Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:1311

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
11-05-2016
Datum publicatie
12-05-2016
Zaaknummer
200.190.176/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Machtiging uithuisplaatsing pasgeboren baby. Moeder verdachte bij het overlijden van halfzus. Onduidelijk of strafproces volgt en wat uitkomsten daarvan zijn. Gedurende die periode van onduidelijkheid kan het niet zo zijn dat de minderjarige alleen om die reden niet bij de moeder kan opgroeien. Veiligheid op dit moment voldoende gewaarborgd. Belang op zo spoedig mogelijk aanvangen hechting weegt op dit moment het zwaarst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2016/114
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 11 mei 2016

Zaaknummer : 200.190.176/01

Rekestnummer rechtbank : JE RK 16-995

Zaaknummer rechtbank : C/10/498876

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west Zuid-Holland te Dordrecht,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: gecertificeerde instelling,

advocaat mr. E.M. de Lange te Den Haag,

tegen

[de moeder] ,

wonende op een bij de gecertificeerde instelling bekend adres,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. N. van Luijk te Breda.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De gecertificeerde instelling is op 26 april 2016 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 14 april 2016 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam.

De moeder heeft op 3 mei 2016 een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 2 mei 2016 heeft de raad bericht niet ter zitting te zullen verschijnen.

Voorts zijn bij het hof de volgende stukken ingekomen:

  • -

    op 3 mei 2014 een brief van de gecertificeerde instelling van diezelfde datum met bijlagen;

  • -

    op 3 mei 2014 een brief van de moeder van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 4 mei 2016 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    mevrouw [A] en mevrouw [B] namens de gecertificeerde instelling, bijgestaan door mr. mevrouw mr. S. Sedlik (kantoorgenote van mr. E.M. de Lange);

  • -

    de advocaat van de moeder;

  • -

    mevrouw [C] namens de raad.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is het verzoek van de gecertificeerde instelling, strekkende tot uithuisplaatsing van het ongeboren kind in een ziekenhuis, gezinshuis, dan wel een voorziening voor pleegzorg verzocht voor de duur van de ondertoezichtstelling, afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat vast dat bij beschikking van 15 januari 2016 het ongeboren kind van de moeder onder toezicht is gesteld tot 31 december 2016.

In hoger beroep is voorts gebleken dat de moeder is bevallen van een dochter [in] 2016 in een ziekenhuis te [geboorteplaats] , hierna te noemen: de minderjarige.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. Aan de orde is het verzoek tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een ziekenhuis, gezinshuis, dan wel een voorziening voor pleegzorg, tot 31 december 2016.

2. De gecertificeerde instelling verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het inleidend verzoek van de gecertificeerde instelling alsnog toe te wijzen.

3. De moeder verzoekt het beroep van de gecertificeerde instelling af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen

4. De gecertificeerde instelling voert het volgende aan. De ondertoezichtstelling biedt onvoldoende waarborgen om de veiligheid van de minderjarige te waarborgen. Uithuisplaatsing is noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke toestand. De aanname van de kinderrechter dat de focus in het lopende strafrechtelijk onderzoek naar de dood van [halfzus] , overleden [in] 2015 toen zij acht maanden oud was, niet meer bij de moeder ligt, is onjuist. In afwachting van het onderzoek is nog geen beslissing omtrent al dan niet vervolging genomen. Het e-mailbericht van de advocaat van de moeder in de strafzaak gericht aan de advocaat van de moeder in de onderhavige zaak, bevat naar de mening van de gecertificeerde instelling zijn persoonlijke visie. Nog daargelaten dat de gecertificeerde instelling voorafgaand aan de behandeling ter zitting de inhoud van het faxbericht en de bijlagen van de advocaat van de moeder niet kende, acht de gecertificeerde instelling het opmerkelijk dat de kinderrechter uit confraternele e-mailcorrespondentie de conclusie trekt dat de focus in de strafzaak niet langer bij de moeder ligt. Tot op heden is geen zicht op gezinsopname van de moeder en de minderjarige na de geboorte en het verblijf in het ziekenhuis. Zowel de moeder als de gecertificeerde instelling heeft zich ervoor ingespannen om hulp in te zetten na de geboorte. Met diverse wettelijke erkende zorginstellingen die expertise hebben op de problematiek van de moeder en de actuele situatie rondom de strafzaak is contact opgenomen. Yulius heeft na de mondelinge behandeling van het onderhavig verzoek bij de kinderrechter te kennen gegeven af te zien van een behandeling in een moeder-kindproject aangezien het niet in de rede ligt een behandeling in te zetten indien sprake is van een overlijden van een kind met een onnatuurlijke doodsoorzaak. De verwachting is dat ook De Bascule om diezelfde reden af zal zien van behandeling. De GGZ Drenthe – een behandelcentrum met specifieke kennis op het gebied van gezinsbehandeling na een onnatuurlijke dood – overweegt een intaketraject. Dit traject is nodig om te onderzoeken of aan alle veiligheidsaspecten is voldaan. Daarnaast is voor hen van belang zicht te hebben op de uitkomst van de strafzaak zodat zij de insteek van de behandeling kunnen bepalen. Pas daarna kan er worden overgegaan tot plaatsing en behandeling. Met verwijzing naar het rapport van de raad van 18 december 2015 betreffende de ondertoezichtstelling stelt de gecertificeerde instelling dat de moeder wispelturig is in haar bereidwilligheid ten aanzien van haar medewerking aan hulpverlening. De huidige door de moeder benaderde hulpverlening is gericht op ondersteuning bij haar (psychiatrische) problematiek, dan wel het versterken en opbouwen van haar leven. Deze op de moeder gerichte hulpverlening heeft niet als insteek de veiligheid en interactie tussen de moeder en de minderjarige. Dit maakt dat de hulpverlening onvoldoende kan bijdragen aan een veilige situatie met een structureel solide basis. Daarnaast heeft het verleden laten zien dat de moeder de hulpverlening om zich heen verzamelt op de momenten dat zij geen partner in haar leven heeft, maar zodra hier wel sprake van is, keert zij zich van de hulpverlening af en weet zij die dus niet te benutten. Vooralsnog is niet duidelijk welke medische zorg de minderjarige direct na de geboorte nodig zal hebben. Het kind heeft een hartafwijking en zal hiervoor kort na de geboorte een operatie moeten ondergaan. Overleg met het medisch team van het [ziekenhuis] heeft uitgewezen dat het onzeker is hoe lang de minderjarige in het ziekenhuis zal moeten verblijven. De kans bestaat dus dat de minderjarige relatief snel met de moeder mee mag. De kinderrechter had dan ook niet kunnen concluderen dat de minderjarige gedurende de eerste maanden na de geboorte niet met de moeder alleen zal wonen. De minderjarige is kwetsbaar en behoeft de nodige medische zorg en begeleiding. Niet staat vast dat de minderjarige gedurende de eerste maanden na de geboorte zal verblijven bij, en onder toezicht zal staan van de medische zorg en dus niet alleen met de moeder woont. Het is noodzakelijk dat de minderjarige in een veilige en stabiele opvoedsituatie wordt verzorgd.

5. De moeder verweert zich daartegen als volgt. De uithuisplaatsing is op dit moment een te vergaand middel waarop op dit moment geen gronden aanwezig zijn. De moeder betreurt het dat de gecertificeerde instelling dusdanig heeft gehandeld dat zij in de laatste periode van haar zwangerschap daarvan niet heeft kunnen genieten en in het belang van de minderjarige zo min mogelijk stress en spanning heeft gekend. De focus in de lopende strafzaak lijkt niet langer op de moeder te liggen. Er is op dit moment geen sprake van een daadwerkelijke vervolging, laat staan een veroordeling. Tot op heden is er geen definitieve beslissing genomen over verdere vervolging of niet. De moeder verwacht niet dat de Officier van Justitie zal bevestigen dat de verdenking is afgenomen of dat de focus op dit moment op de ex-partner van de moeder lijkt te liggen. Dat er op dit moment geen definitief uitsluitsel is in de strafzaak kan en mag de moeder niet steeds worden tegengeworpen. Afhankelijk van het verdere verloop kan dit maanden tot jaren duren. De gecertificeerde instelling frustreert alternatieve mogelijkheden zoals hulp door Het Kompas door zich ten aanzien van die instelling op het standpunt te stellen dat de halfzus van de minderjarige door huiselijk geweld door de moeder om het leven is gekomen. De gecertificeerde instelling stelt voorts ten onrechte dat sprake is van een niet-natuurlijke doodsoorzaak van de halfzus van de minderjarige. Nog niet is uitgesloten dat mogelijk sprake is van andere oorzaken van de dood van de halfzus. De gecertificeerde instelling werpt de moeder steeds tegen dat er geen onderzoek heeft plaatsgevonden in het Pieter Baan Centrum. Zij heeft op advies van haar advocaat daaraan niet meegewerkt, omdat dit geen toegevoegde waarde heeft. De moeder ontkent een aandeel te hebben in het overlijden van de halfzus van de minderjarige. Zij belemmert het onderzoek of de waarheidsvinding niet en heeft meerdere malen meegewerkt aan de verhoren en de onderzoeken in het kader van het strafrechtelijk onderzoek. Als alternatief heeft de moeder aangeboden een onderzoek te laten plaatsvinden door Yulius. Terecht merkt de gecertificeerde instelling op dat dit niet vergelijkbaar is met het onderzoek door het Pieter Baan Centrum. De moeder heeft er alles aan gedaan om dit onderzoek door Yulius te laten plaatsvinden en heeft hieraan haar medewerking verleend. Yulius heeft echter geconstateerd dat vanwege de zwangerschap, complicaties, dreigende uithuisplaatsing en stressfactoren (waaronder de gecertificeerde instelling) nu niet tot een betrouwbaar beeld kan worden gekomen en onderzoek om die reden niet plaats zal vinden. Dat er geen volledig persoonlijkheidsonderzoek heeft kunnen plaatsvinden is aan de gecertificeerde instelling te wijten, nu zij de druk en stress enkel hebben opgevoerd. Verder verwijst de moeder naar bijlage 4 bij productie 3 van het beroepschrift waaruit blijkt welke hulpverlening er rondom de moeder is betrokken. Op haar initiatief is er een casusconferentie georganiseerd waarbij alle betrokkenen en hulpverleners aanwezig zijn geweest. De moeder staat open voor hulpverlening en maakt hiervan gebruik. Een gesuggereerde mogelijkheid dat moeder hulpverlening af zal houden in geval van een nieuwe partner acht de moeder onvoldoende grond voor een machtiging uithuisplaatsing. Een nieuwe partner is in het geheel niet aan de orde, daarbij wordt aan dit punt expliciet aandacht besteed in de behandelingen van Yulius. Van borderline is bij de moeder geen sprake. Ook is zij geen pathologische leugenaar. De moeder heeft hard gezocht naar alternatieven. Per juni/juli 2016 kan zij deelnemen aan een traject bij Siriz. De moeder wordt dan opgenomen in een leef-/leerhuis waar 24-uurstoezicht en begeleiding is. De veiligheid van de minderjarige is hierdoor voldoende gewaarborgd. Ook familie van de moeder verklaart dat de moeder met haar kind(eren) bij hen kan intrekken, waarna zij begeleiding en zonodig toezicht kunnen bieden. Ook zijn zij bereid om als pleeggezin op te treden. Overigens stelt de moeder dat de minderjarige naar verwachting de eerste weken tot maanden in het ziekenhuis moeten blijven in afwachting en in het kader van herstel van de noodzakelijke hartoperatie. De moeder zal de minderjarige niet onttrekken aan de noodzakelijke medische zorg.

6. De raad heeft ter zitting kenbaar gemaakt dat hij zich verenigt met het standpunt van de gecertificeerde instelling.

7. Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW de rechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

8. Het hof overweegt als volgt. Het ten tijde van de beslissing in eerste aanleg bedoelde ongeboren kind is [in] 2016 geboren. Het gaat om een kind van het vrouwelijk geslacht. [In] 2015 is [halfzus] , de op dat moment negen maanden oude dochter van de moeder, overleden. De gecertificeerde instelling heeft een e-mailbericht overgelegd van 8 april 2016 verzonden namens de Officier van Justitie. Daarin staat de conclusie uit het definitieve sectierapport (pathologisch onderzoek) van 29 februari 2016 vermeld. Die conclusie luidt als volgt. [halfzus] is overleden als gevolg van verwikkelingen van bij het leven opgelopen acceleratie/deceleratie/impact letsel op het hoofd en samendrukkend en/of omsnoerend geweld om de hals en de nek. Beide geweldsvormen kunnen zowel gezamenlijk als apart het intreden van de dood verklaren. Zowel de moeder als haar voormalige partner (de biologische vader van de minderjarige) zijn verdachten bij het overlijden van [halfzus] . De voorlopige hechtenis van de moeder is op 10 december 2015 beëindigd. Er vindt op dit moment tevens een onderzoek plaats door de heer Galjaard, klinisch geneticus, die van mening is dat een stofwisselingsziekte mogelijk de doodsoorzaak is van het overlijden van [halfzus] . Het is op dit moment dan ook onduidelijk of er een strafproces zal volgen en zo ja, wat de uitkomsten hiervan zullen zijn. Het strafrechtelijk onderzoek en het mogelijk daarop volgende strafproces kunnen nog jaren duren. Het kan naar het oordeel van het hof niet zo zijn dat gedurende die mogelijk langdurige periode van onzekerheid alleen om die reden de minderjarige niet bij de moeder kan opgroeien. Daarvoor moet een goede reden aanwezig zijn. Als baby is een minderjarige immers volledig afhankelijk van zijn verzorgers. Gelet op het overlijden van [halfzus] , is het dan ook van groot belang dat de veiligheid van de minderjarige voldoende is verzekerd. Op dit moment is de veiligheid van de minderjarige naar het oordeel van het hof voldoende gewaarborgd. Immers, de minderjarige en de moeder verblijven thans in het [ziekenhuis] . Vanwege haar hartafwijking, is de verwachting dat de minderjarige de aankomende periode aldaar zal verblijven. Zou dit niet het geval zijn, dan heeft de moeder toegezegd dat zij - zo nodig op eigen kosten - zal verblijven in het Geboortecentrum Sophia te [plaats] . Indien de minderjarige wordt behandeld voor haar hartafwijking, zal de moeder verblijven in het Ronald McDonaldhuis in [plaats] . In al die instellingen is er (vierentwintig uurs) begeleiding voor de moeder. Vanaf 1 juli 2016 dan wel 1 augustus 2016 bestaat de mogelijkheid dat de moeder met de minderjarige zal verblijven in het moeder-kindhuis Siriz. Ook de GGZ Drenthe heeft de mogelijkheid om de moeder met de minderjarige op termijn op te vangen. Hoewel de moeder bestrijdt dat zij lijdt aan borderline, kan het hof, met de raad, niet anders dan concluderen dat aan haar zijde sprake is van persoonlijke problematiek, nu zij zich in het verleden heeft verloren in haar relaties met de drie vaders van haar kinderen. In die relaties was steeds sprake van huiselijk geweld. De moeder ontvangt voor een deel van haar problematiek thans diverse hulpverlening en zij staat ook open voor meer andersoortige hulpverlening.

9. Hoewel het hof oog heeft voor de problematiek rondom de moeder en de minderjarige, is het hof alle omstandigheden afwegende, van oordeel dat de noodzaak van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige op dit moment ontbreekt. Het belang op het zo spoedig mogelijk aanvangen met de noodzakelijke hechting van de minderjarige aan de moeder weegt in de onderhavige situatie daarbij het zwaarst. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat er tot op het moment van het overlijden van [halfzus] , geen zorgen waren over de verzorging en opvoeding van [halfzus] en die van de oudere halfzus van de minderjarige. Zij waren niet onder toezicht gesteld en niet uit huis geplaatst.

10. Het hof zal dan ook de bestreden beschikking bekrachtigen. Het hof gaat er daarbij wel van uit dat de moeder goed blijft samenwerken met de hulpverlening, zodat haar situatie adequaat in kaart gebracht en gevolgd kan worden. Daarnaast is het noodzakelijk dat zo spoedig mogelijk een persoonlijkheidsonderzoek zal plaatsvinden en de op basis daarvan noodzakelijke hulpverlening zal worden ingezet en dat de moeder daaraan alle medewerking verleent. Het hof gaat ervan uit dat de moeder de aanwijzingen van de gecertificeerde instelling in het kader van de ondertoezichtstelling zal opvolgen en dat de gecertificeerde instelling in dat kader op de onderhavige omstandigheden toegespitst toezicht zal uitoefenen en extra alert zal zijn indien de moeder een nieuwe relatie aan gaat. Indien de noodzaak daartoe bestaat kan de gecertificeerde instelling dan wel de raad verzoeken om een spoedmachtiging uithuisplaatsing. Het hof gaat er tevens van uit dat de moeder en de gecertificeerde instelling alles in het werk zullen stellen om op korte termijn duidelijkheid te verkrijgen over de opvang van de minderjarige en de moeder in een 24-uurssetting.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. L.F.A. Husson, M.J.C. Koens en I. Jansen, bijgestaan door mr. M.J. de Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
11 mei 2016.