvergoedingen door de Stichtingen alsmede dat hij de vrijheid had om over de vergoedingen te beschikken. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende hierin niet geslaagd. Bij dit oordeel overweegt het Hof het volgende.

7.3.

De onder 3.3 en 3.4 aangehaalde brieven van de Stichtingen betreffen achteraf opgemaakte, schriftelijke vastleggingen van eerder door de besturen van de Stichtingen met belanghebbende mondeling gesloten overeenkomsten, waarbij elk van de Stichtingen belanghebbende een jaarlijkse vergoeding van € 1.500 heeft toegekend en belanghebbende van zijn recht op deze vergoedingen afstand heeft gedaan. Naar het oordeel van het Hof volgt uit de brieven dat de toekenning van een vrijwilligersvergoeding en het afstand doen ervan in onderlinge samenhang en gelijktijdig hebben plaatsgevonden. Het Hof acht dan ook niet aannemelijk dat de Stichtingen de intentie hebben gehad belanghebbende de vergoedingen onvoorwaardelijk uit te keren noch dat belanghebbende op enig moment de uitkering van de vergoedingen heeft kunnen afdwingen en/of in vrijheid over de vergoedingen heeft kunnen beschikken. Door de besturen van de Stichtingen vastgestelde vrijwilligersreglementen of andere besluiten waaruit het tegendeel volgt, heeft belanghebbende niet overgelegd.

7.4.

Gelet op hetgeen onder 7.1 tot en met 7.3 is overwogen, heeft de Inspecteur de aftrek van het bedrag van € 3.000 terecht geweigerd. De door belanghebbende overgelegde bewijzen van betalingen die aan andere vrijwilligers ter bestrijding van bepaalde, door hen gemaakte kosten zijn gedaan, brengen het Hof niet tot een ander oordeel. Uit deze betalingsbewijzen blijkt namelijk niets over de voorwaarden waaronder de Stichtingen vergoedingen aan vrijwilligers uitkeren, nog daargelaten dat betalingen ter bestrijding van bepaalde door vrijwilligers gemaakte onkosten niet vergelijkbaar zijn met de algemene, niet op concrete onkosten betrekking hebbende vergoedingen waarvan in de onder 3.3 en 3.4 aangehaalde brieven sprake is.

7.5.

Gelet op het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond en dient te worden beslist als hieronder is vermeld.

Proceskosten

8. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. S.E. Postema, mr. G.J. van Leijenhorst en mr. J.J.J. Engel, in tegenwoordigheid van de griffier mr. F.A. Mijnans. De beslissing is op 6 april 2016 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.