Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:1227

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-05-2016
Datum publicatie
02-05-2016
Zaaknummer
2200334013
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich gedurende een gesprek over het onderwijs aan zijn zoon schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op de directeur van de school van die zoon. In datzelfde gesprek heeft de verdachte voorafgaand aan deze poging tot doodslag op de hierboven omschreven wijze deze directeur met de dood bedreigd en, dadelijk nadien, ook een aan dat gesprek deelnemende onderwijsconsulent. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003340-13

Parketnummer: 10-681162-13

Datum uitspraak: 2 mei 2016

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 30 juli 2013 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam],

geboren te [geboorteland] (Egypte) op [geboortedatum],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Ter Apel te Ter Apel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 27 oktober 2014, 19 oktober 2015, 7 januari 2016 en 18 april 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder

1. primair, impliciet primair (poging tot moord), 2, 3 en 4 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist omtrent het beslag en de vordering van de benadeelde partij als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1:

hij op of omstreeks 02 april 2013 te Dordrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes althans met een scherp en/of puntig voorwerp

- eenmaal en/of meermalen zwaaiende en/of stekende en/of slaande bewegingen in de richting van de borst en/of een/de arm(en) en/of een/de be(e)n(en), althans in de richting van het bovenlichaam en/of het (midden)lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gemaakt en/of (vervolgens)

- in een been van die [slachtoffer 1] heeft gestoken en/of gesneden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 02 april 2013 te Dordrecht aan een persoon [Slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel (een snijwond dwars op de knieschijf van ongeveer 10 cm lengte met losse huidflap en/of deels afgesneden knieschijf en/of kniekapsel) heeft toegebracht, door deze opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in een been te steken en/of te snijden;

meer subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 02 april 2013 te Dordrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes althans met een scherp en/of puntig voorwerp

- eenmaal en/of meermalen zwaaiende en/of stekende en/of slaande bewegingen in de richting van de borst en/of een/de arm(en) en/of een de be(e)n(en), althans in de richting van het bovenlichaam en/of het (midden)lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gemaakt en/of (vervolgens)

- in een been van die [slachtoffer 1] heeft gestoken en/of gesneden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


2:


hij op of omstreeks 02 april 2013 te Dordrecht [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd "Ik snij van jou nog eens jouw kop eraf", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3:


hij op of omstreeks 02 april 2013 te Dordrecht [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend (een punt van) een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de richting van die [slachtoffer 2] gehouden en (vervolgens) voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd "En jij gaat ook niets doen tegen mijn zoon" en/of "Jij doet je werk in het vervolg goed", althans woorden van gelijke aard of strekking;

4:


hij op of omstreeks 04 april 2013 te Dordrecht een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie I onder 7° van de Wet wapens en munitie gelet op 3 onder a van de Regeling wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen gelijkt dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt is, te weten een nabootsing van een pistool, welke door vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen, namelijk een pistool, merk Pietro Beretta, type Model 92 FS voorhanden heeft gehad.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Beoordeling van het onder 1 ten laste gelegde

Toedracht

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de heer [slachtoffer 1] op 2 april 2013 te Dordrecht een met medische bewijsstukken gedocumenteerde snijwond heeft opgelopen aan zijn rechterknie doordat de verdachte - met wie hij in gesprek was - hem met een mes heeft gestoken. Over de toedracht hiervan leidt het hof uit de bewijsmiddelen af dat de verdachte [slachtoffer 1] geraakt heeft bij de eerste (steek)beweging die hij met het mes heeft gemaakt. Blijkens de bewijsmiddelen was de verdachte, die tot dan toe naast [slachtoffer 1] had gezeten, naast [slachtoffer 1] gaan staan en heeft hij met een door de verdachte zelf als zeer scherp omschreven mes (een door een opsporingsambtenaar als dolkmes met zeer groot lemmet omschreven mes kwalificeert de verdachte op 12 april 2013 als gelijkend op dit mes) in zijn rechterhand, na zijn rechterarm tot voor zijn borst te hebben geheven, een steekbeweging van linksboven naar rechtsbeneden gemaakt.

Voor de vraag welke positie [slachtoffer 1] op het moment van deze steekbeweging ten opzichte van de verdachte had, volgt het hof de verklaring van [slachtoffer 1], dat hij op dat moment nog steeds op zijn stoel zat, van schrik achteruit is geweken en daarbij achterover ten val kwam, waarna bleek dat hij in zijn been was geraakt. Het hof hanteert daarvoor als steunbewijs de verklaring van

[slachtoffer 2], volgens welke deze de verdachte geen steekbeweging heeft zien maken, maar [slachtoffer 1] wel achterover heeft zien vallen, waarna [slachtoffer 2] zag dat [slachtoffer 1] gewond was. Naar het oordeel van het hof sluit deze gang van zaken uit dat de verdachte, zoals hijzelf heeft verklaard, deze steekbeweging heeft gemaakt toen [slachtoffer 1] reeds achterover was gevallen.

Voor het maken van volgende steekbewegingen zoals cumulatief/alternatief tenlastegelegd heeft het hof onvoldoende bewijs aangetroffen. De verklaring die [slachtoffer 1] hierover heeft afgelegd, vindt geen steun in de verklaring van de getuige(n) die hierbij dan aanwezig geweest zou(-den) zijn. Weliswaar heeft de verdachte verklaard meer bewegingen met het mes te hebben gemaakt, maar het hof heeft niet uit wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte, die op dat moment stond naast de inmiddels achterovergevallen [slachtoffer 1], daarmee [slachtoffer 1] dodelijk heeft proberen raken. Dit terwijl de positie waarin beiden zich ten opzichte van elkaar bevonden geen grond biedt voor het aannemen van opzet in de zin van voorwaardelijk opzet daartoe. Verdachte zal van het tenlastegelegde in zoverre dan ook worden vrijgesproken.

Opzet

Uit de hiervoor beschreven toedracht en de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte, staand naast de op een stoel gezeten [slachtoffer 1], een ongeveer 30-40 cm lang en zeer scherp mes van linksboven naar rechtsbeneden heeft bewogen in de richting van het bovenlichaam van [slachtoffer 1].

Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte aldus minstgenomen welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 1] door dit mes in zijn bovenlichaam zou worden geraakt. Gezien de vele vitale organen die zich in het bovenlichaam bevinden en de aard en omvang van het door de verdachte als gelijkend herkende type mes, alsmede gezien de scherpte van het door de verdachte gebruikte exemplaar, is het hof van oordeel dat de kans dat dit mes bij het treffen van het bovenlichaam van [slachtoffer 1] ook daadwerkelijk tot vitale organen zou zijn doorgedrongen en aldus een dodelijke verwonding zou hebben teweeggebracht, aanmerkelijk is. Naar het oordeel van het hof moet de verdachte zich onmiddellijk voorafgaand aan de steekbeweging van die aanmerkelijke kans bewust zijn geweest en volgt daaruit dat hij die aanmerkelijke kans dan ook welbewust heeft aanvaard.

Het hof verwerpt de verklaring van de verdachte dat hij zich pas bij de eerste steekbeweging van de grote scherpte van het mes bewust zou zijn geworden. Verdachte heeft immers verklaard dat hij het desbetreffende mes heeft gekocht en sindsdien al geruime tijd in bezit had, alsmede dat hij het mes niet had geslepen. Het is dan niet aannemelijk dat hij zich van de scherpte van dit mes niet bewust is geweest toen hij de steekbeweging maakte.

Aldus overwegende komt het hof op grond van de gebezigde bewijsmiddelen tot de overtuiging dat de verdachte bij zijn handelen het in de tenlastelegging bedoelde opzet heeft gehad.

Voorbedachte raad

Voor de beslissing of de verdachte bij het onder 1 tenlastegelegde handelen - voor zover dat overeenkomstig het hiervoor overwogene voor bewezenverklaring vatbaar is - heeft gehandeld met voorbedachte raad staat blijkens de geldende jurisprudentie het volgende voorop.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen (Hoge Raad van 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342).

Het hof neemt in overweging dat de verdachte reeds geruime tijd met de instelling waar zijn leerplichtige zoon voor onderwijs was ingeschreven in conflict was over het soort onderwijs waarvoor zijn zoon in aanmerking kwam. Daarbij stelde de verdachte zich op het standpunt dat zijn zoon, omdat deze niets mankeerde, voor het reguliere onderwijs in aanmerking kwam en stond hij aldus tegenover de instelling naar wier oordeel voor de bestaande indicatie voor cluster 4 onderwijs nog steeds grond bestond. In de loop van dit conflict heeft de verdachte zich ook van agressieve uitlatingen bediend. Inmiddels verzuimde zijn zoon de school ([naam school], onderdeel van de Yulius onderwijsgroep) sinds een incident met onderwijzend personeel in oktober 2012.

Op 2 april 2013 was een gesprek belegd met [slachtoffer 1], de vestigingsdirecteur van de onderwijsinstelling, [leerplichtconsulent], leerplichtconsulent, en [slachtoffer 2], onderwijsconsulent, met [zoon] en zijn ouders teneinde voor de gerezen situatie een oplossing te bereiken.

Uit de afgelegde verklaringen blijkt dat de verdachte op dat moment beoogde te bereiken dat [zoon] regulier onderwijs zou gaan volgen. Hij was daartoe in afwachting van een second opinion ten aanzien van de indicatiestelling. Ook de moeder van [zoon] achtte, zoals zij op 3 april 2013 heeft verklaard, een terugkeer naar [naam school] niet meer wenselijk. Het doel van de leerplichtconsulent was om [zoon] weer onderwijs te laten volgen met het oog waarop zij overwoog desnoods handhavend op te treden.

Tegenover het op zichzelf opmerkelijke gegeven dat de verdachte zich voorzien van een zeer scherp mes naar deze afspraak heeft begeven, neemt het hof in aanmerking dat de verdachte ook zijn zoon en diens moeder op die afspraak verwachtte. Om die reden ziet het hof het meenemen van het mes (waarover de verdachte overigens heeft verklaard dat hij gewoon was een dergelijk mes

bij zich te dragen) niet als een aanwijzing dat zich inmiddels een op de dood van [slachtoffer 1] gericht voornemen bij de verdachte had gevormd. Dat de verdachte volgens de door hem en de moeder van [zoon] afgelegde verklaringen zich eerder gedachten had toegestaan c.q. uitlatingen had gedaan die kunnen worden opgevat als speculatie op ernstige gevolgen voor de betrokkenen indien men zich niet naar zijn wensen met betrekking tot het onderwijs aan [zoon] zou voegen, maakt dit oordeel niet anders.

In de voorgestelde bewijsconstructie van de advocaat-generaal neemt het volgende citaat uit de politieverklaring van de verdachte van 3 april 2013 een centrale plaats in: V: Had je ook rekening gehouden met dat die fouten niet hersteld zouden worden(n), A: Ja, dat ik hem zou afmaken.

Anders dan de advocaat-generaal acht het hof dit een multi-interpretabel antwoord van de verdachte dat niet eenduidig wijst op een vooropgezet plan. Naar het oordeel van het hof is het - gelet op de context van dit citaat en het feit dat het Nederlands niet verdachtes moedertaal is - niet duidelijk of de verdachte hiermee doelt op een vooraf gemaakt plan of juist achteraf beschrijft wat er toen die middag is gebeurd.

Het hof ziet voorts in hetgeen de verdachte tijdens zijn politieverhoor van 3 april 2013 naar voren heeft gebracht over het op de school inrijden met een auto vol benzine en gasflessen of het gewapend met een pistool vervolgens gijzelen van schoolpersoneel veeleer door hem verwoorde wraakfantasieën dan eerdere – niet uitgevoerde – moordplannen van de verdachte die uiteindelijk hebben geleid tot het onderhavige incident.

De verdachte heeft verklaard dat hij als gevolg van een poging tot liquidatie op hem al jaren hetzij met een pistool hetzij met een mes gewapend over straat gaat. Op grond van deze – niet weerlegde – verklaring van de verdachte kan er dus geen bijzondere betekenis worden gehecht aan het feit dat de verdachte op 2 april (ook) met een mes op zak naar het gesprek toe ging.

Het verloop van het gesprek, waarvoor [zoon] en zijn moeder overigens op het laatste moment verhinderd bleken, was volgens de deelnemers vooral in eerste instantie redelijk en rustig en over het algemeen niet slecht, zij het met moeilijke momenten. Het hof neemt in aanmerking dat de verdachte daarbij een ernstige doodsbedreiging tot [slachtoffer 1] heeft gericht en dat hij zich nadien -zoals hij zelf heeft verklaard ter afkoeling- enige tijd op de wc heeft afgezonderd.

Wat hiervan verder zij, in de fase van het gesprek die door eenieder als afrondend werd beschouwd en die bestemd was voor het vastleggen van afspraken, ontstond een discussie over de vraag of het al dan niet tot de bevoegdheden van [naam school] behoorde om voor [zoon] een verlenging van de cluster 4 indicatie aan te vragen. [slachtoffer 2] stelde voor om even met de verlengingsaanvraag te wachten tot duidelijk was wat er uit de second opinion was gekomen. [Slachtoffer 1] heeft vervolgens gezegd dit met de Commissie van begeleiding te zullen bespreken. Dat was volgens [slachtoffer 2] het moment van ‘ontploffing’. Verdachte heeft verklaard: “(…) Er werd gezegd dat de diagnose afgewacht zou worden en dat ik daar twee à drie weken de tijd voor zou krijgen. Als ik niets had dan zou Yulius de herindicatie mogen aanvragen. En toen ging het mis. Ik weet niet wat het precies was. Het was in een keer hup. (…) Ik zag niets meer (…) Ik stond op en zei: Ga je nu van mijn kinderen af blijven of nee. Ik had het mes in mijn handen.

Het hof acht gelet op hetgeen aan het handelen van verdachte direct voorafging geenszins onaannemelijk dat de verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. In elk geval kan naar het oordeel van het hof niet worden vastgesteld dat aan het handelen van de verdachte een gelegenheid is voorafgegaan tot beraad gedurende enige tijd over de betekenis en de gevolgen van een voornemen om de heer [slachtoffer 1] daadwerkelijk met zijn mes te steken, nu van een dergelijk overwogen voornemen aan het hof niet uit wettige bewijsmiddelen is gebleken. De verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van de tenlastegelegde voorbedachte raad.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair impliciet subsidiair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:

hij op 02 april 2013 te Dordrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet, met een mes

- een stekende beweging in de richting van het bovenlichaam en/of het (midden)lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gemaakt en

- in een been van die [slachtoffer 1] heeft gesneden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2:


hij op 02 april 2013 te Dordrecht [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd "Ik snij van jou nog eens jouw kop eraf";

3:


hij op 02 april 2013 te Dordrecht [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend (een punt van) een mes in de richting van die [slachtoffer 2] gehouden en (vervolgens) voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd "Jij doet je werk in het vervolg goed";

4:


hij op 04 april 2013 te Dordrecht een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie I onder 7° van de Wet wapens en munitie gelet op 3 onder a van de Regeling wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen gelijkt dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt is, te weten een nabootsing van een pistool, welke door vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen, namelijk een pistool, merk Pietro Beretta, type Model 92 FS voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Feit 3

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs dient te worden vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde, op de daartoe in de door hem overgelegde pleitnota aangevoerde gronden.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de verklaringen van [slachtoffer 2] en de verdachte volgt in onderling verband en samenhang bezien dat de verdachte de in de tenlastelegging bewezen verklaarde woorden tegen [slachtoffer 2] heeft gezegd in het kader van een hoog oplopend conflict over de schoolmogelijkheden van zijn zoon en dat de verdachte, terwijl hij dit zei, een mes van ongeveer 30 centimeter in de richting van [slachtoffer 2] hield. Voorts had de verdachte enkele ogenblikken daaraan voorafgaand [slachtoffer 1] met datzelfde mes ernstig verwond.

Naar het oordeel van het hof is derhalve sprake van een situatie waarin bij [slachtoffer 2] de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou verliezen. Het hof acht het onder 3 ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Feit 4

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep voorts betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 4 ten laste gelegde.

Dit nu de loop van deze aansteker in de vorm van een vuurwapen zodanig afwijkt van de echte loop van een Beretta vuurwapen dat de gelijkenis onvoldoende is om te kunnen spreken van een voorwerp dat zodanig op een echt vuurwapen lijkt dat het voor be- of afdreiging geschikt is.

Het hof verwerpt de stelling van de raadsman en overweegt daartoe dat uit het ambtsedig en van foto’s voorziene proces-verbaal van 9 april 2013 het tegendeel blijkt. Het hof acht het onder 4 ten laste gelegde daarom wettig en overtuigend bewezen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Het onder 2 en 3 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht,

meermalen gepleegd.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is, ook met inachtneming van de hierna te bespreken rapporten over de persoon van de verdachte, geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair impliciet primair (poging tot moord), 2, 3 en 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich gedurende een gesprek over het onderwijs aan zijn zoon schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op de directeur van de school van die zoon. Als gevolg daarvan heeft het slachtoffer fors en blijvend letsel aan zijn linkerknie opgelopen.

Een dergelijk geweldsincident schokt de rechtsorde.

Door aldus te handelen heeft de verdachte met name bij de slachtoffers en omstanders gevoelens van angst, onveiligheid, verwarring en onbegrip veroorzaakt.

In datzelfde gesprek heeft de verdachte voorafgaand aan deze poging tot doodslag op de hierboven omschreven wijze deze directeur met de dood bedreigd en, dadelijk nadien, ook een aan dat gesprek deelnemende onderwijsconsulent.

Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp.

Het hof houdt bij het opleggen van de straf rekening met de omstandigheid dat het door de verdachte gepleegde geweld is begaan jegens personen voor wie gezien hun

functie open communicatie, gespeend van elke vorm van agressie, en vertrouwen over en weer onontbeerlijk is. Door de verdachte is hiervan misbruik gemaakt.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 4 april 2016, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op het rapport van P.K.J. Ronhaar, psychiater, opgemaakt op 12 juli 2013 en op het rapport van D. Breuker, forensisch psycholoog, opgemaakt op 28 juni 2013. Beide deskundigen constateren dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis met vooral narcistische en paranoïde trekken. Verdachte is op zichzelf gericht en geneigd zichzelf centraal te stellen en zich groot te maken. Hij is daarbij krenkend en vasthoudend, soms rigide. De ten laste gelegde feiten waren een resultante van de combinatie van (ook reële) externe factoren en betrokkenes persoonlijkheidsstoornis, aldus de psychiater. De psycholoog is van oordeel dat er vanwege de persoonlijkheidspathologie bij de verdachte sprake is van een verhoogde krenkbaarheid, van een gestoorde emotie- en agressieregulatie en van een lacunaire gewetensfunctie. Tegen de achtergrond hiervan schiet hij aanzienlijk tekort in het oplossen en hanteren van conflicten.

Volgens beide deskundigen was in de aanloop naar en ten tijde van de ten laste gelegde feiten eveneens sprake van genoemde persoonlijkheidsstoornis. Zij adviseren vanwege de duidelijke doorwerking van de persoonlijkheidsstoornis in de ten laste gelegde feiten, de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten voor het hem ten laste gelegde.

Nu de conclusies van de deskundigen gedragen worden door hun bevindingen en door hetgeen ook overigens tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, neemt het hof die conclusies over en maakt die tot de zijne.

De verdachte wordt daarom ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten als verminderd toerekeningsvatbaar beschouwd.

Beide forensisch deskundigen zijn van oordeel dat sprake is van een ernstige persoonlijkheidspathologie waarvoor behandeling nodig is om de vergrote kans op recidive te verkleinen. Die ambulante behandeling (in combinatie met medicatie) zou eventueel als een bijzondere voorwaarde kunnen worden opgenomen bij de oplegging van een deels voorwaardelijke straf.

Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten is een deels voorwaardelijke straf naar het oordeel van het hof niet aan de orde. Nu de verdachte hangende de procedure in hoger beroep afstand heeft gedaan van zijn Nederlandse nationaliteit zal de verdachte als ongewenste vreemdeling na ommekomst van straf worden uitgezet naar Egypte.

Het hof gaat er van uit dat de verdachte tijdens zijn detentie de benodigde psychomedische zorg zal krijgen.

Het hof zal een lagere straf opleggen dan de op bewezenverklaring van de impliciet primair ten laste gelegde poging moord gebaseerde eis van de advocaat-generaal.

Alles afwegend, zowel uit het oogpunt van vergelding als uit generaal en speciaal preventief oogpunt, acht het hof een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie.

Beslag

Het na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een imitatiewapen (Beretta),

met betrekking tot welke het onder 4 bewezen verklaarde is begaan, dient te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Anders dan de advocaat-generaal ziet het hof geen aanleiding louter de – waardeloze - verpakkingsdoos voor een mes verbeurd te verklaren. Verbeurdverklaring is een vermogensstraf waarmee bij oplegging wordt beoogd de veroordeelde in zijn vermogen te treffen. Het mes zelf, waarmee dus de feiten 1 en 3 zijn begaan is echter nooit gevonden.

De inbeslaggenomen lege doos zal daarom worden teruggegeven aan de verdachte.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 1]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 3.250,72 (bestaande uit € 1.250,72 materiële schade en € 2.000,00 immateriële schade).

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot genoemd totaalbedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door noch namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 april 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is van oordeel dat voorts aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 april 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 3.250,72, te vermeerderen met de wettelijke rente, aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het [slachtoffer 1].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 36f, 45, 57, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, impliciet primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 primair impliciet subsidiair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde zoals hiervoor overwogen heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, impliciet subsidiair, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

imitatiewapen (Beretta).

Beveelt de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen verpakkingsdoos van mes fosco industries (pagina 227 proces-verbaal).

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.250,72 (drieduizend tweehonderdvijftig euro en tweeënzeventig cent) bestaande uit € 1.250,72 (duizend tweehonderdvijftig euro en tweeënzeventig cent) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 2 april 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.250,72 (drieduizend tweehonderdvijftig euro en tweeënzeventig cent) bestaande uit € 1.250,72 (duizend tweehonderdvijftig euro en tweeënzeventig cent) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 42 (tweeënveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 2 april 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. R.M. Bouritius, mr. M.P.J.G. Göbbels en mr. T.B. Trotman, in bijzijn van de griffier mr. L.E.M. Meekenkamp.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 mei 2016.

Mr. M.P.J.G. Göbbels en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.