Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:1237

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-04-2016
Datum publicatie
11-05-2016
Zaaknummer
200.184.040/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verlenging machtiging uithuisplaatsing. Dreiging afreizen van de moeder met minderjarigen naar Syrië; hevige echtscheidingsproblematiek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 20 april 2016

Zaaknummer : 200.184.040/01

Rekestnummer rechtbank : JE RK 15-2646

Zaaknummer rechtbank : C/10/483734

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M.L. van Leer te Amsterdam,

tegen

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende is aangemerkt:

1. [vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vader,

2. de Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond te Rotterdam,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 18 januari 2016 in hoger beroep gekomen van een beschikking van
24 december 2015 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam.

De zaak is op 2 maart 2016 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de heer [A] namens de raad;

  • -

    de vader;

  • -

    de heer [B] en mevrouw [C] namens de gecertificeerde instelling, alsmede een stagiaire.

Het hof heeft de behandeling van de zaak aangehouden, teneinde de vader bij te laten staan door een tolk nu hij de Nederlandse taal onvoldoende machtig is.

De hierna te noemen minderjarige [minderjarige 1] is in raadkamer gehoord.

Op 9 maart 2016 is de mondelinge behandeling voortgezet.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de heer [A] namens de raad;

  • -

    de vader, bijgestaan door de heer [D] (tolk in de Marokkaans-Arabische taal);

  • -

    mevrouw [C] namens de gecertificeerde instelling, alsmede een stagiaire.

De advocaat van de moeder heeft ter zitting pleitnotities overgelegd alsmede het ambtsbericht van 15 december 2015 van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst gericht aan de raad.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de machtiging tot uithuisplaatsing van de hierna te noemen minderjarigen in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 8 september 2016. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

- de ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over:

- [minderjarige 1] , geboren [in] 2001 te [geboorteplaats] (hierna ook te noemen: [minderjarige 1] ), en

- [minderjarige 2] , geboren [in] 2006 te [geboorteplaats] (hierna ook te noemen: [minderjarige 2] ),

hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen;

  • -

    de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen is bepaald bij de moeder;

  • -

    bij beschikking van 8 september 2015 zijn de minderjarigen onder toezicht gesteld tot
    8 september 2016 en is een machtiging tot plaatsing van de minderjarigen verleend bij een oom en tante (moederszijde) tot 8 januari 2016. De behandeling van het overig verzochte is aangehouden;

  • -

    de minderjarigen verblijven bij de oom en tante (moederszijde).

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen voor de periode van 8 maart 2016 tot 8 september 2016 in een voorziening voor pleegzorg.

2. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk en noodzakelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de raad tot een machtiging uithuisplaatsing voor de minderjarigen in een voorziening voor pleegzorg af te wijzen voor zover dit verzoek ziet op een verlening van de machtiging (tot; naar het hof begrijpt:) na 8 maart 2016.

3. De moeder betwist dat zij – of haar nieuwe partner – voornemens is om naar Syrië te reizen. De moeder erkent dat haar nieuwe partner graag in een islamitisch land wil leven, maar stelt dat zijn plannen – waarover hij open is geweest en uitgebreid overleg heeft gevoerd met de reclassering – zagen op een vertrek naar de Malediven. Van plannen om naar Syrië te emigreren of uit te reizen is geen sprake geweest. De nieuwe partner van de moeder wordt bovendien – onder meer via een enkelband en meldplicht – gemonitord door politie en justitie, zodat het voor hem feitelijk onmogelijk is om zonder toestemming van die instanties naar het buitenland te vertrekken. De moeder wijst er voorts op dat zij steeds onderbouwd ontkracht heeft dat zij naar Syrië zou willen reizen. De kinderrechter heeft dan ook ten onrechte overwogen dat het gevaar reëel is dat de moeder met de minderjarigen zal afreizen naar Syrië en hen daar in gevaarlijke situaties brengt. De moeder stelt voorts dat zij het feit dat zij in juni 2015 islamitisch is gehuwd enkel heeft verzwegen uit angst voor represailles van de zijde van de vader – haar echtgenoot – en haar familie, nu de vader het feit dat zij van hem wil scheiden nog altijd niet heeft geaccepteerd en haar familie haar heeft verstoten sinds zij haar voornemen te scheiden kenbaar heeft gemaakt. De kinderrechter heeft uit het verzwijgen ten onrechte afgeleid dat de moeder onbetrouwbaar zou zijn. Voorts gaat de kinderrechter er ten onrechte volledig aan voorbij dat de moeder – reeds voordat met de gecertificeerde instelling diverse veiligheidsafspraken werden gemaakt – zelf veiligheidswaarborgen heeft aangedragen en zich bereid heeft verklaard daaraan te voldoen. Ook heeft de moeder zich bereid getoond met de gecertificeerde instelling over haar geloofsbeleving in gesprek te gaan. De moeder is nimmer voornemens geweest haar nieuwe partner op korte termijn bij de minderjarigen te introduceren. Als het in het belang van de minderjarigen wordt geacht is de moeder bereid om ieder contact tussen haar nieuwe partner en de minderjarigen uit te sluiten. Uit dit alles volgt dat de moeder altijd bereid is geweest om gemaakte of nog te maken veiligheidsafspraken na te komen. De machtiging uithuisplaatsing is dan ook ten onrechte verlengd tot 8 september 2016. De moeder wijst er tot slot op dat de minderjarigen het zwaar hebben in de huidige situatie. De minderjarigen willen graag weten waar zij aan toe zijn, zij willen naar huis en zij missen hun ouders en hun eigen plekje. De moeder is bereid om aanvullende veiligheidsafspraken te maken met de gecertificeerde instelling, hetgeen mogelijk moet zijn voor 8 maart 2016, zodat een verlenging van de machtiging uithuisplaatsing tot na die datum niet noodzakelijk en niet in het belang van de minderjarigen is.

4. De raad heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd. De problemen liggen bij de betrouwbaarheid van de moeder. Er bestonden vermoeden dat de moeder radicaliseerde en dat zij de minderjarigen mee zou nemen naar Syrië. Op het moment dat die angst verminderde en er een veiligheidsplan was opgesteld, bleek dat de moeder verzwegen had dat zij naar islamitisch recht is gehuwd met de heer [X] (verder: [X] ), een moslimfundamentalist. Het vertrouwen in de moeder is daardoor ernstig geschaad. Daarnaast is sprake van een complexe echtscheiding, waarbij de ouders elkaar over en weer wantrouwen.

5. Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:265b lid 2 BW kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op verzoek van de raad machtigen de minderjarigen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen of tot onderzoek van hun geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

6. Het hof is van oordeel dat de kinderrechter op de juiste gronden de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige heeft verlengd. Het hof neemt de gronden waarop de kinderrechter heeft geoordeeld en beslist over en maakt deze tot de zijne. Ook in hoger beroep wordt nog steeds voldaan aan de gronden van de uithuisplaatsing. Daartoe overweegt het hof als volgt.

7. Aanvankelijk zijn de minderjarigen op 15 juni 2015 voor korte duur (tot uiterlijk 13 juli 2015) uithuisgeplaatst. Er waren zorgen over mogelijke radicalisering van de moeder. De angst bestond dat zij samen met de minderjarigen zou afreizen naar Syrië. Vanwege de mogelijke radicalisering is de moeder op 28 mei 2015 door de politie aangehouden. Zij is na drie dagen vrijgelaten.

8. Nadien is de uithuisplaatsing van de minderjarigen tweemaal verlengd, en wel van a) 10 juli 2015 tot 15 september 2015, en van b) 8 september 2015 tot 8 januari 2016. De zorgen met betrekking tot het gedachtegoed van de moeder bleven op dat moment aanwezig. Voorts bleek gedurende de verlengingen dat sprake was van aanhoudende echtscheidingsproblematiek tussen de ouders. Dit leidde bij de minderjarigen tot loyaliteitsproblematiek. Tevens bestond er de vrees dat de familie van moederszijde uit eerwraak zich tegen de moeder zou richten, met alle nadelige gevolgen voor de minderjarigen vandien. De machtiging werd dan ook steeds verlengd om de zorgen rondom het gezin te onderzoeken. Daarnaast werd het van belang geacht dat er een veiligheidsplan zou worden opgesteld, waarin de belangen van de minderjarigen zouden worden gewaarborgd en hun veiligheid zou worden gegarandeerd.

9. Vervolgens heeft de gecertificeerde instelling samen met de ouders en hun netwerk een veiligheidsplan opgesteld. De gecertificeerde instelling adviseerde de kinderrechter, voor zover zou worden beslist dat de minderjarigen bij de moeder teruggeplaatst kunnen worden, hieraan als voorwaarde te stellen dat reisdocumenten van de minderjarigen, zowel ID-kaarten als eventuele paspoorten, bij de gecertificeerde instelling ingeleverd zouden worden.

10. Drie dagen voor de zitting bij de kinderrechter (op 15 december 2015) is er bij de raad een ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst ingekomen. Daarin staat onder meer het volgende vermeld. De moeder is naar islamitisch recht gehuwd met [X] . Hij typeert zichzelf als een moslimfundamentalist die de democratische rechtsorde afwijst en de islam als enige waarheid ziet. Hij onderwerpt zich volledig aan de sharia en zou daarom graag in een land leven waarin de islam de staatsgodsdienst is. Na een veroordeling tot negen jaar gevangenisstraf is [X] voor diverse misdrijven waaronder het voorbereiden van moord met een terroristisch oogmerk veroordeeld. Hij kan Nederland op dit moment niet verlaten in verband met zijn voorwaardelijke invrijheidsstelling. [X] koestert hierdoor een diepgewortelde haat jegens de Nederlandse staat en zijn bewindspersonen. [X] onderwijst de moeder in zijn radicale interpretatie van de islam. Zij onderschrijft zijn radicale denkbeelden. Beiden zijn aanhangers van het jihadistische gedachtegoed van ISIS en hebben contacten met ISIS strijders. De moeder wordt door [X] beïnvloed om te vertrekken uit Nederland, maar zij zegt dit alleen te willen doen als zij haar kinderen kan meenemen.

11. Het hof constateert gelet op het vorenstaande dat, hoewel de moeder zich er telkens op beriep volledige openheid te geven over haar situatie, zij er bewust voor heeft gekozen om haar relatie en huwelijk met [X] te verzwijgen. Daarmee heeft zij het opstellen van een deugdelijk veiligheidsplan gefrustreerd en twijfel veroorzaakt over haar betrouwbaarheid. De zorgen die er zijn rondom het mogelijk uitreizen van de moeder met de minderjarigen naar Syrië zijn, gezien het recente ambtsbericht, onverminderd aanwezig. De enkele mededeling van de moeder dat deze dreiging niet reëel is, maakt dit niet anders. De stelling van de moeder dat zij samen met [X] wenst te wonen in De Malediven acht het hof niet aannemelijk, mede gezien voormeld ambtsbericht. Van de moeder mag gezien de ontstane situatie verwacht worden dat zij volledig open is over haar relatie met [X] . Voor zover de – niet nader onderbouwde – angst van de moeder op eerwraak vanwege haar huwelijk naar islamitisch recht met [X] reëel zou zijn, had het naar het oordeel van de moeder juist op haar weg gelegen om de raad en de gecertificeerde instelling daaromtrent te informeren. De raad en de gecertificeerde instelling hadden dan maatregelen kunnen nemen. Door het huwelijk te verzwijgen, heeft de moeder niet in het belang van de minderjarigen gehandeld. Tevens neemt het hof in aanmerking dat sprake is van hevige echtscheidingsproblematiek. De onderlinge verhoudingen tussen de ouders, en daarnaast hun familieleden, zijn ernstig verstoord, en de ouders communiceren onderling niet. Daarbij geeft de vader te kennen dat [X] zich niet mag bemoeien met de minderjarigen. Die aanhoudende echtscheidingsproblematiek leidt bij de minderjarigen tot loyaliteitsproblemen. Zij komen in de knel. Dit is onder meer tot uiting gekomen doordat de schoolresultaten van de minderjarigen de afgelopen periode hebben geleden onder de situatie. De minderjarigen kampen met angsten, hetgeen [minderjarige 1] ook kenbaar heeft gemaakt aan het hof. Hij is bang dat zijn moeder hem mee zal nemen naar Syrië en heeft moeite met de huidige partner van de moeder. Alles in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat een terugplaatsing van de minderjarigen bij de moeder onder deze omstandigheden nog niet aan de orde is. De minderjarigen moeten in een stabiele situatie kunnen opgroeien waarin zij met beide ouders contact kunnen hebben en waarin hun veiligheid kan worden gewaarborgd. [minderjarige 1] heeft aangegeven dat het goed met hem gaat bij zijn oom en tante. Het hof acht het dan ook in het belang van de minderjarigen noodzakelijk dat hun verblijf bij de familie van de moederszijde wordt voortgezet.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.A. van Kempen, A.E. Sutorius-van Hees en A.S. Mertens-de Jong, bijgestaan door mr. M.J. de Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 april 2016.