Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:129

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-02-2016
Datum publicatie
11-02-2016
Zaaknummer
200.140.531/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

onrechtmatige overheidsdaad door opleggen en/of ten uitvoer leggen tbs-maatregel? Onrechtmatige rechtspraak? Onrechtmatige detentie? Gesloten stelsel van rechtsmiddelen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.140.531/01

Zaak/rolnummer rechtbank : C/09/441570/HA ZA 13-457

Arrest d.d. 2 februari 2016

inzake

[naam],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. S. Meeuwsen te Gorinchem,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. W.B. Gaasbeek te Den Haag.

Het geding

Bij exploot van 13 januari 2014 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 23 oktober 2013 dat de rechtbank Den Haag tussen partijen heeft gewezen (hierna: het bestreden vonnis). Bij memorie van grieven (met producties) heeft [appellant] drie grieven tegen het vonnis aangevoerd en zijn eis gewijzigd. De Staat heeft deze grieven bij memorie van antwoord (met productie) bestreden. Ten slotte hebben partijen, na beraad, arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Partijen zijn niet opgekomen tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank onder 2. van het bestreden vonnis, zodat het hof ook van deze feiten zal uitgaan. Gelet daarop en op hetgeen partijen overigens onweersproken hebben aangevoerd, gaat het in deze zaak, samengevat, om het volgende.

1.1.

[appellant] is bij vonnis van de rechtbank Dordrecht van 12 januari 2006 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden wegens mishandeling en het meermalen bedreigen met enig misdrijf tegen het leven gericht. Daarnaast is [appellant] veroordeeld tot terbeschikkingstelling en dwangverpleging (hierna: TBS) als bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

1.2.

In eerste aanleg is [appellant] door het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) onderzocht, aan welk onderzoek [appellant] heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen. Het PBC heeft op 29 november 2005 rapport uitgebracht. In dit rapport staat onder meer het volgende vermeld:

Op p. 27:

“(….) De betrouwbaarheid van de psychiatrische diagnostiek is duidelijk beperkt door de weigering van betr. om mee te werken aan dit onderzoek. Daardoor is het niet mogelijk tot een exacte psychiatrische diagnose te komen. De twijfel ten aanzien van de aard van de stoornis doet echter niets af aan het feit dat er thans sprake is van een ernstige psychiatrische stoornis en dus van een ernstige ziekelijke stoornis in de geestesvermogens [alle onderstrepingen in de citaten, ook die hieronder, zijn van het hof; bij de beoordeling wordt hiernaar verwezen].”

En onder het kopje “Conclusie”:

“Betr. is een 29-jarige man van Marokkaanse afkomst bij wie sprake is van een ernstige en langdurig aanwezige gedragsstoornis als gevolg van habituele achterdocht, van waaruit hij snel ervaart dat hem onrecht wordt aangedaan en waardoor hij snel boos wordt, die een langdurige afkeer van de westerse wereld en van het justitiële systeem in het bijzonder heeft, die sterk verlangt zijn zin te krijgen en vergaand, veelal agressief, gedrag vertoont wanneer aan zijn verlangens niet voldaan wordt.

Het is mede door de weigering van betr., niet mogelijk geweest deze gedragsstoornis van betrokkene met zekerheid en nauwkeurigheid te koppelen aan een specifieke psychiatrische classificatie. Met name wordt gedacht aan een persoonlijkheidsstoornis met paranoïde, antisociale en mogelijk ook narcistische trekken. Niet uitgesloten kan worden dat er sprake is van een (meer chronische) psychotische stoornis. In beide genoemde gevallen is er sprake van een diepgaande achterdocht.

Afgaande op de bij betr. aanwezige stoornis kan aangenomen worden dat de stoornis een doorwerking heeft in het denken, voelen en handelen van betrokkene op alle levensgebieden, en met name op het vlak van intermenselijke relaties. De context van het tenlastegelegde , namelijk een conflict tussen betr. en zijn partner, is bij uitstek een situatie waarin de stoornis zich zal doen gelden . A priori houdt betr. er rekening mee dat hij onrechtvaardig bejegend zal worden dan wel wordt. Eventuele reële conflicten en bedreigingen zal hij als veel sterker ervaren dan anderen. Bovendien is de kans groot dat hij conflicten of bedreigingen ervaart die anderen in het geheel niet zouden ervaren. Gezien zijn grote drang om zijn wensen af te dwingen, zal hij op de door hem ervaren conflicten en/of bedreigingen bovendien veel sterker reageren dan anderen. Gezien de antisociale kant van zijn persoonlijkheid zal hij minder dan anderen rekening houden met de belangen van anderen en met de gevolgen van zijn gedrag voor anderen. (…)

Het is gegeven de aanwezige stoornis , in de rondom het tenlastegelegde bestaande context, zeer waarschijnlijk dat de stoornis in meerdere of mindere mate zijn keuzen en zijn gedrag heeft beïnvloed en zijn wilsvrijheid om uit gedragsalternatieven te kunnen kiezen heeft beperkt.

Het feit dat er bij betr. sprake is van een diepgaande stoornis, die sterk doorwerkt in alle levensgebieden, en zeker in relaties, maakt het onaannemelijk dat deze stoornis geen doorwerking heeft gehad in het hem tenlastegelegde .

Het feit dat betr. niet meewerkt aan het onderzoek (….) maakt dat uitspraken over de exacte mate van doorwerking van de stoornis - zowel wat betreft de achterdocht als wat betreft zijn antisociale kanten - in het tenlastegelegde speculatief van aard zullen zijn.

Het is daarom dat het onderzoekend team geen uitspraak kan doen over de precieze doorwerking van de stoornis in het tenlastegelegde en zich onthoudt van een conclusie ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid. Derhalve wordt ook geen advies gegeven ten aanzien van een behandeling of begeleiding in een strafrechtelijk kader.”

1.3.

In het vonnis van 12 januari 2006 is met betrekking tot het rapport en de TBS onder meer het volgende opgenomen:

“(…) Bij het bepalen van de strafmodaliteit alsmede de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met de rapportage d.d. 29 november 2005 van [naam], psycholoog, en [naam], arts-assistent psychiatrie in samenwerking met [naam], psychiater naar aanleiding van een gedwongen opname van verdachte in het Pieter Baan Centrum, waaruit het navolgende - zakelijk weergegeven - naar voren is gekomen.

[hierna volgt een, niet helemaal letterlijk, citaat van de conclusie uit het rapport, zie r.o. 1.2. hierboven]

De rechtbank leidt uit het rapport van het Pieter Baan Centrum af dat verdachte door zijn weigerachtige houding een compleet onderzoek onmogelijk heeft gemaakt, waardoor geen eenduidig oordeel kon worden gegeven omtrent de mate van toerekeningsvatbaarheid en de vrees voor herhaling.

De rechtbank ziet overigens geen aanleiding om omtrent verdachte andermaal, of nader, te laten rapporteren: verdachte heeft de opname in het Pieter Baan Centrum in feite gesaboteerd en er is geen enkele indicatie dat hij zijn standpunt dienaangaande zal wijzigen.

De weigerachtige houding van verdachte brengt niet met zich dat relevante vragen omtrent de aanwezigheid van een gebrekkige ontwikkeling dan wel ziekelijke stoornis bij verdachte ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten, alsmede vragen omtrent het causale verband tussen de stoornis en die feiten, en de kans op recidive, niet kunnen worden beantwoord.

De rechtbank onderschrijft de bevindingen van het Pieter Baan Centrum met betrekking tot de aanwezigheid van persoonlijkheidsproblematiek bij de verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank staat derhalve vast dat de verdachte op het moment van zijn verblijf in genoemd centrum beschikte over een gebrekkige ontwikkeling dan wel een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens .

Bij de vraag of deze gebrekkige ontwikkeling dan wel ziekelijke stoornis eveneens ten tijde van de bewezen verklaarde strafbare feiten aanwezig was, dient vooropgesteld te worden dat de precieze gevolgen van vastgestelde psychopathie op de bewezen verklaarde feiten thans niet kunnen worden vastgesteld. Dit is echter enkel en alleen te wijten aan de pertinente weigering van de verdachte mee te werken aan gedragskundig onderzoek waarbij de verdachte ook overigens tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft geweigerd op enigerlei wijze inzicht te verschaffen in zijn drijfveren.

Het Pieter Baan Centrum heeft een uitvoerige persoonsproblematiek bij de verdachte vastgesteld. Nu het onderzoek bij het Pieter Baan Centrum heeft plaatsgevonden enkele maanden na de periode waarbinnen de bewezen geachte feiten zich hebben voorgedaan, heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat de geconstateerde persoonlijkheidsproblematiek ook reeds aanwezig was ten tijde van de onderhavige feiten .

Vereist is dat er een causaal verband tussen de gebrekkige ontwikkeling, dan wel ziekelijke stoornis en de gepleegde strafbare feiten bestaat. De door de rechtbank bewezen verklaarde feiten betreffen handelingen waarmee de verdachte inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Bij dit abnormale gedrag komt de bevinding van het Pieter Baan Centrum dat de verdachte lijdende is aan een persoonlijkheidsstoornis en de conclusie van de rechtbank dat zulks al het geval was ten tijde van het plegen van de feiten. Samen leidt dit tot de overtuiging bij de rechtbank dat er een causaal verband bestaat tussen deze feiten en de stoornis . Waar het hier gaat om zeer ernstige feiten en omstandigheden heeft de rechtbank die omstandigheid betrokken in haar bewijsredenering met betrekking tot de causaliteit.

Ter beantwoording van de vraag naar de kans op herhaling slaat de rechtbank acht op het feit dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke misdrijven en nadien onverminderd is doorgegaan met het plegen van gewelddadige delicten. De rechtbank gaat er derhalve van uit dat het recidiverisico groot is. Een risico dat onverminderd zal voortduren zolang de verdachte niet vanwege die stoornis is behandeld.

Bij het opleggen van een straf kan dan ook niet worden volstaan met het enkel opleggen van een gevangenisstraf, maar dient aan de verdachte ook de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging te worden opgelegd.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen het opleggen van die maatregel eist (….)”

1.4.

[appellant] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 4 december 2006 heeft het gerechtshof ’s-Gravenhage [appellant] eveneens tot een gevangenisstraf van 12 maanden en TBS veroordeeld. Hierbij heeft het hof onder meer het volgende overwogen:

“Naar aanleiding van het tenlastegelegde is de verdachte ter observatie naar het Pieter Baan Centrum overgebracht alwaar de gedragsdeskundigen [naam], psycholoog, [naam], psychiater en [naam], arts-assistent psychiatrie, omtrent de persoon van de verdachte hebben gerapporteerd. Uit dit rapport d.d. 29 november 2005 blijkt - zakelijk weergegeven - het volgende. [hierna volgt wederom een weergave van de conclusie uit het rapport, zie r.o. 1.2. hierboven]

Ter terechtzitting in hoger beroep van 20 november 2006 is de psycholoog [naam] als getuige-deskundige gehoord en heeft hij zijn bevindingen en vorenbedoelde conclusies nader toegelicht. De getuige-deskundige heeft ter terechtzitting onder meer verklaard dat de conclusies in het rapport - ondanks de handicap dat een op basis van de stukken opgestelde werkhypothese door de weigering van de verdachte om aan het onderzoek mee te werken niet kon worden getoetst - door alle bij het onderzoek betrokken deskundigen onverkort worden gehandhaafd. Wel heeft de getuige-deskundige vastgesteld dat verdachte op zeer extreme wijze zijn medewerking aan het onderzoek heeft geweigerd, namelijk in de vorm van een honger- en dorststaking, hetgeen verband kan houden met de aangegeven stoornis.

Ter terechtzitting heeft de getuige-deskundige herhaald dat het voor hem onmogelijk is de precieze mate van doorwerking van de stoornis in de thans bewezen verklaarde feiten vast te stellen, omdat de verdachte niet aan het onderzoek wilde meewerken, maar dat het gelet op de aard van de veronderstelde stoornis buitengewoon onaannemelijk is dat er geen doorwerking is geweest. Voorts heeft de getuige-deskundige verklaard dat de kans op herhaling zeer hoog moet worden geacht, gelet op de sterke doorwerking van de diepgaande stoornis op alle levensgebieden. Met name als de verdachte een relatie voor langere duur aangaat zullen er conflicten ontstaan en zal de stoornis tot uitdrukking komen. De getuige-deskundige heeft tenslotte als zijn deskundig oordeel vermeld dat eventuele behandeling van de verdachte in een gesloten setting zou moeten plaatsvinden.

Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat de verdachte ten tijde van het plegen van de thans bewezen verklaarde feiten lijdende was aan een ziekelijke stoornis van de geestesvermogens, die in enige mate heeft doorgewerkt in de bewezen verklaarde handelingen . De precieze mate waarin deze stoornis heeft doorgewerkt in de bewezenverklaarde handelingen valt, vanwege de weigering van verdachte om aan de observatie in het Pieter Baancentrum mee te werken, niet vast te stellen. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof in elk geval dat de feiten niet volledig aan de verdachte kunnen worden toegerekend. Anderzijds heeft het hof in het onderzoek ter terechtzitting geen aanleiding gevonden om te concluderen tot volledige ontoerekeningsvatbaarheid. Gelet op de bevindingen in het rapport van het Pieter Baancentrum, dat de stoornis doorwerking heeft in het denken, voelen en handelen van verdachte op alle levensgebieden en met name op het vlak van intermenselijke relaties en dat conflicten tussen verdachte en zijn (ex)partner bij uitstek een situatie vormen waarin de stoornis zich zal doen gelden, is het hof met de getuige-deskundige van oordeel, dat het risico op herhaling van agressief gewelddadig gedrag als zeer hoog moet worden ingeschat. Het hof heeft daarbij mede gelet op de justitiële documentatie van de verdachte en heeft in aanmerking genomen, dat verdachte blijkens diens uitlating ter terechtzitting een problematische verhouding met zijn (ex)partner heeft, met name over de opvoeding van hun kind. Tevens deelt het hof de opvatting van de getuige-deskundige, zoals verwoord ter terechtzitting, dat behandeling van verdachte mogelijk is, mits die in een gesloten setting plaatsvindt. Gelet op het hiervoor overwogene komt het hof tot de conclusie dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege eist.”

Tegen dit arrest heeft [appellant] beroep in cassatie ingesteld, waarbij het cassatiemiddel zich richtte tegen de oplegging van de TBS. Bij arrest van 7 oktober 2008 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep met toepassing van artikel 81 Wet op de rechterlijke organisatie verworpen.

1.5.

Ter uitvoering van de TBS is [appellant] in april 2009 overgebracht naar Forensisch Psychiatrisch Centrum de Oostervaarderskliniek. Aldaar heeft [appellant] geweigerd aan zijn behandeling mee te werken. Op 11 augustus 2010 heeft de Oostvaarderskliniek een eerste verlengingsadvies uitgebracht. Daarin is onder meer geconstateerd dat [appellant] geen behandeling nodig acht en het niet goed mogelijk is een goede diagnose te stellen, omdat hij weigert om aan onderzoek mee te werken. Geadviseerd wordt de TBS van [appellant] met twee jaar te verlengen.

1.6.

Bij beslissing van 14 oktober 2010 heeft de rechtbank Dordrecht de TBS van [appellant] met één jaar verlengd, waarbij de rechtbank onder meer heeft overwogen dat een nieuwe observatie in het PBC een uitweg kan bieden uit de ontstane impasse.

1.7.

Van 6 april 2011 tot 25 mei 2011 is [appellant] ten behoeve van een nieuwe observatie in het PBC opgenomen geweest. Van deze observatie hebben psycholoog [naam] (hierna: [X]) en psychiater [naam] (hierna: [Y]) op 21 juli 2011 een rapport uitgebracht.

In het rapport schrijft [X] onder meer het volgende (p. 52):

“Betrokkene is een 34-jarige, gemiddeld intelligente Marokkaanse man, die sinds 2009 in een tbs-kliniek verblijft, waar vanwege zijn sthenische ontkenning van de indexdelicten geen behandeling heeft plaatsgevonden en er inmiddels een volledige impasse is ontstaan. Vanuit het perspectief van betrokkene is wel begrijpelijk waarom hij niet meewerkt aan de behandeling. Meewerken aan de behandeling zou impliceren dat hij erkent dat hij de indexdelicten heeft gepleegd en - wellicht belangrijker - dat hij erkent dat hij lijdt aan een psychische stoornis op grond waarvan hij delictgevaarlijk is. Men zou kunnen stellen dat de (deels cultureel bepaalde) angst voor gezichtsverlies bij erkenning van zijn daderschap en de aanwezigheid aan een psychische stoornis (…) voor hem zwaarder weegt dan het besef dat hij zich met zijn opstelling in een uitzichtloze situatie heeft gemanoeuvreerd en zijn eigen glazen ingooit. De impasse wordt versterkt door de (deels cultureel bepaalde) morele ondersteuning van zijn familie als het gaat om zijn ontkenning van de indexdelicten en van een pathologische delictgevaarlijkheid: het laat zich aanzien dat ook zij bang zijn voor gezichtsverlies wanneer betrokkene de status van psychische gestoorde en gevaarlijke tbs-gestelde krijgt toebedeeld, waarmee de druk op betrokkene om zich in te graven alleen maar toeneemt.

De tragiek in deze is dat de claim van betrokkene dat hij niet lijdt aan een psychische stoornis wordt ondersteund door de resultaten van het huidige onderzoek. De testresultaten bevatten geen aanwijzingen voor een psychische stoornis, en pleiten sterk tegen de aanwezigheid van een psychische stoornis. (….) zowel zijn extreme reacties, het vorige PBC-onderzoek als zijn soms krampachtige en sociaal wenselijke reactie in het huidige onderzoek, worden goeddeels bepaald door contextuele angst en onzekerheid, in samenhang met een deels cultureel bepaalde angst voor krenking en gezichtsverlies in het kader van een narcistische dynamiek.

Ook als men deze overwegingen verdisconteert in de beoordeling van betrokkenes persoonlijkheid tijdens het huidige onderzoek, dan nog kan niet betwist worden dat zijn huidige presentatie dramatisch verschilt van zijn presentatie in het vorige PBC-onderzoek, zonder dat aannemelijk gemaakt kan worden dat betrokkene in staat is geweest in het huidige onderzoek de schijn op te houden en de toentertijd gesignaleerde ernstige pathologie te verhullen. Nog los van de overweging dat er, op grond van de dramatische normalisering van het beeld na de overplaatsing naar het Penitentiair Ziekenhuis (waar iedere paranoïdie bleek te zijn verdwenen), al grote vraagtekens kunnen worden gesteld bij de betrouwbaarheid van de toentertijd in het PBC-rapport beschreven diagnostische observaties en conclusies, kan op grond van de huidige bevindingen worden gesteld dat er geen aanwijzingen zijn voor significante gebreken op het terrein van de affectieve responsiviteit, expressiviteit, noch voor een (pathologisch) verhoogde agressieve prikkelbaarheid of agressieve impulsiviteit, noch voor pathologisch gebrekkige gewetensfuncties. Deze aanwijzingen kunnen overigens ook niet gevonden worden in de beschrijvingen en observaties tijdens betrokkenes verblijf in detentie en de Oostvaarderskliniek (…). Dat er in het verleden sprake is geweest van diverse vormen van antisociaal gedrag wijst op een zeker opportunisme en een zekere morele vrijblijvendheid, maar vormt op zich geen indicatie voor het bestaan van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Dit soort gedrag moet vooral bezien worden tegen de achtergrond van een toentertijd emotioneel nog onvoldoende uitgerijpte adolescent die, vermoedelijk onvoldoende ondersteund door zijn ouders, te vroeg op eigen benen kwam te staan, moeite had om zelfstandig zijn draai in de maatschappij te vinden, en die de (deels cultureel bepaalde) neiging had om zijn maatschappelijke teleurstellingen en falen als Marokkaanse man af te wentelen op een maatschappij waarvan hij aannam dat die hem discrimineerde en geen kansen gaf. Het geheel overziend kan retrospectief en actueel worden gesproken van lichte antisociale trekken.

(…)

Op basis van voorgaande overwegingen en conclusies en de resultaten van het huidige onderzoek kan aldus worden geconcludeerd dat er bij betrokkene sprake is van lichte antisociale trekken en een narcistisch gekleurde dynamiek (een eenzijdig positief zelfbeeld, een zekere identiteitszwakte, trots en een licht verhoogde krenkbaarheid) die echter niet als pathologisch kunnen worden gekwalificeerd, en dat er bij betrokkene geen sprake is van een psychische stoornis, meer in het bijzonder niet van een aantoonbare persoonlijkheidsstoornis. Aldus is de conclusie dat betrokkene niet lijdende is aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Met deze conclusie kunnen op basis van het huidige onderzoek de diagnostische conclusies van de kliniek - alwaar betrokkene niet meewerkt aan een behandeling en derhalve in gedragskundige zin nauwelijks geëvalueerd kan worden - niet worden onderschreven.”

In het rapport schrijft [Y] onder meer het volgende.

“b. Gedragskundige beschouwing van de observatiegegevens

Het huidige onderzoek staat in schril contrast met betrokkenes gedrag tijdens zijn PBC- onderzoek in 2005. Er worden geen abnormale uitlatingen of dito gedragingen waargenomen. Betrokkene imponeert zenuwachtig. Hij lijkt zijn procespositie goed te bewaken.

c. Diagnostische beschouwing

Betrokkene is een normaalintelligente 34-jarige Marokkaanse man die sedert zijn tiende levensjaar in Nederland is. Er zijn geen aanwijzingen voor een vroege ontwikkelingsstoornis zoals ADHD of autismespectrumstoornis.

(…) Hoewel in de wettelijke aantekeningen van de tbs wordt geschreven dat betrokkene voor zijn aanhouding meer psychotische episoden doormaakt, is mij dat niet gebleken. Het dossier en het ‘Milieuonderzoek’ bieden daartoe geen aanwijzingen. Ook zijn er geen aanwijzingen voor een (paranoïde) psychose. De thans niet-pathologisch imponerende behoedzaamheid van betrokkene dient te worden geduid in het kader van zijn inschatting van zijn procespositie.

Het dossier biedt wel aanwijzingen voor persoonlijkheidsproblematiek en een onder forse spanning staande identiteitsbeleving bij betrokkene. Antisociale kenmerken, mogelijk ook narcistisch getinte zelfverhevenheid tegen de achtergrond van het niet onder ogen willen of kunnen zien van zijn eigen maatschappelijke falen lijken kernaspecten van betrokkenes persoonlijkheid in de aanloop tot en mogelijk ook ten tijde van de indexdelicten. De PBC-rapportage uit 2005 lezende, valt te vermoeden dat betrokkene in de periode 2005 wel voldoet aan de criteria van een gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens, in de zin van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en mogelijk ook narcistische kenmerken. Paranoïde persoonlijkheidskenmerken zijn in het huidige onderzoek niet vast te stellen bij betrokkene. In overeenstemming met de mederapporterende psycholoog stel ik thans dat betrokkene niet (meer) voldoet aan de kenmerken van een persoonlijkheidsstoornis. Van een gestoorde agressieregulatie of een impulsregulatiestoornis is in het huidige onderzoek niet gebleken. De verhoogde impulsieve agressiviteit van betrokkene zoals die in het verlengingsadvies van de tbs-kliniek staat beschreven, wordt overigens niet teruggelezen in de onderliggende stukken, te weten de wettelijke aantekeningen.

(…..) Hoewel thans niet kan worden gesproken van een dermate grote identiteitsproblematiek dat daarmee het stoornisniveau wordt behaald, lijkt het aannemelijk dat die voorheen (voor zijn detentie) wel het geval was en onderdeel vormde van zijn persoonlijkheidsproblematiek (met antisociale en mogelijk narcistische kenmerken). Het is bekend dat een dergelijke identiteitsproblematiek kan mitigeren, bijvoorbeeld door natuurlijk beloop (ouder in jaren), maar ook door de context van een behandelingsmilieu, zoals de tbs-kliniek, zelfs al wordt niet volledig geparticipeerd in een behandeling - wat de afgelopen jaren op betrokkene van toepassing is geweest.

Resumerend: het geheel overziend bestaan er thans dus geen redenen een ziekelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling vast te stellen.”

1.8.

Op grond van het onder 1.7 bedoelde rapport van [X] en [Y] heeft de officier van justitie geen verlenging van de TBS gevraagd. [appellant] is op 5 oktober 2011 in vrijheid gesteld.

2. [appellant] heeft bij inleidende dagvaarding gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

a. a) voor recht verklaart dat de Staat jegens [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld door in diens strafzaak de maatregel TBS op te leggen, met als gevolg dat [appellant] ten onrechte bijna tweeënhalf jaar in een TBS-instelling heeft doorgebracht;

b) de Staat veroordeelt aan [appellant] te voldoen een bedrag van € 25.000,- als voorschot op de door hem geleden schade;

c) de Staat veroordeelt tot vergoeding van de door [appellant] geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

d) de Staat veroordeelt in de kosten van de procedure.

3. Bij het bestreden vonnis is de vordering van [appellant] afgewezen.

4. In appel heeft [appellant] zijn eis gewijzigd. Hij heeft aan de hierboven onder a) genoemde vordering een subsidiaire variant toegevoegd, die ertoe strekt dat het hof voor recht verklaart dat de Staat onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld door de maatregel TBS ten uitvoer te leggen, terwijl een geestelijke stoornis niet vaststond.

Onrechtmatige rechtspraak? Grief I

5. Met grief I voert [appellant] aan dat sprake is van onrechtmatige rechtspraak. Bij de beoordeling van deze grief staat het volgende voorop. Volgens vaste rechtspraak staan het gesloten stelsel en de wettelijke taakverdeling tussen de burgerlijke en strafrechter er in beginsel aan in de weg dat de juistheid van een strafrechtelijke beslissing of de aanvaardbaarheid van de strafrechtelijke procesgang die tot die beslissing heeft geleid, door middel van een actie uit onrechtmatige daad bij de civiele rechter ter discussie wordt gesteld. Deze regel lijdt uitzondering indien (i) bij de voorbereiding van een rechterlijke beslissing zo fundamentele rechtsbeginselen zijn veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling als bedoeld in artikel 6 EVRM niet kan worden gesproken, en (ii) tegen die beslissing geen rechtsmiddel openstaat of heeft opengestaan. Ook de rechtbank heeft deze maatstaf gehanteerd en [appellant] heeft daartegen – terecht – geen klacht gericht.

6. [appellant] voert in zijn toelichting op zijn eerste grief aan dat in het strafrecht geen presumptie lijkt te bestaan van “psychische gezondheid” van een burger, omdat zonder dat vaststaat dat sprake is van een psychische stoornis, in Nederland aan iemand de TBS-maatregel kan worden opgelegd. Volgens [appellant] is dit in strijd met de onschuldpresumptie en is in zijn strafzaak daarom geen sprake geweest van een eerlijke en onpartijdige behandeling als bedoeld in artikel 6 EVRM.

7. Deze grief faalt. Zoals de Staat terecht heeft aangevoerd, miskent [appellant] dat het wetboek van strafrecht voor oplegging van een TBS-maatregel wel degelijk vereist dat de strafrechter vaststelt dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het strafbare feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond (artikel 37a lid 1 Sr) en dat dit in het geval van een weigerende observandus niet anders is. Zoals de Staat eveneens terecht heeft aangevoerd, is voorts van belang dat de strafrechter ook heeft vastgesteld dat aan dit vereiste (en de overige vereisten voor TBS) was voldaan (zie de citaten in r.o. 1.3. en 1.4. hierboven, met name de onderstreepte delen). De strafrechter heeft zich daarbij gebaseerd op de rapportage van 29 november 2005 van de psycholoog en psychiater van het PBC en niet in geschil is dat [appellant] in de gelegenheid is geweest zich over die rapportage uit te laten. Bovendien heeft [appellant] rechtsmiddelen kunnen instellen tegen de beslissing van achtereenvolgens de rechtbank en het hof om TBS op te leggen.

8. Voor zover [appellant] met grief I bedoelt te betogen dat de strafrechter deze rapportage niet juist heeft uitgelegd/gewaardeerd, stuit dit betoog af op het onder 5. bedoelde gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Ten overvloede overweegt het hof dat nog afgezien van het feit dat de strafrechter een eigen verantwoordelijkheid heeft en niet gebonden is aan de adviezen van de deskundigen, niet juist is de stelling van [appellant] dat het PBC in 2005 geen psychische stoornis bij hem heeft vastgesteld. Met de Staat is het hof van oordeel dat uit de rapportage (zie de citaten hierboven in r.o. 1.2., met name de onderstreepte passages) kan worden afgeleid dat het PBC van mening was dat ten tijde van het begaan van de strafbare feiten bij [appellant] sprake was van een psychische stoornis die heeft doorgewerkt in het tenlastegelegde, hoewel als gevolg van het gebrek aan medewerking van [appellant] niet exact kon worden vastgesteld om welke stoornis het ging. Dat [X] en [Y] later, naar aanleiding van de observering in het PBC in 2011, hebben gerapporteerd dat zij toen geen persoonlijkheidsstoornis hebben kunnen vaststellen doet hier niet aan af.

Onrechtmatige detentie? Grief II

9. Met grief II betoogt [appellant] dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens hem door in strijd met het bepaalde in artikel 5 EVRM aan hem de maatregel van TBS op te leggen. In dit verband herhaalt [appellant] dat bij hem nooit een daadwerkelijke geestesstoornis (“a true mental disorder”, vgl EHRM 28 mei 1985, NJ 1991, 623) is vastgesteld door een medisch deskundige en dat daarom geen sprake is van “lawful detention” als bedoeld in artikel 5 lid 1 EVRM. Zelfs al is het gehele strafrechtelijke traject jegens [appellant] volgens de regels der kunst verlopen, dan nog is de tenuitvoerlegging van de TBS volgens [appellant] onrechtmatig, omdat nooit sprake is geweest van een psychische stoornis. Daarbij is niet van belang dat dit laatste pas achteraf is gebleken. De Staat heeft immers het risico genomen om zonder medische diagnose waaruit een “true mental disorder” blijkt, de TBS-maatregel te executeren, aldus [appellant]. De Staat is naar zijn mening dan ook aansprakelijk voor de gevolgen daarvan, te meer nu de Staat niet verplicht is om een opgelegde maatregel te executeren.

10. Dit laatste is onjuist. De Staat is op grond van artikel 553 Sv verplicht om onherroepelijke rechterlijke beslissingen ten uitvoer te leggen. Daarop kan een uitzondering worden gemaakt indien de wet daartoe dwingt of wanneer het EHRM een uitspraak heeft gedaan, waarmee de strafrechter bij zijn beslissing geen rekening heeft kunnen houden en die tot de slotsom dwingt dat de beslissing op zodanige wijze tot stand is gekomen dat van een eerlijke behandeling niet meer kan worden gesproken. Niet gesteld of gebleken is dat deze uitzondering zich in dit geval voordoet. Hierop stuit de grief reeds af.

11. Het hof voegt hieraan toe dat de grief feitelijke grondslag mist, aangezien de strafrechter op basis van de rapportage van het PBC uit 2005 wel een psychische stoornis heeft vastgesteld. Hierboven is reeds overwogen dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen eraan in de weg staat dat het hof inhoudelijk beoordeelt of de strafrechter de rapportage juist heeft gewaardeerd.

Ten onrechte het aanbod om de deskundigen te horen gepasseerd? Grief III

12. Grief III luidt tot slot dat de voorzieningenrechter ten onrechte de vier in het bewijsaanbod van [appellant] genoemde deskundigen niet heeft opgeroepen. Volgens [appellant] zou aan deze deskundigen kunnen worden gevraagd of in hun visie sprake was van een “true mental disorder” als hierboven bedoeld en zou aan hen tevens de vraag kunnen worden voorgelegd of het feit dat in de rapportage van 21 juli 2011 is geconcludeerd dat het onderzoek geen onderbouwing toont voor de aanwezigheid van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens, betekent dat daarvan nooit sprake is geweest of dat een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling zonder behandeling kunnen/kan verdwijnen.

13. Ook deze grief faalt. Hierboven is reeds meermalen overwogen dat vanwege het gesloten stelsel van rechtsmiddelen niet wordt toegekomen aan de vraag of de strafrechter terecht heeft geoordeeld dat ten tijde van het begaan van de strafbare feiten sprake was van een psychische stoornis. Zoals de Staat terecht stelt, is het bewijsaanbod daarom niet ter zake dienend.

Conclusie

14. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het appel faalt. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Bij deze uitkomst past dat [appellant] in de proceskosten in appel wordt veroordeeld, waaronder begrepen de (nog te maken) nakosten. Het hof zal de nakosten begroten op € 131,- indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest

is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen, te vermeerderen met € 68,- voor de explootkosten als betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden Zoals gevorderd door de Staat zal het hof bepalen dat bij niet betaling over de proceskosten wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na datum arrest. Conform de vordering van de Staat zal de proceskostenveroordeling voorts uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

- veroordeelt [appellant] in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 704,- aan griffierecht en € 894,- aan salaris advocaat, bij niet betaling te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van veertien dagen na de datum van dit arrest;

- veroordeelt [appellant], indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen, in de nakosten, begroot op € 131,-, te vermeerderen met € 68,- voor de explootkosten als betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden en met wettelijke rente over de nakosten;

- wijst het meer of anders gevorderde af;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.A. Boele, E.M. Dousma-Valk en M.E. Honée en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 februari 2016 in aanwezigheid van de griffier.