Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:1464

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
31-05-2016
Datum publicatie
18-07-2016
Zaaknummer
200.170.221/01
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verkrijging van een beschikkingsonbevoegde. Verkrijger te goeder trouw in de zin van artikel 3:86 BW?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer: : 200.170.221/01

Zaaknummer rechtbank: C/09/465727 / HA ZA 14-566

arrest van 31 mei 2016

inzake

Boy Ontwikkelingsmaatschappij B.V.

gevestigd te Leiden,

appellante,

hierna aan te duiden als: Boy,

advocaat: mr. E.C. van Lent te Leiden,

tegen

Compagnie Generale de location d’équipements SA,

gevestigd te Marcq-en-Baroeul, Frankrijk,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als: CGL,

advocaat: mr. J. de Groot te Amstelveen.

Verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Boy heeft bij exploot van 12 mei 2015 CGL aangezegd in hoger beroep te komen van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 29 april 2015 en CGL gedagvaard voor dit hof.

1.2

Bij memorie van grieven (met producties) heeft Boy een grief tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, en zijn eis gewijzigd.

1.3

Bij memorie van antwoord heeft CGL de grief van Boy bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.

1.4

Ter zitting van 31 maart 2016 hebben partijen de zaak doen bepleiten door hun in de kop van dit arrest genoemde advocaten. Beide advocaten hebben daarbij pleitnotities overgelegd. Voorafgaand aan het pleidooi heeft mr. Van Lent namens Boy nog de producties 7 en 8 in het geding gebracht. Daarvan is door het hof akte verleend.

1.5

Ten slotte heeft het hof arrest bepaald.

Feiten

In hoger beroep staan, als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende (gemotiveerd) weersproken, dan wel op grond van de – in zoverre niet bestreden – inhoud van de overgelegde producties, de volgende feiten vast.

2.1

CGL is een Franse financieringsmaatschappij die zich onder meer richt op de financiering van schepen.

2.2

Boy heeft vanaf februari 2004 een bedrijfspand aan [adres] verhuurd aan Meta Plus Nieuwkoop B.V. (hierna: Meta Plus). Enig directeur en aandeelhouder van Meta Plus was de heer [X] (hierna: [X]). De heer [Y] (verder: [Y]) is middellijk statutair bestuurder en enig aandeelhouder van Boy.

2.4

Op 11 januari 2011 hebben [X] en CGL in Hamburg een financial lease overeenkomst gesloten (productie 1 bij de inleidende dagvaarding). [X] heeft zich daarin jegens CGL verbonden tot betaling van 180 maandtermijnen voor de lease van het nieuwe kunststof motorjacht van het merk Van Dutch, type 40 FT, gekleurd grijs, koopprijs € 552.773,10 (hierna: het motorjacht). In de algemene voorwaarden die op de financial lease overeenkomst van toepassing zijn, is bepaald dat het motorjacht in eigendom toebehoort aan CGL totdat de koopprijs volledig is betaald. Als verkoper staat in de leaseovereenkomst vermeld: Van Dutch Marine France te Golfe Juan, Frankrijk.

2.5

Het motorjacht staat vermeld op een in de Franse taal gestelde aankoopnota ten bedrage van € 552.773,10 op papier van Van Dutch Marine France gedateerd 18 januari 2011 (productie 8 bij conclusie van antwoord in reconventie). Op die nota staat CGL als “client” en [X] als “contractant” vermeld.

2.6

CGL was eigenaar van het motorjacht.

2.7

De oorspronkelijke naam van het motorjacht is Night Hawk. CGL heeft het motorjacht op 4 februari 2011 aangemeld ter registratie in het scheepsregister te Hamburg. Met ingang van 4 oktober 2011 is de Night Hawk in dat register opgenomen onder nummer 22984 met vermelding van CGL als eigenares.

2.8

Op 17 maart 2011 is het motorjacht in de registratie van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) opgenomen op naam van [X].

2.9

In mei 2012 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen Boy en Meta Plus ten kantore van Meta Plus in verband met een huurachterstand van Meta Plus aan Boy van omstreeks € 250.000,-. Bij die gelegenheid heeft Boy inzage gehad in bepaalde stukken uit de administratie van Meta Plus.

2.10

Bij brief van 20 augustus 2012 heeft Boy aan Meta Plus onder meer geschreven:

“Zoals u bekend heeft Meta Plus Nieuwkoop B.V. een huurachterstand inzake het onroerend goed gelegen J. Keplerweg 10 te Alphen aan den Rijn.

Deze huurachterstand is momenteel opgelopen tot € 266.728,32.

(…)

U heeft ons stukken laten zien waaruit blijkt dat uw bedrijf genoeg opdrachten heeft en dat u niet in een staat van faillissement verkeert.

Steeds opnieuw doet u beloften die u, ondanks herhaaldelijke verzoeken, niet nakomt. (…)

Middels dit schrijven delen wij u mede dat wij het bovenstaande niet meer tolereren en dat wij besloten hebben onze vordering uit handen te geven. (…)”

2.11

Op 28 september 2012 heeft [Y] het motorjacht op zijn naam bij de RDW geregistreerd. Het registratiebewijs heeft als kenteken 09-11-YR.

2.12

Het motorjacht is door [Y] en [X] op 29 september 2012 van de achtertuin van [X] te Woubrugge naar de werf van Van Leest Scheepsbouw B.V. (verder: Van Leest) te Warmond overgebracht.

2.13

Bij notariële akte van 18 oktober 2012 hebben [X] en Boy het volgende vastgelegd:

“- dat huurder per heden een achterstand heeft in de betaling van de huurpenningen ter grootte van twee honderd zes en zestig duizend acht honderd twintig euro (€ 266.820,00) inclusief omzetbelasting;

(…)

- dat huurder, verhuurder en [X] zijn overeengekomen dat [X] naast huurder bij wijze van beperkte borgstelling in staat voor de betaling van die achterstand met rente en kosten en dat [X] het totaal bedrag van die achterstand met rente en kosten in beginsel zal voldoen uit de verkoopopbrengst van de aan [X] toebehorende boot van het type VanDutch 40, welke boot thans te koop wordt aangeboden voor een bedrag van vier honderd vijf en twintig duizend euro (€ 425.000,00);”

2.14

Een op 1 november 2012 ondertekende koopovereenkomst luidt, voor zover hier van belang:

“De ondergetekende:

(…) [[X]] (…) hierna genoemd: verkoper,

verklaart te hebben verkocht aan de mede-ondergetekende:

(…)[Boy] (…) hierna genoemd: koper,

die verklaart van verkoper te hebben gekocht:

De motorboot met registratienummer 09-11-YR met rompnummer/identificatienummer NL-VDU40040KO10 van het merk “Van Dutch” type: “Van Dutch 40” gekleurd grijs, bevattende twee Yanmar motoren met de nummers: M61369 en M61384, met een vermogen van drie honderd drie en vijftig (353) kilowatt per motor inclusief alle bijbehorende gebruiksvoorwerpen en accessoires zoals bijvoorbeeld anker, afdekzeil, lijnen, alarminstallaties en dergelijke.

(…)

KOOPPRIJS

De totale koopprijs van het verkochte is gelijk aan de vordering die koper heeft op na te melden besloten vennootschap Meta Plus Nieuwkoop B.V. welk blijkens een tussen koper en gemelde vennootschap gesloten overeenkomst de dato achttien oktober tweeduizend twaalf (18-10-2012) bedraagt:

(…) (€ 266.820,00) of zoveel meer of minder als de vordering per heden bedraagt.

Ter zake van de betaling van de koopprijs zijn partijen uitdrukkelijk overeengekomen dat koper zich mag beroepen op verrekening van bestaande vorderingen tussen koper en verkoper, daaronder uitdrukkelijk mede begrepen verrekening van vorderingen die koper mocht hebben op vennootschappen van verkoper zoals bijvoorbeeld de vordering uit hoofde van huurachterstand die koper heeft op Meta Plus Nieuwkoop B.V.

(…)”

2.15

CGL was ten tijde van de totstandkoming van de onder 2.14 genoemde koopovereenkomst nog steeds eigenaar van het motorjacht.

2.16

Boy heeft op 20 november 2012 bij het Kadaster de teboekstelling van het motorjacht aangevraagd. Met ingang van 28 november 2012 is het motorjacht op naam van Boy teboekgesteld.

2.17

Meta Plus is op 17 december 2013 failliet verklaard.

2.18

[X] is in 2014 door de rechtbank bij verstek veroordeeld tot betaling aan CGL van een bedrag van ongeveer € 300.000,- ter zake achterstallige termijnen onder de financial lease overeenkomst.

2.19

Op 25 april 2014 heeft CGL beslag laten leggen tot afgifte van het motorjacht.

2.20

Op 6 mei 2014 heeft CGL Boy gesommeerd het motorjacht af te geven.

Beoordeling in hoger beroep

3. In deze zaak vordert CGL een verklaring voor recht dat het motorjacht haar eigendom is en veroordeling van Boy tot (medewerking aan) afgifte daarvan op straffe van verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van Boy in de kosten van het geding. Boy heeft zich tegen die vordering verweerd, stellende dat zij het motorjacht van [X] heeft gekocht en dat zij te goeder trouw meende dat [X] eigenaar van het jacht was. In reconventie heeft Boy opheffing van het door CGL op het motorjacht gelegde conservatoire beslag gevorderd. De rechtbank heeft geoordeeld dat Boy niet te goeder trouw was en heeft de vorderingen van CGL in conventie toegewezen en die van Boy in reconventie afgewezen. Daartegen komt Boy met zijn grief op.

4. Aan de Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe in deze zaak, nu de verwerende partij, Boy, in Nederland is gevestigd, dan wel omdat partijen een geldige stilzwijgende forumkeuze voor de Nederlandse rechter hebben gedaan.

5. Partijen hebben desgevraagd bij pleidooi voor het hof eensluidend te kennen gegeven dat op grond van artikel 10:131 BW op deze kwestie Nederlands recht van toepassing is en bevestigd dat het hof deze uitlatingen zo nodig dient op te vatten als een rechtskeuze voor Nederlands recht.

6. Het hof stelt voorop dat het motorjacht niet in Nederland was teboekgesteld ten tijde van de verkrijging ervan door Boy. Een registergoed in de zin van artikel 3:10 en 3:88 BW is een goed dat is ingeschreven in de door het Nederlandse kadaster gehouden openbare registers, zodat een RDW-inschrijving of buitenlandse inschrijving een goed niet tot een registergoed maakt (zie de artikelen 8:781 aanhef en onder d jo. 8:790 lid 1 BW jo. artikel 3:16 BW jo. artikel 8 en 86 Kadasterwet). Het motorjacht moet dan ook worden aangemerkt als een roerende zaak, niet-registergoed. Overigens gaan beide partijen daar ook vanuit.

7. Bij de beoordeling zal het hof er veronderstellenderwijs vanuit gaan dat de koopovereenkomst van 1 november 2012 rechtsgeldig tot stand is gekomen en dat Boy derhalve over een geldige titel voor verkrijging van de eigendom van het motorjacht beschikte. Tussen partijen is niet in geschil dat Boy het motorjacht van een beschikkingsonbevoegde ([X]) heeft verkregen; partijen twisten uitsluitend over de vraag of Boy ten tijde van zijn verkrijging te goeder trouw was in de zin van artikel 3:86 BW.

8. Boy heeft ter staving van zijn goede trouw onder meer gesteld dat [X] uitdrukkelijk aan Boy heeft verklaard dat het motorjacht zijn eigendom is, dat het schip, na door [X] van Ibiza naar Nederland te zijn gevaren, in de achtertuin van [X] lag, er een onderhoudscontract en een polis door hem waren afgesloten, dat [X] aan Boy kopieën van bankafschriften heeft gestuurd waaruit blijkt dat in totaal een bedrag van € 297.226,- is betaald aan Van Dutch Marine, dat op één van die afschriften staat: “laatste termijn” en dat [X] voorts aan Boy heeft verklaard dat een deel van de koopsom in contanten is betaald. Boy voert verder aan dat het jacht op naam van [X] stond geregistreerd bij de RDW en dat het Kadaster na indiening van het verzoek tot teboekstelling het jacht uitvoerig heeft onderzocht met het oog op het aanbrengen van een brandmerk, bij welk onderzoek geen (ander of eerder) brandmerk is aangetroffen, zodat Boy er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de boot niet eerder was geregistreerd. Een en ander is in de gegeven feiten en omstandigheden evenwel onvoldoende om het beroep op goede trouw te kunnen dragen.

9. Het betreft hier een motorjacht van aanzienlijke waarde, hetgeen Boy bekend was, nu zij ervan op de hoogte was dat het voor € 425.000,- bij Van Leest te koop stond (zie hiervoor onder 2.12 en 2.13), terwijl haar voorts bekend was dat [X] een bedrag van circa € 297.000 per bank had betaald voor het jacht en naar zijn zeggen nog een bedrag van circa € 250.000,- contant (proces-verbaal comparitie van partijen in eerste aanleg). Bij een dergelijke waardevolle zaak kan van de koper meer oplettendheid en onderzoek worden gevergd dan bij de aankoop van een alledaagse zaak. Gelet op deze waarde had Boy voorts rekening moeten houden met de mogelijkheid dat het jacht, indien dit nog niet (volledig) zou zijn afbetaald door [X], nog geen eigendom was van [X]. Boy wist dat uit de bankafschriften (overgelegd als productie 7 bij conclusie van antwoord) slechts bleek van deelbetalingen tot een bedrag van € 297.226,-. Dat bij één van die overmakingen stond vermeld: “laatste termijn” is onvoldoende om daaruit af te leiden dat de gehele koopprijs was betaald, te meer daar dit een betaling op 28 januari 2011 betrof, waarna ook op 10 maart 2011 nog een betaling van € 65.000,- heeft plaatsgevonden. Boy was bovendien uit eigen wetenschap bekend met de betalingsonmacht of –onwil van Hoogendoorns vennootschap. Ook die omstandigheid had aanleiding moeten zijn tot extra oplettendheid ten aanzien van de (beweerdelijke contante afbetaling met € 250.000 van de) financiering. Met de rechtbank acht het hof in dezen verder relevant dat Boy zelf heeft verklaard dat zij [X] niet vertrouwde en dat zij om die reden het motorjacht al op 29 september 2012 uit de macht van [X] heeft gehaald (door het naar Van Leest over te varen) en het zelfs één dag eerder op naam van [Y] had laten registreren bij de RDW.

10. Daarbij komt dat [X] niet beschikte over een originele aankoopnota van het motorjacht waarin de koopprijs stond vermeld of een ander bewijs van aankoop of verkrijging, althans heeft Boy daar kennelijk niet naar gevraagd. Dat [X] beschikte over het builder’s certificate (productie 5 bij memorie van grieven) is in dit verband onvoldoende, nu dit niets zegt over de eigendom van het afgebouwde motorjacht, hetgeen ook wel blijkt uit het feit dat in dat stuk Meta Plus als opdrachtgeefster staat vermeld, wat niet strookt met de aanname van Boy dat [X] in privé eigenaar was. Ook het feit dat het jacht op naam van [X] was verzekerd, zegt onvoldoende over de eigendom. De inschrijving op naam van [X] bij de RDW betekent in de gegeven omstandigheden evenmin dat Boy te goeder trouw mocht uitgaan van diens beschikkingsbevoegdheid, te minder nu bestuurder [Y] van Boy het motorjacht op 28 september 2012 bij de RDW op zijn naam heeft overgezet zonder daarvan eigenaar te zijn, waardoor bekend moet zijn geweest dat het registratiebewijs bij de RDW geen eigendomsbewijs is. Dat laatste is overigens ook niet wat Boy beweert. Dat het Kadaster geen brandmerk op het motorschip heeft aangetroffen bij het onderzoek naar aanleiding van de aanvraag tot teboekstelling kan reeds daarom geen gewicht in de schaal leggen omdat Boy de aanvraag tot teboekstelling pas heeft gedaan na de koop en levering van het motorjacht en de goede trouw moet worden beoordeeld naar het moment van de verkrijging. Bovendien had Boy er rekening mee moeten houden dat het jacht in het geheel niet teboekgesteld was; er was immers in elk geval ook geen teboekstelling op naam van [X].

11. Boy is afgegaan op de eigen mededeling van [X] dat hij eigenaar was en dat hij het gedeelte van de betaalde koopprijs dat niet uit de bankafschriften bleek, contant aan de verkoper had betaald. Blijkens de verklaring van Boy ter comparitie in eerste aanleg heeft [X] aan Boy meegedeeld dat er € 250.000,- contant was betaald. De rechtbank heeft overwogen dat namens Boy ter comparitie tevens is verklaard dat zij het niet nodig vond onderzoek te doen naar de eigendom van het jacht. Tegen die laatste weergave maakt Boy bezwaar: verklaard is ‘dat hij het niet nodig vond verder onderzoek te doen naar wie eigenaar was van de boot’, aldus Boy, die benadrukt dat die verklaring ‘logischerwijs in relatie [staat] tot de feiten waarmee Boy ten tijde van de levering bekend was en uit het boekenonderzoek naar voren waren gekomen.’ (memorie van grieven onder 46). Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt echter dat die feiten, afzonderlijk en tezamen onvoldoende waren om uit te gaan van Hoogendoorns beschikkingsbevoegdheid. Overigens lijkt dat besef er bij Boy toch ook wel te zijn geweest, want Hartman, zakenpartner van [Y] die namens Boy ter comparitie in eerste aanleg en ter pleitzitting in hoger beroep het woord heeft gevoerd, heeft bij laatstgenoemde gelegenheid nader verklaard dat hij via internet het telefoonnummer van de verkoper had achterhaald, dat hij een aantal keren naar Monaco heeft gebeld en vervolgens naar een verkoopkantoor in Londen, waar niet werd opgenomen, waarna hij een boodschap heeft ingesproken. Daarna heeft hij het er bij laten zitten, aldus de verklaring van Hartman. Gesteld noch gebleken is dat Boy de informatie/bevestiging die zij langs die weg wilde verkrijgen op andere wijze heeft verkregen. Ook doordat zij aldus haar eigen twijfel heeft laten voortbestaan, kan Boy niet als te goeder trouw worden aangemerkt. Het hof wijst - ten overvloede en zonder te willen suggereren dat hier sprake is geweest van een onmogelijkheid als bedoeld in deze bepaling - op artikel 3:11, tweede volzin BW: “Onmogelijkheid van onderzoek belet niet dat degene die goede reden tot twijfel had, aangemerkt wordt als iemand die de feiten of het recht behoorde te kennen.”. Overigens is het hof van oordeel dat Boy meer onderzoek had kunnen (en ook moeten) doen; zij had bijvoorbeeld contact kunnen opnemen met de importeur voor Van Dutch in Nederland om navraag te doen, dan wel [X] kunnen vragen naar stukken waaruit bleek dat [X] het motorjacht had gekocht, betaald en geleverd gekregen, van wie en voor welke koop-/bouwprijs.

12. Het hof is dan ook met de rechtbank van oordeel dat, alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemende, ook die welke hiervoor niet expliciet aan de orde zijn geweest, Boy niet te goeder trouw was in de zin van artikel 3:86 lid 1 BW ten tijde van de aankoop van het motorjacht.

13. Het voorgaande brengt mee dat de grief van Boy tegen het bestreden vonnis faalt. Het bewijsaanbod van Boy wordt gepasseerd omdat Boy geen feiten heeft gesteld die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Boy zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

-bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 29 april 2015;

-wijst het door Boy in hoger beroep meer of anders gevorderde af;

-veroordeelt Boy in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van CGL begroot op € 711,- voor griffierecht en op € 9.789,- voor salaris van de advocaat;

-verklaart dit arrest wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.M. Wattendorff, J.M. van der Klooster en M.H. van der Woude en is in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2016 in aanwezigheid van de griffier.