Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:1249

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
13-04-2016
Datum publicatie
04-05-2016
Zaaknummer
200.175.727/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:5914
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Het hof is van oordeel dat naar objectieve maatstaven bezien de lotsverbondenheid tussen partijen is verbroken. De vrouw kan jegens de man geen recht meer doen gelden op een onderhoudsverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2016/41.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 13 april 2016

Zaaknummer : 200.175.727/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 14-10230

Zaaknummer rechtbank : C/09/480187

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. J.J.M. Vrancken te Rozenburg, (ZH),

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. H.S. Franken te Zoetermeer.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 26 augustus 2015 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 26 mei 2015 van de rechtbank Rotterdam.

De vrouw heeft op 19 november 2015 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 8 oktober 2015 een brief van diezelfde datum, met als bijlage een V-formulier van 6 oktober 2015 met bijlagen;

- op 12 januari 2016 een V-formulier van diezelfde datum met bijlage;

- op 25 januari 2016 een V-formulier van diezelfde datum;

- op 9 februari 2016 twee brieven van diezelfde datum, beide met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;

van de zijde van de vrouw:

- op 14 januari 2016 een V-formulier van diezelfde datum met bijlage.

De zaak is op 19 februari 2016 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

De advocaat van de vrouw heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is het verzoek van de vrouw om ten laste van de man een uitkering tot haar levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie) vast te stellen in verband met de afwezigheid van draagkracht aan de zijde van de man, afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie.

2. De man verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te bekrachtigen, zulks echter wel onder verbetering van de gronden zoals genoemd onder grief I tot en met III van zijn hoger beroepschrift.

3. De vrouw verweert zich daartegen en verzoekt het hof, eventueel onder aanvulling en/of verbetering van gronden, de bestreden beschikking te bekrachtigen.

Ontvankelijkheid

4. Nu de man in zijn verweerschrift in eerste aanleg de lotsverbondenheid aan de orde heeft gesteld, de vrouw hierop heeft gereageerd en ook de rechtbank in de bestreden beschikking op de lotsverbondenheid is ingegaan, gaat het hof er van uit dat de man in eerste aanleg een zelfstandig verzoek heeft ingediend ten aanzien van de partneralimentatie waarin hij heeft verzocht om de partneralimentatie te beëindigen in verband met het verbreken van de lotsverbondenheid. De man kan derhalve ook in zijn verzoek in hoger beroep worden ontvangen.

Lotsverbondenheid

5. De man voert het volgende aan. De man kan zich, kort weergegeven, niet vinden in de overwegingen van de rechtbank dat het gedrag van de vrouw weliswaar grievend was, maar niet van dien aard dat daarmee de lotsverbondenheid van het huwelijk doorbroken kan worden geacht. De man betoogt in zijn hoger beroep dat de vrouw zich grensoverschrijdend heeft gedragen jegens de man op een zodanige manier dat de lotsverbondenheid wel degelijk verbroken dient te worden geacht. Volgens de man heeft de vrouw in haar strijd tegen de man er zelf met haar gedrag jegens de man voor gezorgd dat zowel Jeugdbescherming als de raad voor de kinderbescherming hebben geadviseerd dat de vrouw geen omgang meer mocht hebben met haar kinderen. De kinderen zijn na de echtscheiding bij de vrouw blijven wonen, maar zijn, na een uithuisplaatsing, uiteindelijk bij de man geplaatst. Dit heeft de verhoudingen tussen partijen geen goed gedaan en het gedrag van de vrouw is alleen maar grensoverschrijdender geworden. Het structurele karakter van het gedrag van de vrouw, de aard daarvan en de omvang van de valse beschuldigingen en het zwartmaken zorgen voor een buitenmenselijke druk die de man wordt opgelegd.

De man acht de overweging van de rechtbank, kort gezegd, dat partijen iedereen proberen te overtuigen van hun eigen waarheid, en dat de rechtbank de beschuldigingen van de vrouw ziet als een uiting van bezorgdheid over de opvoedsituatie van de minderjarigen bij de man, onbegrijpelijk. De man stelt dat het zwaartepunt van de oorzaak van het bij de strijd betrekken van de minderjarigen, bij de vrouw ligt. Het gedrag van de vrouw komt neer op het stelselmatig en bij voortduring aanvallen en zwartmaken van de man, hetgeen sporen nalaat in het hele leven van de man. De man is niet, zoals de rechtbank overweegt, door zijn werkgever bevorderd, maar overgeplaatst. Hij ondervindt bijzonder zware stress door het gedrag van de vrouw en zijn prestatievermogen op het werk lijdt eronder. Ook heeft de man de laatste drie jaar slechte beoordelingen gekregen van zijn werkgever. De vrouw heeft zich in bijzonder bezwarende bewoordingen voor de man gericht tot zijn werkgever en zet daarbij de man moedwillig in een kwaad daglicht.

De man kan zich voorts niet verenigen met de overweging van de rechtbank dat de vrouw ervan overtuigd is dat haar zorgen terecht zijn, zodat ‘onnodig’ grievend gedrag naar het oordeel van het rechtbank niet zo makkelijk kan worden aangenomen. Dit is volgens de man een onjuiste maatstaf, nu deze kennelijk uitgaat van een subjectieve beleving van wat nodig is of niet. De noodzaak van het gedrag moet op grond van objectieve maatstaven worden beoordeeld.

De man is van mening dat niet langer van hem kan worden gevergd dat hij bijdraagt in de kosten van levensonderhoud van de vrouw nu de lotsverbondenheid is doorbroken. De man verzoekt verbetering van de bestreden beschikking in die zin.

6. De vrouw verweert zich daartegen als volgt. De vrouw zit op alle fronten klem en het mag haar niet verweten worden dat zij zich in juridische procedures verweert om voor de rechten en belangen van de kinderen en zichzelf op te komen. De vrouw stelt dat de man de lijst met gedragingen en gebeurtenissen die grievend zouden zijn niet of nauwelijks onderbouwt. Daarnaast ontkent de vrouw dat zij zich grievend heeft gedragen. De man stelt maar bewijst niets. Als er al sprake zou zijn van grievend gedrag, dan leidt dit er niet zonder meer toe dat de lotsverbondenheid niet langer aanwezig is. Voorts dient terughoudendheid te worden betracht bij de beoordeling of zich een zodanige situatie voordoet. Volgens de vrouw falen de grieven van de man en dient de bestreden beschikking te worden bekrachtigd.

7. Het hof overweegt als volgt. Het hof stelt bij de beoordeling van de stellingen van de man, evenals de rechtbank, voorop dat bij de beantwoording van de vraag of van een gewezen echtgenoot een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de andere echtgenoot kan worden gevergd en, zo ja, tot welk bedrag, rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Hieronder zijn ook te verstaan niet-financiële factoren, zoals gedragingen van de onderhoud verzoekende echtgenoot. De vraag die daarbij speelt, is of van de alimentatieplichtige in redelijkheid nog kan worden gevergd dat hij of zij bijdraagt in de kosten van het levensonderhoud van de alimentatiegerechtigde, met andere woorden, of de lotsverbondenheid die uit het ontbonden huwelijk voortvloeit als gevolg van gedragingen van de onderhoudsgerechtigde als verbroken kan worden beschouwd. In uitzonderlijke gevallen kan worden geconcludeerd dat aan de lotsverbondenheid tussen de gewezen echtgenoten, welke lotsverbondenheid de grondslag vormt van een onderhoudsverplichting als bedoeld in artikel 1:157 Burgerlijk Wetboek (BW), een einde is gekomen op de grond dat de één zich zodanig grievend jegens de ander heeft gedragen dat in redelijkheid betaling van partneralimentatie door die ander niet langer gevergd kan worden. Daarbij geldt als criterium of voldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken, die maken dat van de alimentatieplichtige in redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd in het levensonderhoud van de alimentatiegerechtigde te voorzien. De enkele constatering van grievend gedrag jegens de onderhoudsplichtige van degene die alimentatie verzoekt, leidt er niet zonder meer toe dat de lotsverbondenheid niet langer aanwezig is. Voorts dient in het algemeen terughoudendheid te worden betracht bij de beoordeling of zich in een concreet geval een zodanige situatie voordoet, mede gelet op het onherroepelijk karakter van een beëindiging of matiging van de onderhoudsverplichting. Ook dient te worden bedacht dat het op zichzelf niet ongebruikelijk is dat een relatiebreuk dan wel een echtscheiding gepaard gaat met de nodige emoties. Niet iedere vorm van wangedrag dan wel grievend gedrag is daarom aanleiding om de onderhoudsverplichting te matigen. Ook naar objectieve maatstaven bezien moet er sprake zijn van wangedrag waarbij eveneens van belang is de duur van het huwelijk alsmede het wederzijdse gedrag jegens elkaar.

8. De man heeft aan zijn stelling dat het wangedrag van de vrouw er toe moet leiden dat de lotsverbondenheid die door het huwelijk is ontstaan, is verbroken, het navolgende ten grondslag gelegd:

1) de vrouw heeft de kinderen van partijen laten geloven dat de man de kinderen mishandelde. De vrouw heeft de kinderen via een derde naar de politie laten brengen, zodat de kinderen aangifte konden doen tegen hun eigen vader. De zaak is na verhoor van de man geseponeerd;

2) de vrouw heeft zelf aangifte gedaan tegen de man op acht punten, waaronder poging tot doodslag/moord, aanzetten tot zelfdoding, mishandeling en uitbuiting, mishandeling en uitbuiting van de kinderen. De man is als verdachte gehoord. De zaak is geseponeerd;

3) de vrouw heeft de burgemeester verzocht de man in bewaring te stellen;

4) de vrouw heeft in de afgelopen jaren minimaal zes keer de werkgever van de man benaderd voor hulp. De man werd hierbij steevast als psychopaat en narcist neergezet;

5) de vrouw heeft de Kinderombudsman benaderd met dezelfde beweringen over mishandeling, kindermishandeling en uitbuiting etc. De Kinderombudsman heeft Jeugdbescherming en de raad voor de kinderbescherming benaderd met de mededeling dat zij de man als psychopaat/narcist moeten behandelen;

6) de vrouw heeft de Nationale Ombudsman op gelijke wijze benaderd;

7) de vrouw is met de kinderen naar een blijf van mijn lijf huis gegaan, met valse beweringen over de man;

8) de vrouw verspreidt via Twitter, Facebook en blogs valse beschuldigingen aan het adres van de man. Deze beschuldigingen zijn ook leesbaar voor de kinderen;

9) niet alleen de werkgever van de man wordt aangesproken, ook de zus, vrienden en de vriendin van de man worden lastig gevallen;

10) de vrouw heeft de man tot tweemaal toe bedreigd met een mes;

11) de vrouw heeft de politie gebeld met de mededeling dat zij geschreeuw om hulp van de kinderen in de woning van de man hoorde. De politie heeft de deur geforceerd, en het hele huis doorzocht terwijl de man en de kinderen niet thuis waren;

12) de vrouw heeft met dezelfde verhalen in het begin van de relatie tussen de man en zijn nieuwe partner, de nieuwe partner benaderd. Dit had tot gevolg dat de nieuwe partner de relatie verbrak. Inmiddels is de relatie weer hersteld;

13) de vrouw heeft de dochter van partijen toegefluisterd dat zij slecht moest praten over de man, anders zou de vrouw zelfmoord plegen;

14) de vrouw heeft de vorige auto van de man moedwillig bekrast;

15) de vrouw heeft de psycholoog en de huisarts van de man meerdere malen benaderd met dezelfde valse informatie over de man. De huisarts en psycholoog werden vervolgens beschuldigd van het moedwillig de kop in het zand steken, toen zij weigerden mee te werken aan het verzoek de man als psychopaat en narcist te bestempelen. Door het gedrag van de vrouw moeten beide zorgverleners zich overigens inmiddels voor het medisch tuchtcollege verantwoorden.

9. Het hof is van oordeel dat voornoemde omstandigheden, alsmede de stukken die de man heeft overgelegd ter onderbouwing daarvan (bij voornoemde brieven van 9 februari 2016), tot gevolg hebben dat de lotsverbondenheid is verbroken en de vrouw van de man geen onderhoudsbijdrage meer kan vorderen. Zij heeft met haar handelingen ook derden op ontoelaatbare wijze in de strijd tussen partijen betrokken. Het hof acht het ontoelaatbaar dat de vrouw ook de werkgever van de man betrokken heeft in haar conflict met de man. Door een dergelijk handelen brengt zij de inkomensbron van de man direct in gevaar. De werkgever van de man heeft op 26 mei 2015 als volgt gereageerd:

“In uw brief vraagt u om hulp omdat u in een moeilijke situatie verkeert als gevolg van het handelen van een [naam werkgever] werknemer in verband met uw scheiding van die werknemer. U suggereert daarbij dat de betreffende werknemer een persoonlijkheidsstoornis heeft.

Allereerst wil ik u zeggen dat het verhaal dat u vertelt, indruk maakt. Het moet een buitengewoon moeilijke periode voor u zijn. Tegelijkertijd betreft het een kwestie die geheel in de privé-sfeer ligt. Als werkgever heeft [naam werkgever] zich daar niet mee te bemoeien. Helaas kan ik daarom niet op uw verzoek ingaan. Overigens zal [naam werkgever] uiteraard passende maatregelen nemen indien er bij een werknemer sprake is van een antisociaal gedrag op het werk.

Het spijt mij dat ik niets voor u kan betekenen. Ik hoop van harte dat u uit de problemen zult kunnen raken en dat er weer betere tijden aan zullen breken.”

10. De vrouw heeft daarna, op 27 mei 2015, een e-mail gestuurd aan [naam werkgever] waarin zij – onder meer – aangeeft:

“ik zie geen andere weg meer dan het zoeken van publiciteit. Dat had ik voor mijn kinderen liever anders gezien en ik zal hun privacy beschermen.”

Het hof is van oordeel dat er geen enkele noodzaak aanwezig was voor de vrouw om de werkgever van de man te belasten met de onderlinge strijd tussen partijen en te dreigen met het zoeken van publiciteit. De vrouw had zich – daargelaten of het door haar gestelde juist is – zeker als juriste, bewust moeten zijn van de gevolgen voor de man (onder meer overplaatsing) van haar uitlatingen aan de werkgever van de man en zij had zich dan ook daarvan moeten onthouden. De vrouw heeft geen verklaring gegeven voor het feit dat zij heeft gemeend juist aan de werkgever van de man mededelingen te moeten doen.

11. Een ander voorbeeld van malicieus handelen door de vrouw is dat zij diverse aangiftes tegen de man heeft gedaan bij de politie, die allen geseponeerd zijn. Dat geldt in het bijzonder voor de melding van de vrouw bij de politie over geschreeuw van de kinderen in de woning van de man terwijl, zo bleek na een bezoek aan de woning van de man door de politie, de man en kinderen niet thuis waren.

Daarnaast heeft de vrouw, zo heeft de raad voor de kinderbescherming geconstateerd in het verzoek voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing van 28 februari 2014 (productie 4 bij brief van de zijde van de man van 9 februari 2016), de burgemeester/gemeente benaderd met zorgen over de man en een verzoek om hiernaar te handelen.

12. Op grond van het vorenoverwogene behoeven de overige stellingen en grieven geen bespreking meer nu die niet tot een ander oordeel leiden.

13. Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in beide instanties compenseren.

14. Het hof zal de bestreden beschikking – zij het op andere gronden – bekrachtigen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

compenseert de proceskosten in beide instanties in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, A.H.N. Stollenwerck en J. Zwagemaker, bijgestaan door mr. M.A.J. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 april 2016.