Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:1349

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
26-04-2016
Datum publicatie
13-05-2016
Zaaknummer
BK-15/00809
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:3891, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of belanghebbende heeft gedaan wat hij ter voldoening van de door hem verschuldigde parkeerbelasting gehouden was te doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2016/269 met annotatie van S. BOSMA
V-N Vandaag 2016/1058
V-N 2016/38.24.18
FutD 2016-1276
NTFR 2016/1533 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-15/00809

Uitspraak van 26 april 2016

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, de heffingsambtenaar,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (hierna: de Rechtbank) van 5 juni 2015, nummer ROT 14/8865, betreffende de onder 1.1 vermelde aanslag.

Naheffingsaanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

Aan belanghebbende is op 14 september 2014 een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Rotterdam opgelegd. De naheffingsaanslag beloopt € 1,67 aan parkeerbelasting en € 58 aan kosten van naheffing, in totaal derhalve € 59,67.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar bij uitspraak, gedagtekend 4 december 2014, afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake is een griffierecht geheven van € 45. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Ter zake is een griffierecht geheven van € 123.

2.2.

De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

2.3.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 16 maart 2016, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1.

Op 14 september 2014, omstreeks 15.40 uur, heeft belanghebbende zijn auto met het kenteken [Y] geparkeerd op een parkeerplaats aan de [A] ter hoogte van de [B] te [Z] (hierna: de parkeerplek).

3.2.

In de nabijheid van de parkeerplek staat een bord waarop onder meer is aangegeven dat men, om een parkeerautomaat te bereiken, de [B] in dient te lopen. Aan het einde van de [B] staat geen bord met een aanwijzing hoe men (verder) dient te lopen om een parkeerautomaat te bereiken.

3.3.

In de straat waarop de [B] in een T-kruising uitkomt is, gezien vanaf de T-kruising, in beide richtingen geen parkeerautomaat zichtbaar.

3.4.

Enkele honderden meters links van de T-kruising staat een parkeerautomaat (aan de [C] nabij de [D] ), doch deze wordt, gezien vanaf de T-kruising, door bomen en struiken aan het oog onttrokken.

3.5.

Tijdens een controle op voormelde plaats, datum en tijdstip heeft een parkeercontroleur geconstateerd dat in de desbetreffende auto geen geldige parkeervergunning of geldig parkeerkaartje aanwezig was.

3.6.

Naar aanleiding daarvan is de onderwerpelijke naheffingsaanslag opgelegd.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

In geschil is of belanghebbende heeft gedaan wat hij ter voldoening van de door hem verschuldigde parkeerbelasting gehouden was te doen. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de heffingsambtenaar daarentegen ontkennend.

Niet in geschil is dat belanghebbende ter zake van het parkeren op de parkeerplek parkeerbelasting verschuldigd was en dat hij dit ook wist.

4.2.

Belanghebbende voert ter onderbouwing van zijn standpunt - samengevat – het volgende aan. Hij is op 14 september 2015 met zijn gezin naar Diergaarde Blijdorp gegaan. Het was een drukke dag; alle parkeerplaatsen bij de Diergaarde waren bezet. Daarom heeft hij, net als veel andere bezoekers van de Diergaarde, in de omgeving naar een parkeerplaats gezocht. Hij wist dat ter plaatse alleen tegen betaling mocht worden geparkeerd. Vanaf de plaats waar hij zijn auto heeft geparkeerd, was geen parkeerautomaat te zien. Wel was er een bord waarop was aangegeven dat hij, om een parkeerautomaat te vinden, een zijstraat (de [B] ) in moest lopen. Die aanwijzing heeft hij opgevolgd. Daarna heeft hij ten minste tien minuten tevergeefs gezocht naar een parkeerautomaat. Er waren geen borden met aanwijzingen hoe verder te lopen om een parkeerautomaat te bereiken. Belanghebbende heeft alles gedaan wat redelijkerwijs van hem verlangd kon worden om de verschuldigde parkeerbelasting te betalen. Hij heeft voldaan aan zijn onderzoeksplicht. De gemeente Rotterdam dient het mogelijk te maken om op loopafstand van een betaaldparkerenplaats binnen een redelijke tijd parkeerbelasting te voldoen, onder meer door op plaatsen waar geen parkeerautomaat te bekennen is –zoals op de parkeerplek waar belanghebbende heeft geparkeerd - duidelijk aan te geven hoe men bij een parkeerautomaat kan komen. Het door de heffingsambtenaar overgelegde overzicht, waarin melding wordt gemaakt van 273 betalingen van parkeerbelasting op 14 september 2015 in de (omgeving van de) [A] , rechtvaardigt niet de daaruit door de heffingsambtenaar getrokken conclusie dat belanghebbende ook een betaalautomaat had kunnen vinden. Het is aannemelijk dat deze betalingen zijn gedaan door parkeerders die hebben geparkeerd op een plek vanwaar zij een parkeerautomaat konden zien of die ter plaatse bekend waren en dus wisten waar zich een parkeerautomaat bevond. Voor belanghebbende gold het een noch het ander.

4.3.

De heffingsambtenaar heeft de standpunten van belanghebbende gemotiveerd weersproken.

Conclusies van partijen

5.1.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar alsmede tot vermindering van de naheffingsaanslag met het bedrag van de kosten van de naheffing.

5.2.

De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Recht-bank.

Oordeel van de rechtbank

6. De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen:

"(…)

4.1.

De beroepsgrond dat [belanghebbende] onvoldoende in de gelegenheid gesteld is parkeerbelasting te voldoen, faalt. Uit de door [de heffingsambtenaar] overgelegde stukken blijkt dat er voldoende en duidelijke aanduidingsborden ter plaatse aanwezig zijn. Daarbij is gebleken dat er op 14 september 2014 in totaal 273 betalingen zijn verricht bij de parkeerautomaten in de [A] en directe omgeving.

4.2.

Gelet op de overgelegde stukken van [de heffingsambtenaar] acht de rechtbank het onaannemelijk dat het voor eiser onmogelijk was een parkeerautomaat te vinden en de parkeerbelasting te voldoen.

4.3.

De beroepsgrond dat de naheffingsaanslag een buiten proportionele straf is faalt. Bij naheffing is geen sprake van het opleggen van een straf, maar van het heffen van belasting vermeerderd met een bedrag aan kosten die zijn gemoeid met het opleggen van de naheffingsaanslag. De rechtbank verwijst hierbij naar een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 27 november 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:4515.

5. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Wel ziet de rechtbank aanleiding [de heffingsambtenaar] op te dragen aan [belanghebbende] zijn griffierecht te vergoeden. Immers, in bezwaar voert hij aan dat hij de naheffingsaanslag een buiten proportionele straf vindt. In de uitspraak op bezwaar wordt daar door [de heffingsambtenaar] niet op ingegaan. Pas nadat [belanghebbende] beroep heeft ingesteld wordt door [de heffingsambtenaar] specifiek op zijn gronden ingegaan. Mocht deze motivering reeds in de uitspraak op bezwaar zijn gegeven, had [belanghebbende] wellicht niet in beroep hoeven komen."

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

Belanghebbende heeft gesteld en het Hof acht, gelet op de onder 4. vermelde feiten en hetgeen partijen overigens over en weer hebben aangevoerd, aannemelijk dat belanghebbende, hoewel hij de aanwijzing op het bord nabij de parkeerplek over de looproute naar een parkeerautomaat heeft opgevolgd, geen parkeerautomaat heeft kunnen vinden. Het Hof volgt de heffingsambtenaar niet in diens standpunt dat belanghebbende, ook bij het ontbreken van voldoende aanwijzingen over de looproute naar een parkeerautomaat, had moeten blijven zoeken naar een parkeerautomaat, net zolang totdat hij er één gevonden had. Naar het oordeel van het Hof was belanghebbende niet gehouden tot het ondernemen van een dergelijke in tijd en afstand onbeperkte zoektocht naar een parkeerautomaat.

7.2.

Belanghebbende heeft gesteld en de heffingsambtenaar heeft niet weersproken dat belanghebbende ten minste tien minuten naar een parkeerautomaat heeft gezocht. Daarmee heeft belanghebbende gedaan wat hij onder de gegeven omstandigheden gehouden was te doen ter voldoening van de door hem verschuldigde parkeerbelasting.

7.3.

Op grond van het vorenstaande beantwoordt het Hof de in geschil zijnde vraag bevestigend. Dit brengt naar het oordeel van het Hof mee dat de heffingsambtenaar onder de gegeven omstandigheden had moeten afzien van het in rekening brengen van kosten ter zake van het opleggen van de naheffingsaanslag. De naheffing van de parkeerbelasting ten bedrage van € 1,67 laat het Hof in stand. Hierbij neemt het Hof in aanmerking dat de vaststaande feiten geen andere conclusie toelaten dan dat belanghebbende ter zake van het parkeren parkeerbelasting verschuldigd was, dat gesteld noch gebleken is dat het nageheven bedrag van € 1,67 meer is dan het op grond van de Verordening verschuldigde bedrag en – ten overvloede – dat belanghebbende bij herhaling heeft verklaard de verschuldigde parkeerbelasting te willen voldoen.

Slotsom

7.4.

Het hoger beroep is gegrond.

Procesrechten en griffierechten

8.1

Het Hof ziet geen aanleiding tot veroordeling van de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende omdat gesteld noch gebleken is dat belanghebbende voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt.

8.2

De heffingsambtenaar dient, nu het hoger beroep gegrond is, aan belanghebbende de griffierechten te vergoeden die belanghebbende in eerste aanleg (€ 45) en in hoger beroep (€ 123) heeft betaald.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de naheffingsaanslag met het bedrag van de kosten van de naheffingsaanslag tot € 1,67;

- gelast de heffingsambtenaar de in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierechten van in totaal € 168 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. G.J. van Leijenhorst, mr. J.J.J. Engel en mr. A.H.N. Stollenwerck, in tegenwoordigheid van de griffier mr. F.A. Mijnans. De beslissing is op 26 april 2016 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.