Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:1417

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
31-05-2016
Datum publicatie
01-06-2016
Zaaknummer
200.172.553/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.172.553/01

Zaaknummer rechtbank : 3137955 \ CV EXPL 14-27502

arrest van 31 mei 2016

inzake

Eneco Services B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

appellante,

hierna te noemen: Eneco,

advocaat: mr. L.F. Birnie te Amsterdam,

tegen

[naam],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.D. Linscheer te Rotterdam.

Het geding

Voor het verloop van het geding tot aan 18 augustus 2015 verwijst het hof naar het arrest van die datum. Bij dat arrest is een comparitie van partijen gelast, die heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2015. Van de comparitie is proces-verbaal gemaakt.

Bij memorie van grieven, tevens vermeerdering eis, met producties, heeft Eneco vijf grieven aangevoerd en haar eis vermeerderd. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden. Eneco heeft nog een akte met productie genomen, waarop [geïntimeerde] niet meer heeft gereageerd.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1 Als door partijen onweersproken gesteld en/of uit de stukken als niet (voldoende) gemotiveerd bestreden naar voren gekomen, staat in deze zaak het volgende vast.

1.1

Eneco heeft met [geïntimeerde] een overeenkomst tot levering van warmte en elektriciteit aan het adres [adres] te [plaats] gesloten tegen betaling van de op het moment van levering geldende tarieven. Op de overeenkomst zijn van toepassing verklaard de Algemene Voorwaarden Warmte Eneco 2014 en de Algemene Voorwaarden Eneco Retail 2006. De levering van elektriciteit is per juni 2012 beëindigd.

1.2

Bij brief van 4 januari 2012 heeft Eneco de jaarnota 2011 aan [geïntimeerde] gezonden. Daarbij is (inclusief het nieuwe termijnbedrag van € 221) een bedrag van € 2.000,49 in rekening gebracht.

1.3

Bij brief van 30 januari 2012 heeft [geïntimeerde] aan Eneco geschreven:

“Hierbij maak ik nogmaals bezwaar tegen mijn veel te hoge energierekening, de warmte en tapwater kloppen maar de elektriciteit klopt niet.

Inmiddels achterhaald dat de beginstanden hoog 30527 en laag 30138 zouden moeten zijn volgens mijn eindafrekening 2010. Waarop mijn verbruik meer normaal is en ik zou dan ook graag een gecorrigeerde nota willen.

Tevens wil ik u erop wijzen dat als ik een factuur betaal, die factuur moet worden afgeboekt, en niet de openstaande kosten, Ik ga er vanuit dat als ik een factuur betaal ik die betaald heb. Anders blijf ik constant achter en blijven facturen openstaan vandaar ook de vele aanmaningskosten.

Verder vindt ik een maand bedrag van 221 dan in dit geval ook wel erg veel en kan ik ook niet opbrengen en zou dit willen terugbrengen naar 120 euro per maand. Ik maak dan ook bezwaar tegen het te hoge maand voorschot.

Ik ga in ieder geval niet akkoord met deze belachelijk hoge rekening en zal deze maand in ieder geval 120 overmaken met uw goedkeuring. (…)”

1.4

Bij brief van 20 februari 2012 heeft Eneco als volgt gereageerd:

“(..) Wij corrigeren uw jaarnota aan de hand van de door u doorgegeven meterstanden. De aanvullende nota (…) voegen we bij deze brief bij. Uw termijnbedrag passen we aan naar

€ 68,00 per maand. (…) We verrekenen de betalingen altijd met de oudste openstaande nota’s of kosten. Dit doen we om verdere kosten te voorkomen. (…). Als u een betalingsregeling wilt treffen over het restbedrag van de jaarnota van € 1.350,48, neemt u dan ook hiervoor contact op met (…).”

1.5

Eneco heeft [geïntimeerde] een aanvullende nota d.d. 21 februari 2012 gestuurd, die een correctie op de jaarnota 2011 inhoudt. Hierin is onder meer opgenomen:

“Door u te ontvangen € 1.395,48 (…) Dit bedrag zal na verrekening met eventuele openstaande vorderingen binnen 14 dagen na ontvangst van deze nota worden overgemaakt op rekening (…).”

1.6

Bij brief van 30 maart 2012 heeft [geïntimeerde] aan Eneco bericht:

“De eindjaarafrekening 2011 klopt nog steeds niet de energiebelasting moet nog worden aangepast, waarop ik bijna nihil zou moeten bijbetalen, tevens staat er nog 221 voorschotbetaling op de rekening dit moet 68 euro worden.

Ik zal in ieder geval deze maand twee keer 68 euro betalen zodat ik met mijn voorschoten bij ben, en er alleen nog een nieuwe jaarrekening gemaakt moet worden.

(…)

Zoudt u de incassoprocedure kunnen stoppen totdat er een nieuwe afrekening is gemaakt. (…).”

1.7

Op 18 november 2012 heeft [geïntimeerde] aan Eneco geschreven:

“Bij deze wil ik melden dat ik mij heb aangemeld voor schuldhulpbemiddeling, en ik inmiddels ook bezig ben met aanvraag voor WSNP en een voorlopige voorziening ga aanvragen bij de rechtbank, zodat er in ieder geval geen afsluiting kan plaatsvinden.

Dit alles dankzij het feit dat jullie ten alle tijden weigeren de jaarnota te corrigeren volgens de standen zoals die zijn doorgegven en zoals die ook bekent zijn bij mijn vorige en/of huidige leverancier. Ik kom volgens mijn berekeningen op een bedrag van ongeveer 1200 euro voor warmte en electrischiteit waarbij ik nog een bedrag van ongeveer 100-150 euro zou moeten betalen.

Maar zoals de jaar rekening er nu uit ziet moeten zowel de warmte en electrischiteit gecorrigeerd worden. Het bedrag wat er nu nog staat kan ik niet betalen en ben ik het ook niet mee eens. (…)”

1.8

Op 29 maart 2012 heeft [geïntimeerde] een bedrag van € 68,00 overgemaakt op de rekening van Eneco. Op 3 september 2012, 25 september 2012, 2 november 2012 en 30 november 2012 is telkens een bedrag van € 50,00 overgeboekt en tot slot is een bedrag van € 54,00 overgemaakt op 20 februari 2013. Daarna hebben tot en met november 2015, ook na betalingsherinneringen van Eneco, geen betalingen meer plaatsgevonden.

2. Eneco heeft bij inleidende dagvaarding van 2 juni 2014 (samengevat) gevorderd:

  1. [geïntimeerde] te veroordelen om aan Eneco te voldoen een bedrag van € 2.196,10 te vermeerderen met wettelijke rente, alsmede een bedrag van € 54,- per maand of gedeelte daarvan dat [geïntimeerde] na 1 juni 2014 warmte geleverd zal krijgen;

  2. Eneco te machtigen, bij niet tijdige en volledige voldoening van de verschuldigde bedragen binnen veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis, de warmtelevering aan [geïntimeerde] te onderbreken;

  3. [geïntimeerde] in dat geval te veroordelen om aan Eneco te voldoen een bedrag van € 144,- aan afsluitingskosten;

  4. te bepalen dat Eneco niet tot heraansluiting zal behoeven over te gaan indien [geïntimeerde] aan Eneco niet alle door haar geleden schade heeft vergoed;

  5. [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van het geding.

3. Bij vonnis van 20 februari 2015 heeft de kantonrechter de vorderingen afgewezen. Daartoe is – kort weergegeven - overwogen dat Eneco verzuimd heeft een op 19 februari 2012 door [geïntimeerde] gedane betaling ad € 2.000,49 in de vordering te verdisconteren zodat de bodem aan de vordering van Eneco is komen te ontvallen.

4. In hoger beroep heeft Eneco (na eisvermeerdering) gevorderd, het vonnis waarvan beroep te vernietigen, en opnieuw rechtdoende, [geïntimeerde] te veroordelen om aan Eneco te voldoen een bedrag van € 3.378,91 te vermeerderen met wettelijke rente, alsmede een bedrag van € 58,- per maand of gedeelte daarvan dat [geïntimeerde] na 1 december 2015 warmte geleverd zal krijgen, de vorderingen b) tot en met d) alsnog toe te wijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van hetgeen Eneco ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan en met veroordeling van de proceskosten in beide instanties.

5. Volgens de eerste grief heeft de kantonrechter ten onrechte overwogen dat [geïntimeerde] een officieel bankafschrift heeft overgelegd waarop de door hem gestelde betaling aan Eneco staat vermeld en waaruit niet blijkt dat de betaling zou zijn gestorneerd. De tweede grief is gericht tegen het oordeel dat [geïntimeerde] voldoende heeft aangetoond de gestelde betaling te hebben gedaan. Volgens de derde grief is ten onrechte geoordeeld dat het op de weg van Eneco had gelegen haar betwisting van de ontvangst van de betaling nader te onderbouwen. De vierde grief richt zich tegen het oordeel dat door de betaling de bodem aan de vordering van Eneco is komen te ontvallen. De vijfde grief ziet op de proceskostenveroordeling. De grieven, waarmee het oordeel van de kantonrechter omtrent de gestelde betaling door [geïntimeerde] van € 2.000,49 wordt aangevochten, lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

6. Het hof stelt voorop dat ingevolge art. 6:114 lid 2 BW een girale betaling pas voltooid is door bijschrijving op de rekening van de schuldeiser. De bewijslast van de betaling rust op [geïntimeerde]. [geïntimeerde] heeft weliswaar een bankafschrift in het geding gebracht waaruit zou volgen dat een bedrag van € 2.000,49 van zijn bankrekening is afgeschreven, doch hieruit volgt nog niet dat het bedrag op de rekening van Eneco is bijgeschreven. Eneco heeft immers gemotiveerd betwist dat zij het bedrag heeft ontvangen. Zij heeft daartoe dagafschriften van 17 en 20 februari 2012 van haar bankrekening overgelegd en een verklaring van een bankmedewerker van ING-bank waaruit volgt dat in de periode 1 februari 2012 tot en met 17 september 2015 geen bedrag van € 2.000,49 is bijgeschreven op de rekening van Eneco. Daarbij komt dat de gestelde betaling niet goed valt te rijmen met de inhoud van de brieven die [geïntimeerde] heeft gestuurd op 30 januari 2012, 30 maart 2012 en 18 november 2012. [geïntimeerde] heeft daarin immers geen enkele melding gemaakt van de betaling van € 2.000,49. Het enkele (niet gewaarmerkte) bankafschrift vormt, mede in dat licht bezien, onvoldoende onderbouwing voor de gestelde betaling. Bewijs dat het geld door Eneco is ontvangen (bijvoorbeeld door een betalingsonderzoek door zijn bank) heeft [geïntimeerde] niet geleverd en evenmin (concreet) aangeboden. Aan het algemene bewijsaanbod gaat het hof voorbij omdat dit niet voldoet aan de in hoger beroep te stellen eisen.

7. Uit het voorgaande volgt dat de grieven slagen en dat het bestreden vonnis moet worden vernietigd. Dat betekent dat opnieuw beoordeeld moet worden, met inachtneming van hetgeen [geïntimeerde] zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft aangevoerd, of de vorderingen van Eneco toewijsbaar zijn. [geïntimeerde] heeft ter betwisting van de hoogte van de vordering van Eneco aangevoerd dat er betalingen zijn afgeboekt op facturen waarvoor deze betalingen niet bedoeld waren, waardoor steeds opnieuw incassokosten in rekening werden gebracht. Voorts heeft hij betoogd dat de gecorrigeerde nota 2011 niet juist is opgesteld. [geïntimeerde] heeft echter nagelaten zijn standpunten nader en concreet toe te lichten zodat deze stellingen voor het hof niet controleerbaar zijn en derhalve buiten beschouwing moeten worden gelaten. Het hof merkt daarbij wel nog op dat in de door Eneco gegeven specificatie van de vordering geen incassokosten zijn opgenomen. Voor zover [geïntimeerde] zich in eerste aanleg erop heeft beroepen dat hij een bedrag van € 1.395,48 zou terugkrijgen van Eneco (zie 1.5), oordeelt het hof dat uit de in 1.4 weergegeven brief duidelijk volgt dat dit bedrag zou worden verrekend, hetgeen strookt met het bepaalde in artikel 6:127 BW, en dat per saldo nog een door [geïntimeerde] te betalen bedrag bleef openstaan.

8. Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen van Eneco, zoals die in hoger beroep zijn vermeerderd en voor het overige niet zijn weersproken, zullen worden toegewezen als na te melden. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [geïntimeerde] in de kosten van zowel het hoger beroep als de eerste aanleg worden veroordeeld.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 20 februari 2015,

en opnieuw rechtdoende:

- veroordeelt [geïntimeerde] om aan Eneco te voldoen een bedrag van € 3.378,91 te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 3.207,77 vanaf 19 november 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening, alsmede een bedrag van € 58,- per maand of gedeelte daarvan dat [geïntimeerde] na 1 december 2015 van Eneco warmte geleverd heeft gekregen dan wel zal krijgen;

- machtigt Eneco, bij niet tijdige en volledige voldoening van de verschuldigde bedragen binnen veertien dagen na betekening van dit arrest, de warmtelevering aan [geïntimeerde] te onderbreken door het wegnemen van de aan Eneco in eigendom toebehorende meetinrichting of anderszins, door bijvoorbeeld het plaatsen van een kap over de meetinrichting op het verbruiksadres van [geïntimeerde] ([adres] te [plaats]), respectievelijk machtigt Eneco beslag tot afgifte te leggen op de meetinrichting (warmtemeter en centrale kraan) op het verbruiksadres van [geïntimeerde];

- veroordeelt [geïntimeerde], voor zover het tot voornoemde onderbreking komt, na het voltooien van de werkzaamheden tot betaling van een bedrag van € 144,- aan afsluitingskosten;

- bepaalt dat Eneco niet tot heraansluiting zal behoeven over te gaan indien [geïntimeerde] aan Eneco niet alle door haar geleden schade en kosten zoals hiervóór vermeld, heeft vergoed, alsmede de kosten van heraansluiting, en heeft voldaan aan de door Eneco gestelde voorwaarden als bedoeld in artikel 9, lid 3 van de Algemene Voorwaarden;

- veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling aan Eneco van al hetgeen Eneco ter uitvoering van het bestreden vonnis mocht hebben voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van betaling tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van Eneco tot op 20 februari 2015 begroot op € 541,15 aan verschotten en € 300 aan salaris gemachtigde;

- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Eneco tot op heden begroot op € 805,19 aan verschotten en € 1.264 aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, M.P.J. Ruijpers en H.J.M. Burg en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 mei 2016 in aanwezigheid van de griffier.