Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:1392

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17-02-2016
Datum publicatie
19-05-2016
Zaaknummer
200.176.394/02
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:1414
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Het hof is van oordeel dat de vrouw ontvankelijk is in haar incidentele verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ex art 223 Rv inhoudende dat partneralimentatie wordt bepaald voor de duur van het geding. De verzochte partneralimentatie voor de duur van het geding wordt deels toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 17 februari 2016

Zaaknummer : 200.176.394/02

Rekestnummers rechtbank : FA RK 14-7121 en FA RK 15-406

Zaaknummers rechtbank : C/10/458483 en C/10/468175

[De vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. drs. J.F.M. van Weegberg te Den Haag,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. I. de Vink te Rijswijk.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 10 september 2015 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 12 juni 2015 van de rechtbank Rotterdam.

De man heeft op 3 november 2015 een verweerschrift ingediend tevens inhoudende incidenteel hoger beroep en wijziging van eis.

De vrouw heeft op 16 november 2015 een verzoek ingediend tot het vaststellen van een voorlopige voorziening voor de duur van het hoger beroep als bedoeld in artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vrouw:

- op 24 november 2015 een V-formulier van 23 november 2015 met bijlagen;

van de zijde van de man:

- op 23 november 2015 een V-formulier van 23 november 2015 met bijlagen.

De zaak is op 25 november 2015 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

De advocaat van de man heeft ter zitting een pleitnotitie overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

In de beschikking van 12 juni 2015 heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken en ten laste van de man aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud toegekend van € 2.082,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen voor het eerst op de dag dat de echtscheidingsbeschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand tot 1 december 2015. Voorts heeft de rechtbank de verdeling gelast op de wijze zoals in de beschikking weergegeven en is de beschikking, behalve ten aanzien van de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. In hoger beroep is voorts komen vast te staan dat de echtscheidingsbeschikking op 30 oktober 2015 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING

1. In geschil is het verzoek van de vrouw tot het treffen van een voorlopige voorziening.

2. De vrouw verzoekt het hof, naar het hof begrijpt, de bestreden beschikking voor zover vereist te vernietigen c.q. te wijzigen voor zover het betreft de partneralimentatie en een voorlopige voorziening te treffen voor de duur van het geding, in die zin dat de voorlopige bijdrage van de man aan de vrouw met ingang van 1 december 2015, althans met ingang van een door het hof in goede justitie te bepalen datum, gedurende het geding en in afwachting van een beslissing van het hof in principale wordt bepaald op € 5.554,- bruto per maand, althans op een bedrag dat het hof in goede justitie voorlopig redelijk acht. Kosten rechtens.

3. De man verzoekt het hof het verzoek van de vrouw af te wijzen en de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure tot het treffen van voorlopige voorzieningen.

4. De vrouw verwijst ter onderbouwing van haar verzoek naar de uitspraak van de Hoge Raad van 5 december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3533) waaruit kan worden afgeleid dat ook in verzoekschriftprocedures voorlopige voorzieningen kunnen worden getroffen. De vrouw zal na 1 december 2015 geen partneralimentatie meer ontvangen. Volgens de vrouw is dat niet juist en heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de vrouw vanaf 1 december 2015 in staat moet worden geacht geheel zelf in haar levensonderhoud te kunnen voorzien. De vrouw is daartoe niet in staat en de man heeft de vrouw laten weten niet bereid te zijn om vrijwillig te blijven betalen. De vrouw voert voorts aan dat de rechtbank er ten onrechte van uitgegaan is dat sprake is van een baangarantie. Er is naar de mening van de vrouw geen reden om de duur van de alimentatie te beperken. De vrouw heeft geen baan en zij heeft geen uitzicht op een baan. Zij kan niet in haar eigen levensonderhoud voorzien. De vrouw stelt dat zij per maand een netto bedrag van € 3.139,25 nodig heeft (€ 5.554,00 bruto) en dat de man voldoende draagkracht heeft.

Ter terechtzitting heeft de vrouw, in aanvulling op haar verzoekschrift, aangevoerd dat zij om gezondheidsredenen thans niet in staat is om te werken en dat zij met ingang van 1 december 2015 geen inkomsten meer zal hebben. De vrouw heeft zich nog niet tot het UWV gewend omdat zij voldoende alimentatie kreeg van de man. De vrouw stelt voorts dat de advocaat die haar in eerste aanleg heeft bijgestaan heeft verzuimd haar behoefte op de juiste wijze vast te stellen en ten onrechte een te laag bedrag aan alimentatie heeft verzocht.

5. De man stelt voorop dat naar zijn mening in de onderhavige kwestie geen voorlopige voorziening kan worden gevraagd. De vrouw dient volgens de man niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar verzoek. De man voert daartoe aan dat de vrouw de uitspraak van de Hoge Raad van 5 december 2014 onjuist interpreteert. De man verwijst naar rechtsoverweging 3.4 en stelt dat deze beslissing van de Hoge Raad uitsluitend betrekking heeft op de mogelijkheid van een voorlopige voorziening in een verzoekschriftprocedure, die geen zaak van echtscheiding en scheiding van tafel en bed betreft. Het verzoek van de vrouw betreft echter een voorlopige voorziening in de zin van artikel 822 lid 1 onder e Rv. Een verzoek gebaseerd op artikel 223 Rv is niet mogelijk in een verzoekschriftprocedure, die betrekking heeft op een echtscheidingszaak, nu daarvoor een ander wettelijk systeem van voorlopige voorzieningen voorhanden is. De man verwijst in dit verband naar uitspraken van het hof Den Haag van 8 oktober 2014 (ECLI:NL:GHDHA:2014:3261) en van 25 juli 2007 (ECLI:NL:GHSGR:2007:BB0952). In de laatste uitspraak werd overwogen, dat een voorlopige voorziening kan worden gevraagd tot het tijdstip waarop een zodanige voorziening, indien gegeven, ingevolge artikel 826 Rv haar kracht heeft verloren. Nu in die zaak ter terechtzitting was gebleken dat de echtscheidingsbeschikking nog niet was ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, kon er nog steeds om partneralimentatie als voorlopige voorziening worden verzocht. Uit de door de man als productie 1 overgelegde kennisgeving blijkt echter, dat de tussen partijen in de onderhavige zaak uitgesproken echtscheiding op 30 oktober 2015 is ingeschreven. Er kan derhalve geen verzoek om een voorlopige voorziening meer worden gevraagd volgens de artikelen 821 lid 1 juncto 826 lid 1 sub c Rv.

In het geval het hof van oordeel zou zijn dat wel een voorlopige voorziening kan worden gevraagd, wijst de man erop dat in eerste aanleg tussen partijen een zeer omvangrijk debat heeft plaatsgevonden waarin partijen veel geschilpunten hebben opgeworpen en producties hebben overgelegd. Beide partijen hebben tegen de beslissing van de rechtbank hoger beroep ingesteld en ook in hoger beroep zal naar alle geschilpunten een uitgebreid onderzoek moeten plaatsvinden. In het kader van een verzoek om een voorlopige voorziening bestaat niet de gelegenheid voor een uitgebreid onderzoek van feitelijke aard. De man wijst er op dat de vrouw in haar verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening dezelfde argumenten naar voren brengt als in haar hoger beroepschrift. De man is van mening dat in de onderhavige zaak geen sprake is van zodanige spoed dat afzonderlijk en voorafgaand aan de uitspraak in de hoofdzaak daarop zou moeten worden beslist. Hij wijst er op dat de vrouw vanaf 12 juni 2015 op de hoogte was dat de uitkering zou eindigen op 1 december 2015 en dat zij eerst op 10 september 2015 een appelschrift heeft ingediend. Na twee maanden heeft zij een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. De man betwist de behoefte van de vrouw en hij stelt dat zij onvoldoende heeft aangetoond dat zij uitsluitend vrijwilligerswerk doet en geen inkomsten uit arbeid heeft. De man betwist dat bij de vrouw sprake is van (medische en/of psychische) beperkingen om arbeid te kunnen verrichten. De man is van mening dat de vrouw zich onvoldoende inspant om haar verdiencapaciteit te benutten. De man stelt dat de rechtbank de beslissing om de door de man te bepalen uitkering tot levensonderhoud te laten eindigen op 1 december 2015 niet alleen heeft gebaseerd op de verklaring van de vrouw dat er een baangarantie was maar tevens de leeftijd van de vrouw, haar opleidingsniveau, haar positie op de arbeidsmarkt en het gegeven dat er geen kinderen zijn, in aanmerking heeft genomen.

6. Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 821 lid 1 Rv kan ieder der echtgenoten in zaken van echtscheiding of scheiding van tafel en bed bij verzoekschrift voorlopige voorzieningen als bedoeld in artikel 822 en 823 Rv vragen. Een voorlopige voorziening kan worden gevraagd tot het moment waarop een zodanige voorziening, indien gegeven, ingevolge artikel 826 Rv haar kracht verliest. Nu bij de bestreden beschikking ten laste van de man aan de vrouw een partneralimentatie van € 2.082,- per maand is toegekend met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking en ter terechtzitting is gebleken dat de echtscheidingsbeschikking op 30 oktober 2015 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, kan een voorlopige partneralimentatie ingevolge artikel 822, lid 1, sub e Rv niet langer worden verzocht. Nu de vrouw mitsdien geen gebruik meer kan maken van voornoemde wettelijke mogelijkheid tot het treffen van een voorlopige partneralimentatie gedurende de echtscheidingsprocedure is het hof van oordeel dat het haar vrij staat een incidenteel verzoek te doen tot het treffen van een partneralimentatie voor de duur van het geding als bedoeld in artikel 223 Rv. Het andersluidende betoog van de man, verwerpt het hof dan ook. Het hof heeft hierbij in aanmerking genomen dat de Hoge Raad bij zijn uitspraak van 5 december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3533) heeft geoordeeld dat de wet en de aard van de verzoekschriftprocedure zoals geregeld in artikel 261 Rv zich niet verzetten tegen overeenkomstige toepassing van artikel 223 Rv op verzoekschriftprocedures. Daarbij heeft de Hoge Raad overwogen dat er geen aanwijzingen zijn dat de wetgever, door alleen in zaken van echtscheiding en scheiding van tafel en bed voorlopige voorzieningen wettelijk te regelen, daarbuiten de mogelijkheid van een voorlopige voorziening in de verzoekschriftprocedure heeft willen uitsluiten. De Hoge Raad heeft dan ook geoordeeld dat ook in andere gevallen in een verzoekschriftprocedure een incidenteel verzoek kan worden gedaan tot het treffen van een voorlopige voorziening voor de duur van het geding overeenkomstig hetgeen artikel 223 Rv bepaalt voor dagvaardingsprocedure. Het hof is van oordeel dat uit de uitspraak van de Hoge Raad niet kan worden afgeleid dat een incidenteel verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen alleen kan worden gedaan in verzoekschriftprocedures, die geen zaak van echtscheiding en scheiding van tafel en bed betreffen. De vrouw is derhalve ontvankelijk in haar verzoek.

7. Het hof gaat thans over tot de inhoudelijke beoordeling van het incidentele verzoek van de vrouw.

8. Het hof stelt bij de beoordeling van het verzoek voorop dat ingevolge artikel 223 lid 1 Rv iedere partij tijdens een aanhangig geding kan vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering. Verder heeft te gelden dat het algemene vereiste voor toewijsbaarheid van een provisionele voorziening, dat de verzoekende partij bij zijn vordering belang heeft, gevoegd bij de beperkte werkingsduur van een provisionele voorziening op grond van artikel 223 Rv, leidt tot het vereiste dat de verzoeker in die zin belang bij het verzoek moet hebben dat van hem niet kan worden gevergd dat hij de afloop van de bodemzaak afwacht. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn wanneer op grond van eindbeslissingen in de hoofdzaak al vast staat dat het provisioneel gevorderde uiteindelijk in de hoofdzaak zal worden toegewezen. Daarnaast moeten de belangen van partijen worden afgewogen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin.

9. In de onderhavige (hoofd)zaak zijn zowel de hoogte als de duur van een eventuele uitkering tot levensonderhoud in geschil. Er is mitsdien voldaan aan de voorwaarde dat het verzoek moet samenhangen met het verzoek in de bodemprocedure.

10. De rechtbank heeft in zijn beslissing overwogen dat van de vrouw verwacht mag worden dat zij binnen afzienbare termijn een baan passend bij haar opleidingsniveau gevonden zal hebben waarmee zij in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. In deze beslissing is tevens vermeld dat de rechtbank deze verwachting mede gebaseerd heeft op de verklaring van de vrouw ter zitting dat zij zich gewend heeft tot een begeleidings-/bemiddelingsbureau en dat dit bureau er vanuit gaat (en gegarandeerd heeft) dat de vrouw binnen zes maanden een baan zal hebben gevonden die in het verlengde ligt van de door haar gevolgde en afgeronde opleiding in de gezondheidswetenschappen. Vast staat dat de door de rechtbank bepaalde uitkering tot levensonderhoud op 1 december 2015 is geëindigd en dat de vrouw (nog) geen (zicht op) inkomsten uit arbeid heeft, laat staan tot het niveau van haar door de rechtbank becijferde behoefte. Gelet op deze omstandigheden ziet het hof aanleiding om het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de man voor de duur van het geding partneralimentatie moet blijven betalen, toe te wijzen. Anders dan de vrouw heeft verzocht ziet het hof evenwel geen aanleiding om de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud vast te stellen op een hoger bedrag dan de door de rechtbank vastgestelde bijdrage van € 2.082,- per maand.

De vrouw verzoekt thans - zonder deugdelijke nadere motivering - toekenning van een bedrag van € 5.554,- bruto per maand. Het hof is van oordeel dat voor een beoordeling van de hoogte van een eventuele bijdrage, gelet op de standpunten van partijen, een nader onderzoek nodig is. De onderhavige procedure leent zich daar naar het oordeel van het hof niet voor.

Gelet op die omstandigheid ziet het hof geen aanleiding de hoogte van het door de rechtbank bepaalde bedrag te wijzigen.

11. Het hof acht het redelijk de voorlopige partneralimentatie te doen ingaan op de door de vrouw verzochte datum, te weten 1 december 2015 nu zij met ingang van die datum geen inkomsten meer heeft.

12. Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in het incident compenseren.

13. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET VERZOEK TOT HET TREFFEN VAN EEN VOORLOPIGE VOORZIENING

Het hof:

bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening de door de man aan de vrouw voor de duur van het geding te betalen uitkering tot levensonderhoud op € 2.082,- per maand, met ingang van
1 december 2015, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

compenseert de proceskosten in dit incident in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte;

bepaalt dat de behandeling van de zaak ten aanzien van het hoger beroep zal worden voortgezet op een nader te bepalen datum, waarvoor partijen nog een afzonderlijke oproep zullen ontvangen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I. Obbink-Reijngoud, L.F.A. Husson en
A.S. Mertens-de Jong, bijgestaan door mr. M.C. Zuidweg als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 februari 2016.