Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:1385

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
31-05-2016
Datum publicatie
11-07-2016
Zaaknummer
200.155.770
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadevordering in verband met niet doorgaan tijdelijke opvang asielzoekers

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.155.770 / 01

Rolnummer rechtbank : 921497 / 10-58

Arrest van 31 mei 2016

inzake

Veluwse Vastgoed Combinatie II B.V.,

gevestigd te Ede,

appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: VVC,

advocaat: mr. A.P.J. Blokland te Ede,

tegen

Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA),

gevestigd te Rijswijk,

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

hierna te noemen: COA,

advocaat: mr. A.R. de Jonge te Den Haag.

Het geding

1. Voor het verloop van het geding tot aan het tussenarrest van 7 oktober 2014 verwijst het hof naar dat arrest. De in dat arrest bepaalde comparitie heeft plaatsgevonden op 13 november 2014. Bij memorie van grieven heeft VVC vervolgens vijf grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht. COA heeft deze grieven bij memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in het incidenteel appel, bestreden en in incidenteel appel vier grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht. De grieven in het incidenteel appel zijn door VVC bij memorie van antwoord in het incidenteel appel weersproken.

Beoordeling van het hoger beroep

2. Het hof gaat uit van de feiten zoals die zijn vastgesteld in het arrest van 23 oktober 2012, gewezen in het hoger beroep tegen het tussenvonnis van de kantonrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 april 2010. Volledigheidshalve neemt het hof die feiten hier opnieuw op.

2.1.

In maart 2008 is het COA, een zelfstandig bestuursorgaan belast met de opvang van asielzoekers, geconfronteerd met een grote instroom van Chinese vreemdelingen, waarvoor per direct (nood)opvang diende te worden verzorgd.

2.2.

VVC exploiteert recreatieparken. Omdat er al sinds medio 2007 contacten bestonden tussen COA en VVC over de mogelijkheid van huur door COA van een locatie in Gulpen ten behoeve van opvang van vreemdelingen/asielzoekers, waarvan VVC eigenaar was, heeft COA bij monde van locatiemanager [locatiemanager] op 25 maart 2008 telefonisch directeur-eigenaar [directeur-eigenaar] van VVC benaderd met de vraag of direct beschikbare opvangplaatsen voorhanden waren om in de noodopvang van Chinese vreemdelingen te voorzien.

2.3.

Op 26 maart 2008 is in AC restaurant ‘De Meern’ tussen COA en VVC gesproken over mogelijke locaties. Bij deze bespreking waren aanwezig [locatiemanager] namens COA en [directeur-eigenaar] namens VVC, alsook [adviseur VVC], adviseur van VVC. Er is toen (in ieder geval) gesproken over een locatie in Drenthe en een locatie in Gulpen, Zuid-Limburg.

2.4.

Op 27 maart 2008 is een tweede bespreking hierover geweest op het kantoor van COA in Rijswijk. Daarbij waren deelnemers [locatiemanager] en een andere portefeuillemanager [portefeuillemanager COA] zijdens COA en [directeur-eigenaar] en [adviseur VVC] zijdens VVC. In ieder geval tijdens deze bespreking is de locatie ‘Groot Bartje’ in Zorgvlied, gemeente Westerveld aan de orde gekomen. Tijdens deze bespreking heeft COA aan VVC zijn standaard-overeenkomst Alternatieve Tijdelijke Capaciteit (hierna: ATC) ter hand gesteld en over de inhoud daarvan is ook gesproken. De situatie met betrekking tot de noodopvang was toen zeer nijpend, er waren bussen met Chinese vreemdelingen op weg die op straat dreigden te komen te staan, als niet op zeer korte termijn opvang beschikbaar zou komen. Alternatieven voor ‘Groot Bartje’ waren op dat moment niet voorhanden. Art. 7.3 van dit standaardcontract luidt als volgt:

Deze overeenkomst wordt aangegaan onder de opschortende voorwaarde dat de exploitant in het bezit is van alle benodigde wettelijke vergunningen, vrijstellingen (van onder meer bestemmingsplan) daaronder inbegrepen (…)

Indien de exploitant niet voldoet aan (een deel van) het hiervoor gestelde binnen de door het COA gestelde termijn, wordt de overeenkomst geacht van rechtswege te zijn ontbonden.

2.5.

Op 28 maart 2008 heeft [portefeuillemanager COA] [adviseur VVC] per e-mail onder meer het volgende bericht:

Zoals gisteren met jullie afgesproken en vandaag bevestigd gaan wij gebruik maken van jullie locatie Groot Bartje in Zorgvlied gemeente Westerveld. Bij het informeren van het college van B&W zijn wij op veel weerstand gestuit.

2.6.

De gemeente Westerveld heeft op 28 maart 2008 een zogenoemd preventief dwangsombesluit genomen tegen onder meer (de eigenaar van) recreatiepark ‘Groot Bartje’ met het verbod tijdelijke opvang te verlenen aan asielzoekers, omdat dit strijdig is met het bestemmingsplan.

2.7.

Per e-mail van 2 april 2008 heeft [portefeuillemanager COA] [adviseur VVC] bericht dat ‘Groot Bartje’ vanwege de onzekerheid ontstaan door het dwangbevel tot nader order niet zal worden gebruikt voor noodopvang, tenzij daartoe gedwongen omdat niet meer geplaatst kan worden in de wel beschikbare tijdelijke noodopvangplaatsen elders en dat per die dag de afgesproken leegstandsvergoeding van € 5,- per plaats per dag voor 582 plaatsen betaald zal worden.

2.8.

Op 9 april 2008 heeft COA [directeur-eigenaar] bericht dat definitief geen gebruik zal worden gemaakt van ‘Groot Bartje’. Overleg tussen partijen om tot een afwikkeling van de misgelopen locatie ‘Groot Bartje’ te komen, is niet tot een goed eind gekomen. In dat kader is op 10 april 2008 door COA aan VVC aangeboden in ieder geval een leegstandsvergoeding over de periode 2-9 april 2008 te betalen, hetgeen neerkwam op ongeveer € 23.000,-. VVC kwam begin mei met een voorlopige schadeclaim van 1,7 miljoen euro. Daarin zit begrepen een claim van € 856.820,- van Interparcs, met wie VVC op haar beurt naar de stelling van VVC een overeenkomst had gesloten aangezien Interparcs verantwoordelijk was voor de exploitatie van ‘Groot Bartje’. COA heeft daarop haar aanbod tot betaling van een leegstandvergoeding herhaald en tevens aangeboden een vergoeding van redelijke overboekingskosten, indien deugdelijk onderbouwd. Eind mei 2008 is wel een ATC-overeenkomst tussen partijen gesloten met betrekking tot tijdelijke opvang in Gulpen.

2.9.

In een brief van COA aan B&W van de gemeente Westerveld uit eind van het jaar 2007 staat onder meer het volgende:

In vervolg op het bestuurlijk overleg (…) verzoek ik u hierbij uw medewerking te verlenen aan een tijdelijke en korte opvang van asielzoekers in de Adelhof te Vledder. Het gaat daarbij om de beperkte opvang door het COA van maximaal 75 asielzoekers en wel tot uiterlijk 31 maart 2008.

Wellicht ten overvloede: het COA heeft tot begin 2003 op deze zelfde locatie zo’n 200 asielzoekers ondergebracht. Daarnaast hebben we tijdens de winterperiode in Zorgvlied ca. 150 mensen kunnen opvangen. In voorgaande jaren waren deze accommodaties ingezet als een vorm van aanvullende opvang (z.g. AVO) (cursivering hof, evenals hierna), deze is overigens naar tevredenheid verlopen.

(…)

Voorgaande veroorzaakt tijdelijke, opwaartse druk in de vraag naar extra capaciteitsplaatsen. Teneinde te kunnen anticiperen op de huidige situatie ziet het COA zich genoodzaakt zich voor de korte termijn te richten op de verwerving van Alternatieve Tijdelijke Capaciteit (ATC) waartoe zij contracten afsluit met derden (eigenaar/exploitant)

Kenmerk van alternatieve opvang (ATC), is dat als het ware capaciteitsplaatsen bij derden worden gehuurd voor een bepaalde periode. Verschil met een regulier asielzoekerscentrum is de kortere looptijd, de lagere capaciteit, een andere vorm en rolverdeling in de opvang en het ontbreken van een bestuursovereenkomst met de gemeente.

(…)

Nogmaals wil ik benadrukken dat het ATC-contract tijdelijk is en tot uiterlijk 31-03-2008 loopt. Zulks in verband met de recreatieve activiteiten van de exploitant.

Tenslotte hecht ik eraan u erop te attenderen, dat in gesprekken met burgemeester Meijer, zowel in 2006 als laatstelijk op 2 april 2007, bestuurlijk overeenstemming was bereikt dat het COA tijdens deze winterperiode asielzoekers in de Adelhof te Vledder zou opvangen. Het COA heeft op haar beurt toegezegd af te zien van de opvang van asielzoekers op de eerdergenoemde locatie “Groot Bartje” te Zorgvlied.

3. VVC vorderde in eerste aanleg, na vermindering van haar eis, de veroordeling van COA tot betaling van € 250.000,-, alsmede tot betaling van de door haar geleden (overige) schade, ex aequo et bono door de rechtbank vast te stellen, en te vermeerderen met de wettelijke handelsrente. In reconventie vorderde COA de veroordeling van VVC tot vergoeding van haar schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

4. In het bestreden vonnis van 15 mei 2014 heeft de kantonrechter, voor zover thans nog van belang, COA veroordeeld tot betaling van € 54.072,- en € 9.613,50, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119b BW vanaf 10 juni 2008 tot aan de dag der voldoening. De kantonrechter heeft de vordering in reconventie afgewezen en COA veroordeeld in de kosten van het geding in conventie en in reconventie.

5. VVC vordert in hoger beroep de vernietiging van het bestreden vonnis en de veroordeling van COA tot betaling van € 250.000,- en een door het hof ex aequo et bono vast te stellen schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 juni 2008. De grieven in het principaal appel komen in algemene zin op tegen het oordeel van de kantonrechter dat VVC eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW heeft aan de door haar geleden schade en het oordeel dat VVC een ontbindende voorwaarde had moeten opnemen in haar overeenkomst met Interparcs. De kantonrechter heeft daarom, aldus grief 4, ten onrechte overwogen dat de gederfde huurinkomsten na 9 april 2008 voor rekening van VVC moeten blijven. Grief 2 voegt daaraan toe dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat VVC de gestelde gederfde huur onvoldoende heeft onderbouwd. Met grief 5 komt VVC op tegen de omvang van de toegekende schadevergoeding. Zij betoogt dat die ten onrechte is beperkt tot een bedrag van € 63.695,50.

6. In het incidenteel appel vordert COA vernietiging van het vonnis van de kantonrechter voor zover in conventie een bedrag van € 54.072,- is toegewezen en voor zover de wettelijke handelsrente is toegewezen, en veroordeling van VVC in de kosten van het geding. Grief 1 is gericht tegen de conclusie van de kantonrechter dat er tussen VVC en Interparcs een huurovereenkomst met betrekking tot het vakantiepark Groot Bartje in Zorgvlied tot stand is gekomen. Met grief 2 komt COA op tegen de toewijzing van het bedrag van € 16.242,- voor de schadepost “ontruiming ter plekke”. Grief 3 komt op tegen de aanname van de kantonrechter dat 15% van het totaal aantal bedden winstgevend bezet zou zijn geweest, terwijl grief 4 is gericht tegen de toewijzing van de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119b BW.

7. Mede gelet op het arrest van 23 april 2013, waarbij dit hof het tussenvonnis van de kantonrechter van 22 april 2010 heeft bekrachtigd, ligt thans de vraag voor welke schade VVC heeft geleden door het feit dat COA de tussen haar en VVC bestaande onvoorwaardelijke huurovereenkomst met betrekking tot de locatie Groot Bartje in Zorgvliet, niet is nagekomen. Die (gevorderde) schade bestaat, zoals de kantonrechter terecht heeft overwogen, enerzijds uit de schade die VVC aan Interparcs heeft moeten vergoeden en anderzijds uit de door VVC zelf gederfde winst en de kosten van ontruiming (leegboeken 582 bedden).

8. Het hof ziet aanleiding eerst grief 1 in het incidenteel appel te behandelen. Die grief stelt de vraag aan de orde of er tussen VVC en Interparcs een huurovereenkomst tot stand is gekomen. Het COA stelt “te twijfelen” aan de authenticiteit van de brief van 28 maart 2008 omdat deze pas op het allerlaatste moment in de procedure is overgelegd. Het hof verwerpt dat betoog en onderschrijft in dit verband de overwegingen van de kantonrechter en maakt die tot de zijne. Grief 1 in het incidenteel appel faalt in zoverre. Voor zover die grief ook het causaal verband tussen het handelen van COA en de geleden schade aan de orde stelt, zal dit hierna worden besproken.

9. Grief 2 in het principaal appel is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat VVC de schade bestaande uit gederfde huurinkomsten (een bedrag van € 1.146.510,00 minus de huurinkomsten ad € 317.832,00) onvoldoende heeft onderbouwd. Die grief faalt. COA heeft de gestelde schade reeds in eerste aanleg gemotiveerd weersproken en vragen gesteld bij de door VVC gepresenteerde vordering van Interparcs, terwijl VVC die schade noch bij haar “akte schade-onderbouwing” noch in hoger beroep van een deugdelijke nadere onderbouwing heeft voorzien, maar slechts heeft verwezen naar de door Interparcs geformuleerde vordering en – later – naar de gestelde maar door COA betwiste vaststellingsovereenkomst. Bij die stand van zaken kan niet zonder meer van de gestelde schade worden uitgegaan, terwijl een bewijsaanbod ontbreekt. Dat laat onverlet dat, zoals de kantonrechter heeft overwogen (rov. 24 van het bestreden vonnis), genoegzaam vaststaat dat Interparcs huurinkomsten heeft gederfd en dus dat VVC enige schade zal hebben geleden.

10. De grieven 3 en 4 in het principaal appel stellen de door de kantonrechter aangenomen eigen schuld aan de orde. Bij beoordeling van die grieven neemt het hof tot uitgangspunt dat in de brief van Interparcs van 28 maart 2008 aan VVC is neergelegd dat VVC en Interparcs op 26 maart 2008 hebben gesproken over de huur door VVC van 582 bedden op recreatiepark Groot Bartje voor de plaatsing van vreemdelingen en overeenstemming hebben bereikt over de voorwaarden (waaronder de huurperiode en de huursom) van die verhuur. COA heeft daaraan, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, de conclusie verbonden dat tussen VVC en Interparcs een overeenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot Groot Bartje vóórdat tussen COA en VVC over die locatie is gesproken en daarover een overeenkomst tot stand is gekomen. VVC heeft die conclusie niet weersproken, maar heeft zich in hoger beroep ook zelf op het standpunt gesteld dat de overeenkomst met Interparcs vóór 28 maart 2008 tot stand is gekomen. Zij verwijst daarbij nadrukkelijk naar de brief van 28 maart 2008 (paragraaf 8 memorie van grieven), waarin de datum 26 maart 2008 is genoemd. Het hof zal er in het navolgende daarom verder vanuit gaan dat de overeenkomst tussen VVC en Interparcs is gesloten vóórdat (tijdens de tweede bespreking op 27 maart 2008) tussen VVC en COA een overeenkomst met betrekking tot huisvesting van Chinese vreemdelingen op recreatiepark Groot Bartje tot stand kwam.

11. Het standpunt van VVC dat haar niet kan worden tegengeworpen dat zij onvoorwaardelijk met Interparcs heeft gecontracteerd omdat COA ook onvoorwaardelijk met haar contracteerde, stuit reeds op het bovenstaande af. Toen VVC met Interparcs contracteerde, had zij met COA immers nog niet gesproken over de voorwaarden van de met COA te sluiten overeenkomst, nog daargelaten dat COA zich op het standpunt stelt dat zij nimmer een onvoorwaardelijke overeenkomst met Interparcs heeft willen sluiten. Wat er voorts ook zij van het “de pot verwijt de ketel-argument” van VVC (memorie van antwoord VVC onder 6, 7 en 11), het feit dat ook COA achteraf bezien beter anders had kunnen contracteren, laat onverlet dat de door VVC geleden schade mede het gevolg is haar eigen handelen en daarom niet geheel voor rekening van COA kan worden gebracht.

12. Ook overigens onderschrijft het hof het oordeel van de kantonrechter met betrekking tot de eigen schuld van VVC. Het ging hier immers om plaatsing van een groot aantal vreemdelingen en het moet een professionele partij als VVC ook in 2008 bekend zijn geweest dat een dergelijke plaatsing op bezwaren van de plaatselijke bevolking en het betrokken lokale bestuur kan stuiten. Het had dan ook zonder meer op haar weg gelegen om in de overeenkomst met Interparcs een voorziening te treffen voor het geval de plaatsing van die vreemdelingen niet door zou kunnen gaan. Voor zover haar de mogelijkheid van dergelijke problematiek niet reeds bekend was, was die haar in ieder geval op 28 maart 2008 en voordat VVC de brief van 28 maart 2008 voor akkoord ondertekende bekend, zo volgt immers uit de inhoud van die brief zelf. In ieder geval had VVC op dat moment er niet gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat er geen belemmeringen zouden zijn om de vreemdelingen te plaatsen en heeft zij te voortvarend opgetreden door in te stemmen met een onvoorwaardelijke overeenkomst.

13. Het hof passeert in dit verband de stelling van VVC dat Interparcs niet met een voorwaardelijke overeenkomst zou hebben ingestemd, althans niet met een overeenkomst die het mogelijk zou maken dat VVC zich al op 9 april 2008 van haar contractuele verplichtingen zou kunnen bevrijden. Als dat inderdaad het geval was - VVC spreekt in haar akte van 12 augustus 2010 over een “gouden kans” die zich voordeed - had zij daardoor juist gealarmeerd moeten worden en zich ervan bewust moeten zijn dat het aan haar was om te kiezen tussen ofwel het afzien van het sluiten van een onvoorwaardelijke overeenkomst ofwel het welbewust nemen van een risico. VVC heeft nog aangevoerd dat het in strijd met ieder gevoel van rechtvaardigheid c.q. de normen van redelijkheid en billijkheid zou zijn dat een partij die op verzoek van een overheidsorgaan zich inspant om dat overheidsorgaan behulpzaam te zijn bij het onderbrengen van vreemdelingen, dan nu zelf de financiële consequenties zou moeten dragen van de omstandigheid dat datzelfde orgaan zonder voorbehoud een overeenkomst met haar sluit (MvG 19). Voor zover VVC daarmee wil suggereren dat het geen optie zou zijn geweest om niet met Interparcs te contracteren, volgt het hof haar daarin niet aangezien het (ook) voor VVC om een commerciële transactie ging ten aanzien waarvan zij de vrijheid had die al dan niet aan te gaan.

14. Gelet op het bovenstaande deelt het hof het oordeel van de kantonrechter met betrekking tot de mate van eigen schuld van VVC en de conclusie van de kantonrechter dat VVC, wanneer zij een voorwaarde in haar overeenkomst met Interparcs zou hebben opgenomen, zij die op 9 april 2008 had kunnen inroepen. De grieven 3 en 4 stuiten daarop af. Aangezien VVC geen grief heeft gericht tegen de daarop volgende schadebegroting in overweging 26 van het vonnis, volgt het hof ook die schadebegroting (behoudens voor zover in het incidenteel appel daarover nog anders wordt geoordeeld).

15. Bij grief 1in het principaal appel, die op zichzelf terecht tot uitgangspunt neemt dat het dwangsombesluit van de gemeente bij het sluiten van de overeenkomst met Interparcs nog niet bekend was, bestaat gelet op het bovenstaande geen afzonderlijk belang. Daarom falen de grieven in het principaal appel.

16. COA heeft gesteld dat het causaal verband tussen haar handelen enerzijds en de schade anderzijds ontbreekt, omdat de overeenkomst tussen VVC en Interparcs reeds was gesloten voordat er een overeenkomst met COA was gesloten. Hoewel juist is dat VVC de overeenkomst met Interparcs sloot voordat zij met COA overeenstemming bereikte over de huur van Groot Bartje, en zij deze overeenkomst dus op eigen risico sloot, was dat risico na het sluiten van de overeenkomst met COA afgedekt. Doorslaggevend is dat de schade is ontstaan doordat COA de met haar gesloten overeenkomst niet is nagekomen. Die schade kan dan ook als gevolg van haar handelen (nalaten) aan haar worden toegerekend. In zoverre is niet relevant dat de overeenkomst tussen VVC en Interparcs reeds daarvoor tot stand was gekomen. Het gegeven dat de overeenkomst tussen VVC en Interparcs al eerder was gesloten, kan daarom het causaal verband tussen de latere tekortkoming van COA en de schade niet meer doorbreken. De overige omstandigheden die COA in dit verband noemt zijn geen omstandigheden die het causaal verband doorbreken, maar omstandigheden die bij de mate van eigen schuld een rol spelen en in dat verband in acht zijn genomen.

17. Grief 2 in het incidenteel appel richt zich tegen de toewijzing van de post “ontruiming ter plekke” van € 16.242,-. Het COA betwist die post. Deze post is opgenomen in de schade-opstelling van Interparcs van 19 maart 2009 (productie 1 achter de als productie 1 in eerste aanleg overgelegde dagvaarding in de procedure tussen Interparcs en VVC). In het arrest van 23 april 2013 is overwogen dat deze post als zodanig voor vergoeding in aanmerking moet komen. COA wijst er echter terecht op dat deze post niet (verder) is onderbouwd. Het lag, gelet op de nadrukkelijke betwisting door COA in hoger beroep, op de weg van VVC om die post alsnog nader te onderbouwen. VVC stelt in haar memorie van antwoord in het incidenteel appel dat zij daartoe in staat is, maar zij laat niettemin na dat te doen. Bij die stand van zaken moet de conclusie zijn dat VVC deze schadepost tegenover de betwisting door COA van een onvoldoende onderbouwing heeft voorzien. Het hof passeert het bewijsaanbod van VVC dat ertoe strekt dat VVC in de gelegenheid wordt gesteld bij akte deze post nader te onderbouwen, omdat van VVC had mogen worden verwacht de stukken waarop zij zich kennelijk wenst te beroepen, direct (uiterlijk) bij haar memorie van antwoord in het incidenteel appel in het geding te brengen.

18. Grief 3 in het incidenteel appel komt op tegen de schadebegroting in overweging 32 van het bestreden vonnis en heeft betrekking op de winstderving door VVC. COA stelt dat de schadepost onvoldoende is onderbouwd. Het hof verwerpt dat betoog omdat dit deel van de schade deels schattenderwijs moet worden begroot. Mede gelet op de verstreken tijd is een exacte berekening niet goed meer te maken. Tegen de achtergrond daarvan onderschrijft het hof het oordeel van de kantonrechter dat bij een afweging van de goede en kwade kansen van een bezetting van 15% van de voor VVC winstgevende bedden moet worden uitgegaan.

19. Grief 4 in het incidenteel appel voert terecht aan dat de kantonrechter ten onrechte de wettelijke handelsrente heeft toegewezen. Omdat VVC dit ook onderkent en haar vordering in hoger beroep op dit punt heeft verminderd, bestaat bij deze grief geen belang.

20. Het door COA geformuleerde bewijsaanbod voldoet niet aan de eisen die daaraan in hoger beroep mogen worden gesteld en zal dus reeds om die reden worden gepasseerd.

21. Het bovenstaande brengt mee dat de grieven in het principaal appel falen. VVC zal worden veroordeeld in de kosten van het principaal appel. Grief 2 in het incidenteel appel slaagt, terwijl de overige grieven falen. Het vonnis van de kantonrechter zal daarom worden vernietigd voor zover daarin een bedrag van € 54.072,- is toegewezen in plaats van € 37.830,- en voor zover de wettelijke handelsrente is toegewezen. In plaats daarvan zal de wettelijke rente worden toegewezen over de schade van € 37.830,- en € 9.613,50. Het bestreden vonnis wordt voor het overige bekrachtigd. Partijen zijn in het incidenteel appel over en weer in het ongelijk gesteld, zodat de kosten van het geding zullen worden gecompenseerd in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

Beslissing

Het hof:

in het principaal appel:

- verwerpt het beroep;

- veroordeelt VVC in de kosten van het geding, aan de zijde van COA begroot op € 5.114,- aan verschotten en € 6.526,- voor salaris advocaat, te vermeerderen met de nakosten van € 205,- dan wel, indien betekening plaatsvindt, € 273,- en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in het incidenteel appel:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 15 mei 2014, doch uitsluitend voor zover daarbij COA is veroordeeld tot betaling van € 54.072,- in plaats van € 37.830,- en voor zover daarbij de wettelijke handelsrente is toegewezen,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

  • -

    bekrachtigt het vonnis voor het overige;

  • -

    veroordeelt COA tot betaling van € 37.830,-;

  • -

    veroordeelt COA tot betaling van de wettelijke rente over de toegewezen schade van € 37.830,- en € 9.613,50 vanaf 10 juni 2008 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.J. van der Helm, E.M. Dousma-Valk en T.G. Lautenbach en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 mei 2016 in aanwezigheid van de griffier.