Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:1418

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29-03-2016
Datum publicatie
18-07-2016
Zaaknummer
200.155.935/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Cessie over schuldoverneming?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/2096
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.155.935/01

Zaak- en rolnummer rechtbank : C/11/100630 / HAZA 12-2257

arrest van 29 maart 2016

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellante,

verweerster in voorwaardelijk incidenteel appel,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. R.J.H. Kijne te Rotterdam,

tegen

1. [X],

wonende te [woonplaats],

2. Bouw-, Timmer- en Onderhoudsbedrijf [X] B.V.,

gevestigd te Vlaardingen,

geïntimeerden,

eisers in voorwaardelijk incidenteel appel,

hierna te noemen: gezamenlijk [geïntimeerden] en ieder afzonderlijk [X] en [Y]

advocaat: mr. F.J. Hordijk te Naaldwijk.

Het geding

Bij exploot van 21 augustus 2014 is [appellant] in hoger beroep gekomen van de door de rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen vonnissen van 20 maart 2013 en 21 mei 2014. Bij memorie van grieven met producties heeft [appellant] elf grieven aangevoerd en haar eis vermeerderd. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerden] de grieven bestreden en tevens voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld. [appellant] heeft hierop gereageerd bij memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel (met productie). [appellant] heeft nog een akte genomen en [geïntimeerden] een antwoordakte na memories.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank in het vonnissen van 20 maart 2013 en 21 mei 2014 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daarvan uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.1

[appellant] is de weduwe van [Z] (hierna: [Z], dan wel [Z] of de [Z]), die op 24 april 2010 is overleden, en is als zodanig (een van) zijn rechtsopvolger(s) onder algemene titel.

1.2

Bij brief van 11 maart 2011 heeft [appellant] aan [X] onder meer geschreven:

“(…) Na het overlijden van [Z] kwam ik erachter dat [Z] aan jouw veel geld heeft geleend. (…) Jij interpreteerde, het verlies nemen, dat jouw schuld aan [Z] kwam te vervallen. Ik heb hier mijn twijfels over.(…) Jij praat alleen maar over € 400,00 schuld bij [Z], waarom leg je die dan niet op tafel?

Ik hoop dat [Z] zich niet in jouw vergist heeft en dat je alsnog de schulden afbetaalt! (…)”

1.3

In een brief van 21 maart 2011 heeft [X] aan [appellant] – voor zover relevant – als volgt bericht:

“(…) Toen de Scooter Specialist verkocht zou worden, was het plan om in ieder geval de € 45.000,00 eruit te halen (de openstaande schuld naar [Z]) en wat er dan over zou blijven zou verdeeld worden onder ons tweeën. (…) Uiteindelijk is het toen verkocht aan Hama-Parts voor € 30.000,00. Aanzienlijk minder dan verwacht. Hij wilde het zelf regelen en zei tegen mij: ‘laat me nou maar, ik neem het verlies’ (…).

De € 400,00 die ik heb geleend, had ik inderdaad al lang moeten terug betalen. (…)”

1.4

In een brief van 21 maart 2011 heeft [A] namens [X] aan [appellant] onder meer als volgt bericht:

“[Z] had eind 2009 nog tegoed van [X] Beheer B.V. inzake door hem voorgeschoten kosten van BTO [Y] een bedrag van € 42.000,-. De lening van [Z] aan de Scooterspecialist was inmiddels al teruggebracht tot € 3.000,- per eind 2009 (…)

Totaal had [Z] dus nog € 45.000,- tegoed, maar de verkoop van de Scooterspecialist – waarvan de opbrengst uiteraard voor de eigenaar [X] zou zijn – zou dat in principe zeker op moeten brengen en dan zouden ze, na aflossing van de lening van [Z], het meerdere – na eventuele verschuldigde belasting – samen delen. (…)”

1.5

In een brief van 2 april 2012 heeft [A] namens [X] aan [appellant] als volgt bericht:

“De geldlening van de heet [appellant] pro resto € 42.000 was een lening aan de vennootschap; het bedrag van pro resto € 3.000 wat de [Z] tegoed had van de Scooterspecialist kwalificeert als een privé schuld. Dit alles is aantoonbaar in de administratie van de vennootschap en de Scooterspecialist.”

1.6

Bij brief van 5 april 2012 heeft mr. R.J.H. Kijne namens [appellant] aan [X] als volgt bericht:

“Wel erkent u dat in ieder geval EUR 3.000 geleend is aan de heer [X] in privé (…).”

1.7

De activa en passiva van de eenmanszaak De Scooterspecialist te Vlaardingen zijn begin 2010 verkocht. In het daartoe opgemaakte document van 13 januari 2010 staat – voor zover thans van belang – het volgende vermeld:

“DE ONDERGETEKENDEN:

1. De heer [X] h/o de Scooterspecialist (…) hierna te noemen verkoper; en

2. De heer [N] (…) hierna te noemen: de koper.

KOOPSOM EN OVERDRACHT

Artikel 2

1. De koopprijs bedraagt € 30.000 (zegge: dertig duizend euro) exclusief omzetbelasting; deze koopsom wordt door de koper schuldig gebleven. De schuldig gebleven koopsom van € 30.000 (zegge: dertig duizend euro) zal door koper in 12 maandelijkse termijnen worden voldaan van € 2.500 (zegge: twee duizend vijf honderd). De maandelijkse aflossingen dienen uiterlijk op de laatste dag van de maand te worden voldaan op een nader door verkoper aan te geven bankrekening (…).”

1.8

In een handgeschreven ongetekend document gedateerd 13 januari 2010 staat onder meer het volgende vermeld:

“(…) Lening aan Dhr. [N] (…) van [Z] (…)

Terug te betalen € 30.000,- (…)”

1.9

Op 25 januari 2010 heeft [X] met de hiervoor genoemde [N] een overeenkomst gesloten met de volgende inhoud:

“DE ONDERGETEKENDEN

1. De heer [X], (…), hierna te noemen ondergetekende sub 1;

en

2. De heer [N], (…), hierna te noemen ondergetekende sub 2;

IN AANMERKING NEMENDE:

  • -

    De ondergetekende sub 1 activa heeft verkocht van zijn onderneming de Scooterspecialist, (…) aan ondergetekende sub 2; hiervan is een overeenkomst opgemaakt en ondertekend op 13 januari 2010

  • -

    Dat ondergetekende sub 1 uit hoofde van die overeenkomst te vorderen heeft van ondergetekende sub 2 een bedrag van € 30.000,- (zegge: dertig duizend euro).

  • -

    Ondergetekende sub 1 een schuld heeft aan de heer [Z] (…) (hierna te noemen schuldeiser),

ZIJN OVEREENGEKOMEN ALS VOLGT:

Ondergetekende sub 1 gaat akkoord dat ondergetekende sub 2 zijn schuld van

€ 30.000 (zegge: dertig duizend euro) aan ondergetekende sub 1 rechtstreeks inlost aan de heer [Z]. De schuld zal in maandelijkse termijnen van € 2.500 (zegge: twee duizend en vijf honderd euro) worden voldaan op bankrekeningnummer (….) ten name van [Z] (…).”

[Z] heeft deze overeenkomst mede-ondertekend.

1.10

[N] heeft in de periode van augustus 2010 tot en met januari 2012, in termijnen van € 1.000, in totaal € 19.000 aan [appellant] betaald.

2. In eerste aanleg heeft [appellant] gevorderd (samengevat) primair [geïntimeerden] hoofdelijk, subsidiair [X] en meer subsidiair [Y] te veroordelen om aan [appellant] te betalen een bedrag van € 26.400 te vermeerderen met rente en (buitengerechtelijke) kosten.

Bij tussenvonnis van 20 maart 2013 heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake is geweest van schuldoverneming door [N] en heeft zij [geïntimeerden] opgedragen te bewijzen dat [Z] kwijting heeft verleend en/of afstand heeft gedaan van zijn resterende vorderingen op [geïntimeerden] Bij eindvonnis heeft de rechtbank [geïntimeerden] geslaagd geacht in de bewijsopdracht waarna de vorderingen zijn afgewezen.

3. In hoger beroep heeft [appellant], na eisvermeerdering, gevorderd de bestreden vonnissen te vernietigen en opnieuw rechtdoende, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

primair: [geïntimeerden] (al dan niet hoofdelijk), subsidiair [X] en meer subsidiair [Y] te veroordelen om aan [appellant] te betalen

  • -

    een bedrag gelijk aan de hoofdsom van de geldlening ad EUR 45.400,00;

  • -

    dan wel een bedrag ad EUR 26.400 (bestaande uit de hoofdsom ad EUR 45.400 -/- de deelbetalingen ad EUR 19.000);

  • -

    een en ander vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 11 maart 2011, en de buitengerechtelijke kosten met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten en nakosten.

4. [geïntimeerden] heeft incidenteel, indien en voor zover het hoger beroep van [appellant] in die zin zou slagen dat [geïntimeerden] of een van hen gehouden zou zijn tot betaling van enig bedrag aan [appellant], hoger beroep ingesteld tegen het oordeel dat artikel 6:136 BW in de weg staat aan het beroep op verrekening met vorderingen van [geïntimeerden] op [Z].

Bespreking van het principaal appel

5. [appellant] heeft zich in de grieven 1, 3, 4, 5 en 8 op het standpunt gesteld dat een bedrag van € 45.400 is geleend door [X] (in privé) en niet door [Y] Dit zou volgen uit de koopovereenkomst en de overeenkomst van 25 januari 2010 en uit het feit dat [X] als natuurlijk persoon destijds directeur en eigenaar van de eenmanszaak Scooter Specialist was. In de tweede grief is aangevoerd dat beide partijen, zowel [X] als [Y] erkennen de geldlening verschuldigd te zijn, zodat zij hoofdelijk verbonden zijn. Voorts heeft [appellant] in grief 6 betoogd dat van schuldoverneming noch van overdracht van de vordering sprake is; aan de wettelijke vereisten daarvoor is ook niet voldaan. [N] heeft ter kwijting van de heer [X] aan de [Z] betaald zodat sprake is van art. 6:30 BW. In grief 7 heeft [appellant] aangevoerd dat de inhoud en echtheid van een document van 13 januari 2010 bij comparitie wel weersproken is en door de rechtbank buiten beschouwing had moeten worden gelaten. Volgens grief 9 had de rechtbank moeten vaststellen jegens wie de kwijting gold: jegens [X] privé of jegens de BV. De grieven 10 en 11 zijn gericht tegen de bewijswaardering. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

6. Het hof is van oordeel dat de grieven die betrekking hebben op de vraag door wie de gelden zijn geleend, [appellant] niet kunnen baten gelet op het volgende. Indien – veronderstellenderwijs – ervan wordt uitgegaan dat het geld is geleend door [X] moet vervolgens worden bekeken wat de bedoeling van [X] en [N] is geweest met de overeenkomst van 25 januari 2010.

Volgens [appellant] volgt uit de letterlijke tekst dat [N] de aan [X] verschuldigde koopsom van € 30.000 niet betaalt aan [X] maar aan [Z]. Het betreft dan een overeenkomst ex art. 6:30 BW waarin is bepaald dat een verbintenis door een ander dan de schuldenaar kan worden nagekomen. [appellant] voert aan dat geen sprake is van levering of overdracht van een vordering omdat nergens in de overeenkomst is bepaald dat een vordering wordt geleverd of overgedragen aan [Z] noch blijkt dat [Z] de vordering heeft aanvaard. Er is niet voldaan aan de wettelijke vereisten voor een levering op naam noch aan de wettelijke vereisten voor een schuldoverneming. Bovendien is de overeenkomst aangegaan tussen [X] en [N], terwijl de overeenkomst tot overdracht van een vordering tussen [X] en [Z] had moeten zijn aangegaan. In de overeenkomst is niets geregeld over de tegenprestatie of de voorwaarden van deze transactie en de overeenkomst is ‘om niet’ geschied. Van schuldoverneming kan geen sprake zijn omdat dan een overeenkomst tussen [N] (als schuldenaar) en [appellant] (als derde) vereist is.

7. Met [appellant] is het hof van oordeel dat geen sprake kan zijn van cessie omdat de overeenkomst is aangegaan tussen [X] en [N] terwijl een overeenkomst tot overdracht van een vordering (cessie) tussen [X] en [Z] had moeten zijn aangegaan. Wel is hier sprake van schuldoverneming. Daarvoor is vereist een tweezijdige overeenkomst tussen schuldenaar en derde. Daaraan wordt voldaan nu [X] (als schuldenaar) een overeenkomst is aangegaan met [N] (als derde). Uit de tekst van de overeenkomst, in onderlinge samenhang bezien, volgt dat [X] een vordering heeft op [N] en een schuld aan [Z] en dat partijen bedoeld hebben dat [N] deze schuld overneemt van [X] door deze rechtstreeks in te lossen aan [Z]. De daarvoor vereiste toestemming van de schuldeiser ([Z]) is door hem gegeven doordat hij de overeenkomst mede heeft ondertekend. De schuldoverneming heeft daardoor werking gekregen. Daarmee is aan alle vereisten voor schuldoverneming (art. 6:155 BW) voldaan. De stelling van [appellant] dat er slechts sprake is van betaling door een derde (ex artikel 6:30 BW) overtuigt niet. Hiervoor zou immers de toestemming van [Z] door zijn ondertekening niet nodig zijn geweest.

Door deze schuldoverneming is [X] gekweten van betaling van een bedrag van

€ 30.000. Het hof overweegt daarbij nog dat het - gelet op het totaalbedrag waarvoor de schuldoverneming heeft plaatsgevonden - onaannemelijk is dat onder schuld zoals bedoeld in het derde gedachtestreepje enkel een schuld van € 3.400 zou moeten worden verstaan. Het door [appellant] bestreden ongetekende document van 13 januari 2010 laat het hof buiten beschouwing. Aan voornoemd oordeel doet dit overigens niet af.

8. Vervolgens moet de vraag beantwoord worden of aan [X] kwijting van het restantbedrag (€ 15.400) is verleend. Alle getuigen aan de zijde van [X] hebben verklaard dat [appellant] heeft gezegd: “Ik neem het verlies” en de rechtbank heeft dit aangemerkt als een kwijting jegens zowel [X] als [Y] Volgens [appellant] moet dit echter worden uitgelegd als uitsluitend betrekking hebbend op de verkoop van de scooteronderneming en niet op de geleende bedragen.

9. Het hof volgt dit betoog niet. De getuigenverklaringen moeten worden bezien tegen de achtergrond van het navolgende.

Als onweersproken staat vast dat zowel [appellant] als [X] in onderhandeling was met een potentiële koper en dat [Z] zonder overleg met [X] die (in elk geval op papier) eigenaar was, de onderneming heeft verkocht aan [N] voor een bedrag van € 30.000. [X] heeft met stukken onderbouwd aangevoerd dat een verkoopopbrengst van € 30.000 laag was. [X] heeft zich voorts beroepen op een met [Z] gemaakte afspraak dat de geleende gelden zouden worden voldaan uit de verkoopopbrengst van de onderneming (en dat het meerdere samen gedeeld zou worden), hetgeen wordt bevestigd door [A] in de brief van 21 maart 2011. Ook de overeenkomst van 25 januari 2010 bevestigt dit standpunt omdat de koper ([N]) immers de schuld van [X] heeft overgenomen. [X] had derhalve belang bij een hoge verkoopopbrengst. De omstandigheid dat [X] desalniettemin akkoord is gegaan met een bedrag van € 30.000 kan dan ook met name worden verklaard doordat [Z] met zijn opmerking: “ik neem het verlies” heeft bedoeld dat hij afstand deed van het restant van het geleende bedrag (€ 15.400) althans dat hij [X] dit bedrag kwijt schold, alsmede dat [X] dit ook zo heeft begrepen. Steun daarvoor wordt gevonden in de verklaring van [getuige A] “dat [X] daar blij mee was”.

[appellant] heeft nog aangevoerd dat het de bedoeling was dat de gehele opbrengst van de scooteronderneming aan [appellant] zou toekomen. Deze stelling is door [appellant] niet (nader) onderbouwd. De verklaring van [getuige A] dat [appellant] zelf wilde regelen dat hij van de zaak afkwam, ondersteunt het standpunt van [appellant] naar het oordeel van het hof niet. Het hof gaat er derhalve met de rechtbank vanuit dat voor het restantbedrag kwijting is verleend. De verklaring van [getuige B] maakt dit niet anders, reeds omdat vaststaat dat op het moment van overlijden van [Z] [N] nog aanzienlijke aflossingen aan [Z] moest gaan doen, omdat het volledige bedrag van de door [N] overgenomen schuld van [X] nog openstond. Ook het schikkingsaanbod van [X] van 30 maart 2012, waarnaar [appellant] verwijst, is niet van invloed op voorgaand oordeel, omdat [X] hierin juist aangeeft dat de schuld zijns inziens wel is kwijtgescholden; een dergelijk schikkingsaanbod wordt doorgaans gedaan om (verdere) tijdrovende en kostbare (ook voor de in het gelijk gestelde partij) gerechtelijke procedures te voorkomen.

10. Uit het voorgaande volgt dat de grieven falen of bij gebrek aan belang geen bespreking behoeven. De (vermeerderde) vordering is niet toewijsbaar. De bestreden vonnissen zullen daarom worden bekrachtigd en [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep alsmede in de gevorderde nakosten.

Voorwaardelijk incidenteel appel

11. Nu de voorwaarde waaronder het incidenteel appel is ingesteld niet is vervuld, behoeft het incidenteel appel geen bespreking. Deze beslissing kan echter niet tot een kostenveroordeling van [geïntimeerden] leiden (vgl. HR 11 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9966 en HR 12 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:233) zodat deze achterwege zal worden gelaten.

Beslissing

Het hof:

In het principaal appel:

- bekrachtigt de tussen partijen gewezen vonnissen van de rechtbank Rotterdam van 20 maart 2013 en 21 mei 2014;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerden] tot op heden begroot op € 1.920 aan verschotten en € 2.446,50 aan salaris advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 131,00, te vermeerderen met
€ 68,00 voor de explootkosten voor het geval betekening nodig is, met wettelijke rente over de nakosten vanaf veertien dagen na deze uitspraak;

- wijst de in hoger beroep vermeerderde vordering af.

In het voorwaardelijk incidenteel appel

- verstaat dat de voorwaarde niet is vervuld.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, G. Dulek-Schermers en M.P.J. Ruijpers en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 maart 2016 in aanwezigheid van de griffier.