Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:1211

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
13-04-2016
Datum publicatie
11-05-2016
Zaaknummer
BK-15/00967 tm BK-15/00972
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is: of de Inspecteur in de fase van het opleggen van de primitieve aanslagen een ambtelijk verzuim heeft begaan waardoor hij bij het opleggen van de navorderingsaanslagen niet beschikte over een nieuw feit in de zin van artikel 16 lid 1 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR); of ten tijde van het opleggen van de navorderingsaanslagen de twaalfjaarstermijn als bedoeld in artikel 16 lid 4 van de AWR was verstreken; zo de eerste en de tweede vraag ontkennend worden beantwoord: of belanghebbende de vereiste aangiften heeft gedaan; als de vereiste aangiften niet zijn gedaan: of sprake is geweest van een redelijke schatting van de inkomens door de Inspecteur; of terecht vergrijpboeten zijn opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1056
V-N 2016/38.5 met annotatie van Redactie
FutD 2016-1219
NTFR 2016/1538 met annotatie van mr. J. Kastelein
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-15/00967 tot en met BK-15/00972

uitspraak van 13 april 2016

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Rotterdam, de Inspecteur,

inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 9 juli 2015, nummers SGR 14/1024 t/m SGR 14/1027, SGR 14/10329 en SGR 14/ 10331, betreffende de onder 1.1 tot en met 1.3. vermelde navorderingsaanslagen en beschikkingen.

Navorderingsaanslagen, beschikkingen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De Inspecteur heeft met dagtekening 15 april 2013 aan belanghebbende voor de jaren 2006 tot en met 2009 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar belastbare inkomens uit werk en woning van respectievelijk € 36.059 (2006), € 75.334 (2007), € 81.722 (2008) en € 51.369 (2009).

1.2.

Op dezelfde datum zijn voorts aan belanghebbende navorderingsaanslagen inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) voor de jaren 2007 en 2009 opgelegd, berekend naar een bijdrage-inkomen van respectievelijk € 30.623 (2007) en € 32.369 (2009).

1.3.

Gelijktijdig met de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw zijn beschikkingen gegeven waarbij heffingsrente in rekening is gebracht (de beschikkingen heffingsrente). Gelijktijdig met de navorderingsaanslagen IB/PVV zijn beschikkingen gegeven waarbij vergrijpboetes van 50 percent van de nagevorderde belasting zijn opgelegd (de boetebeschikkingen).

1.4.

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de bezwaren gegrond verklaard, de navorderingsaanslagen verminderd en de beschikkingen heffingsrente alsmede de boetebeschikkingen dienovereenkomstig gewijzigd.

1.5.

De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

De belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de rechtbank hoger beroep ingesteld. De griffier heeft voor alle zaken tezamen een griffierecht geheven van € 123. De Inspecteur heeft verweerschriften ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 2 maart 2016 gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. De zaken zijn gezamenlijk behandeld. Van het ter zitting verhandelde is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3. Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde gaat het Hof in hoger beroep uit van de volgende feiten :

3.1

Belanghebbende is in de jaren 2006 tot en met 2009 in dienst bij [Y] ( [Y] ). Belanghebbende verricht daar werkzaamheden ten behoeve van de catering van vliegtuigen.

3.2.

In een onderzoek van de Marechaussee, FIOD en Douane (het zogenoemde [H] -team) naar de invoer van verdovende middelen via de luchthaven Schiphol in 2009 is belanghebbende als verdachte aangemerkt voor de invoer van verdovende middelen met behulp van cateringtrolleys.

3.3.

Tegen belanghebbende is een strafrechtelijk financieel onderzoek geopend dat zich uitstrekt over de periode 1 januari 2005 tot en met 30 maart 2010. De bevindingen zijn neergelegd in een proces-verbaal van 7 december 2012 (bijlage Q bij het verweerschrift voor de rechtbank). Daaruit is naar voren gekomen dat belanghebbende in de onderzoeksperiode beschikte over een aantal Nederlandse bankrekeningen, een Nederlandse creditcardrekening, een Antilliaanse bankrekening en onroerend goed op Curaçao.

3.4.

Over de onderzoeksperiode is van de inkomsten en de uitgaven van belanghebbende en zijn echtgenote een eenvoudige kasopstelling gemaakt. Hieruit volgt dat er in die periode € 147.308,15 meer uitgaven zijn gedaan dan legaal mogelijk was.

3.5.

Bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 17 september 2012 is belanghebbende veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar voor zijn rol in het meermaals binnen Nederland brengen van grote partijen cocaïne in 2009. Het gerechtshof heeft belanghebbende vrijgesproken van het witwassen van gelden.

3.6.

In het onder 3.5 vermelde arrest overweegt Hof Amsterdam, voor zover hier van belang - het volgende:

“ (…) De verdachte en zijn raadsman hebben hiertegenover ten verwere aangevoerd – kort zakelijk weergegeven – dat het totale bedrag aan contante stortingen voldoende verklaard wordt door de ook door de advocaat-generaal erkende inkomsten uit nevenwerkzaamheden van de verdachte op het gebied van een handel in geiten en zaken als machines, gereedschappen en auto-onderdelen en de handel van zijn echtgenote in tassen, sieraden, textiel en andere zaken. Verder zijn er nog de handel in Viagra-pillen en soortgelijke producten en leningen van verdachtes stiefzoon aan verdachte.

(…)

In het kader van een strafrechtelijk financieel onderzoek over de periode van 1 januari 2005 tot en met 30 maart 2010 tegen de verdachte en diens echtgenote is door de financiële recherche onder meer en voor zover hier van belang het volgende geconstateerd:

De verdachte heeft in de jaren 2005 tot en met 2010 salaris ontvangen van [Y] , welk salaris op zijn bankrekening werd overgemaakt;

-De verdachte beschikt over twee Nederlandse bankrekeningen, een Nederlandse creditcardrekening en een Antilliaanse bankrekening, uitsluitend ten name van hemzelf gesteld;

-In de periode van 1 januari 2005 tot en met 30 maart 2010 is op de Nederlandse bankrekeningen van de verdachte een bedrag van in totaal € 123.125 contant gestort, waarvan de herkomst onbekend is;

-Uit het onderzoek naar de bankrekeningen van de verdachte en [A] blijkt dat het maandelijkse legale inkomen van beide echtelieden ontoereikend is om de maandelijkse basisuitgaven te kunnen betalen, nog afgezien van overige zaken als kleding, brandstof en luxe artikelen;

-Op grond van de resultaten van een gemaakte kasopstelling van uitsluitend het contante geldverkeer heeft de financiële recherche geconcludeerd dat er ten aanzien van beide echtelieden sprake is van een minimaal onverklaarbaar bedrag in de kas van in totaal € 147.308,15;

-De verdachte doet herhaaldelijk contante stortingen op eigen rekening voorafgaand aan het doen van een betaling;

-Door de verdachte is in de onderzoeksperiode geld overgemaakt naar zijn Antilliaanse bankrekening, welk geld vervolgens weer contant is opgenomen;

-Bij de belastingdienst zijn geen gegevens bekend over het ontplooien van economische activiteiten door de verdachte naast zijn werkzaamheden in dienstbetrekking bij [Y] ;

-Ook komt de naam van de verdachte niet voor op een zoekwebsite van bedrijfsgegevens;

-Het Douane informatiecentrum heeft over het in- of uitvoeren van goederen op naam van de verdachte geen informatie kunnen vinden;

-Er is geen geld- of goederenstroom ten gunste van de verdachte van de Nederlandse Antillen naar Nederland geconstateerd;

-De verdachte heeft bij de verhoren door het Bureau Financiële Recherche in het onderzoek “Pan” verklaard dat hij een in het kader van een ontslagzaak een vergoeding heeft gekregen en voor het overige gebruik gemaakt van zijn zwijgrecht.

(…)

De handel in geiten op Curaçao, waarover de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep gedetailleerd heeft verklaard, lijkt niet onaannemelijk. Dat verdachte in geiten handelde wordt ondersteund door de inhoud van een getapt telefoongesprek, gevoerd door verdachte met ene [B] , waarin wordt gesproken over lammetjes en door de omstandigheid dat de verdachte balen hooi ten behoeve van het (bij)voeren van zijn geitenkudde heeft doen verschepen vanuit Nederland naar Curaçao.

(…)

Het Openbaar Ministerie heeft wel nader onderzoek verricht naar de door de verdachte genoemde handel in diverse goederen voor afnemers in Curaçao. Voorafgaand aan dat onderzoek werd deze verklaring al op punten ondersteund door die van [A] als getuige, de verklaringen van de getuigen [C] en [D] en ook door de aankoopbonnen van de firma [E] en rekeningafschriften. Uit aanvullend onderzoek is naar voren gekomen dat de verdachte wel in de systemen van de dienst Douane voorkomt als aangever van goederen voor de uitvoer naar Curaçao, en wel 17 keer vanaf 2006 tot 10 januari 2011. Het betreft hier goederen die onder meer zijn omschreven als “persoonlijke goederen, tapijten, kleding, huishoudelijke supplies, gereedschappen, aanhangwagen(s), aggregaat”. Voorts blijkt uit onderzoek in januari 2011 bij scheepsvrachtexpediteur [F] en [G] B.V. eveneens van diverse verschepingen naar Curaçao in opdracht van de verdachte van diverse goederen waaronder aanhangwagens, gereedschappen en machines. Ook op dit punt voldoet de verklaring van de verdachte over de herkomst van de contante stortingen op zijn rekening naar het oordeel van het hof aan de hiervoor genoemde vereisten. Gelet op de omvang die de handel van de verdachte mogelijk heeft gehad en het aantal jaren waarin die heeft plaatsgehad, acht het hof het niet hoogst onwaarschijnlijk dat een bedrag van € 123.125 daarmee is verdiend, ook niet wanneer gemaakte kosten in aanmerking worden genomen. De geloofwaardigheid van de door de verdachte eveneens gestelde handel in Viagra-pillen en soortgelijke producten, of de bij de stiefzoon afgesloten leningen, behoeft, gelet op het vorenstaande, in dit kader geen bespreking meer. (…)”

3.7.

In 2009 is aan belanghebbende ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van of uit het onder 3.5 genoemde strafbare feit de verplichting tot betaling van € 10.183,50 opgelegd.

3.8.

Belanghebbende heeft voor de onderhavige jaren aangifte gedaan naar belastbare inkomens uit werk en woning van:

2006 € 25.334

2007 € 26.774

2008 € 26.898

2009 € 27.179

De definitieve aanslagen IB/PVV over de jaren 2006, 2007 en 2009 zijn conform de aangiften opgelegd. De aanslag IB/PVV over het jaar 2008 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 47.172.

3.9.

Naar aanleiding van de bevindingen van het strafrechtelijk onderzoek heeft de Inspecteur bij brief van 18 april 2013 belanghebbende medegedeeld navorderingsaanslagen opgelegd te hebben voor de jaren 2006 tot en met 2009 wegens niet aangegeven inkomsten met vergrijpboetes van 50%, alsmede navorderingsaanslagen inkomensafhankelijke bijdrage Zvw over de jaren 2006 tot en met 2010. Deze niet aangegeven inkomsten zijn, uitgaande van de contante stortingen op de bankrekeningen van belanghebbende, op de volgende bedragen vastgesteld:

2006 € 10.725

2007 € 48.560

2008 € 34.550

2009 € 24.190.

3.10.

De Inspecteur heeft naar aanleiding van de bezwaren van belanghebbende bij uitspraak op bezwaar de correcties verminderd waarbij is uitgegaan van het volgende:

- Het minimaal onverklaarbaar vermogen van belanghebbende en zijn echtgenote bedraagt € 147.308 over de periode 1 januari 2005 tot en met 30 maart 2010.

- Van de totale stortingen groot € 186.285 is € 63.160 is aan de echtgenote toe te rekenen en € 123.125 aan belanghebbende.

- Gerelateerd aan het onverklaarbaar gebleven vermogen wordt aldus 123.125/186.285 x 147.308 = € 97.363 aan belanghebbende toegerekend.

- De onderzoeksperiode bedraagt 63 maanden. Het aantal maanden van deze periode dat in de heffing is betrokken bedraagt 48.

- Het herrekend minimaal onverklaarbaar vermogen van belanghebbende wordt hierdoor 48/63 x € 97.363 = € 74.181 en voor zijn echtgenote € 38.053.

- Er is over de jaren 2006 tot en met 2009 nagevorderd over totaal € 118.025 inkomsten.

- Omgeslagen naar de in de heffing betrokken jaren wordt het resultaat bepaald op:

2006 € 6.740

2007 € 30.520

2008 € 21.715

2009 € 15.203.

- De correctie voor het jaar 2009 is door de Inspecteur voorts verlaagd met de aan belanghebbende opgelegde ontnemingsmaatregel van € 10.183,50. De opgelegde vergrijpboetes zijn overeenkomstig verminderd.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

In geschil is:

1e. of de Inspecteur in de fase van het opleggen van de primitieve aanslagen een ambtelijk verzuim heeft begaan waardoor hij bij het opleggen van de navorderingsaanslagen niet beschikte over een nieuw feit in de zin van artikel 16 lid 1 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR);

2e. of ten tijde van het opleggen van de navorderingsaanslagen de twaalfjaarstermijn als bedoeld in artikel 16 lid 4 van de AWR was verstreken;

3e. zo de eerste en de tweede vraag ontkennend worden beantwoord: of belanghebbende de vereiste aangiften heeft gedaan;

4e. als de vereiste aangiften niet zijn gedaan: of sprake is geweest van een redelijke schatting van de inkomens door de Inspecteur;

5e. of terecht vergrijpboeten zijn opgelegd.

4.2.

Belanghebbende beantwoordt de vragen, met uitzondering van de derde vraag, ontkennend; de Inspecteur beantwoordt deze vragen bevestigend. Belanghebbende beantwoordt de 3e vraag bevestigend; de Inspecteur beantwoordt deze vraag ontkennend.

4.3.

Voor de gronden waarop partijen hun standpunten doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de rechtbank, de uitspraken op bezwaar, de navorderingsaanslagen, de boetebeschikkingen en de beschikkingen heffingsrente.

5.2.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraken van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen:

Nieuw feit en navorderingstermijn

13. Op grond van artikel 16, eerste lid, van de AWR kan de Inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. Een feit dat de Inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Een belastingplichtige is te kwader trouw indien hij opzettelijk de Inspecteur onjuiste gegevens heeft verstrekt of de Inspecteur opzettelijk de juiste gegevens heeft onthouden. De bewijslast dat sprake is van een nieuw feit rust op de Inspecteur. Naar het oordeel van de rechtbank beschikt verweerder over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. Daartoe overweegt de rechtbank dat verweerder uit de aangiften IB/PVV van eiser over de onderhavige jaren niet kon afleiden dat eiser in die jaren opbrengsten uit handel in Curaçao genoot. Naar het oordeel van de rechtbank bestond er voor verweerder op basis van die aangiften geen aanleiding om te vermoeden dat er naast de inkomsten uit dienstbetrekking nog andere inkomensbronnen waren. Hierbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat verweerder eerst op 7 december 2012 door het Openbaar Ministerie is geïnformeerd.

14. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd met toepassing van artikel 16, vierde lid, van de AWR. Op grond van deze bepaling wordt de navorderingstermijn verlengd tot twaalf jaren indien te weinig belasting is geheven over een bestanddeel van het voorwerp van enige belasting dat in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen. Eiser heeft gesteld dat verweerder niet kan navorderen omdat de navorderingsaanslagen buiten de vijfjaarstermijn zijn opgelegd. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit de aangiftegegevens blijkt dat eiser geen aangifte heeft gedaan van de onderhavige inkomsten. Omdat nadien aannemelijk is geworden dat eiser in de onderhavige jaren inkomsten uit handel in Curaçao heeft genoten en hij deze inkomsten niet in zijn aangiften heeft opgenomen, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een in het buitenland opgekomen bestanddeel en wordt, ingevolge artikel 16, vierde lid AWR, de termijn om te kunnen navorderen vastgesteld op twaalf jaren.

Bewijslastverdeling

15. De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast voor de stelling dat eiser in de jaren 2006 tot en met 2009 inkomsten heeft genoten uit het verhandelen van geiten, Viagra en zaken zoals machines, gereedschappen en auto-onderdelen (de handel), bij verweerder ligt. In dat verband heeft verweerder onder meer verwezen naar het rapport van het [H] -team en het arrest genoemd onder 5.

16. Hiertegenover heeft eiser slechts aangevoerd dat hij geen inkomsten heeft genoten. Eiser stelt dat er sprake was van een vriendendienst die bestond uit de incidentele aankoop van machines en gereedschappen voor derden.

17. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, met wat hij daarover heeft aangevoerd en overgelegd, aannemelijk gemaakt dat eiser inkomsten uit de handel in Curaçao heeft genoten. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking hetgeen onder 4 en 7 is vermeld. Hetgeen eiser daartegenover heeft aangevoerd is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

18. In artikel 27e van de AWR is bepaald dat indien niet de vereiste aangifte is gedaan, de rechtbank het beroep ongegrond dient te verklaren tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is (omkering en verzwaring van de bewijslast). Nu eiser de inkomsten uit de handel in zijn aangiften IB/PVV over de jaren 2006 tot en met 2009 niet heeft aangegeven, ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of eiser de vereiste aangifte heeft gedaan. In dat verband is van belang of de over deze inkomsten verschuldigde belasting relatief en absoluut bezien aanzienlijk is.

19. Verweerder heeft de totale inkomsten uit de handel berekend op € 74.178. Die berekening, welke is weergegeven in de brief van verweerder aan eiser van 7 augustus 2014 en waarvan een afschrift tot de gedingstukken behoort (zie bijlage P bij het verweerschrift), acht de rechtbank redelijk. De rechtbank is van oordeel dat het aannemelijk is dat eiser de berekende inkomsten heeft genoten. Nu de over de inkomsten die eiser uit de handel heeft genoten verschuldigde belasting relatief en absoluut bezien aanzienlijk is, is omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing. Dit houdt in dat eiser overtuigend moet aantonen dat en in hoeverre verweerder het belastbare resultaat op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Daarin is eiser naar het oordeel van de rechtbank - onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de stellingen van eiser - niet geslaagd.

20. Vervolgens is aan de orde of de door verweerder vastgestelde correctie berust op een redelijke schatting (vergelijk onder meer Hoge Raad 28 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6486). De totale inkomsten in de jaren 2006 tot en met 2009 bedragen volgens verweerder € 74.178 en volgen uit de stortingen die aan eiser zijn toe te rekenen. De uitgangspunten waarop deze berekening is gebaseerd, zijn neergelegd in het proces-verbaal van het [H] -team. Deze schatting acht de rechtbank redelijk.

21. De door eiser gegeven verklaring voor die constante stortingen acht de rechtbank niet aannemelijk, zodat die verklaring aan het voormelde oordeel niet kan afdoen.

22. Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft verweerder de contante stortingen die aan eiser zijn toegerekend terecht als resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking genomen.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

23. Met betrekking tot de door eiser gestelde schending van het motiveringsbeginsel overweegt de rechtbank dat eiser uit de brief van verweerder van 18 april 2013 (zie onder 9) kon afleiden dat bij verweerder het voornemen bestond om navorderingsaanslagen op te leggen en dat die navordering zou worden gebaseerd op informatie die aan verweerder was verstrekt in het kader van het strafrechtelijk financieel onderzoek dat tegen eiser was verricht en waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een proces-verbaal van 7 december 2012 (zie bijlage Q bij het verweerschrift). Gelet hierop kan naar het oordeel van de rechtbank niet gesteld worden dat verweerder de navorderingsaanslagen zonder nadere onderbouwing heeft opgelegd. Er is door verweerder dan ook niet in strijd met het motiveringsbeginsel gehandeld. De stelling van eiser dat verweerder eveneens in strijd met andere algemene beginselen van behoorlijk bestuur zou hebben gehandeld, lees: het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, faalt, aangezien hij deze stelling niet heeft onderbouwd.

Vergrijpboetes

24. Verweerder heeft aan eiser vergrijpboetes opgelegd ingevolge artikel 67e van de AWR en hij stelt zich op het standpunt dat het aan (voorwaardelijk) opzet is te wijten dat eiser onjuiste of onvolledige aangiftes heeft gedaan. De rechtbank is van oordeel dat verweerder geslaagd is in de op hem rustende bewijslast dat eiser met het verzwijgen van de inkomsten uit de handel willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de door hem ingediende aangiften IB/PVV onjuist dan wel onvolledig zouden zijn. Het door verweerder gehanteerde boetepercentage van 50 acht de rechtbank dan ook passend en geboden. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de omstandigheid dat de boetegrondslag is vastgesteld met toepassing van omkering van de bewijslast in dit geval geen aanleiding geeft tot een ander oordeel, omdat de inkomensberekening door de rechtbank op grond van de gebleken feiten is vastgesteld.

25. De rechtbank overweegt dat voor zover eiser heeft gesteld dat de vergrijpboetes dienen te worden gematigd vanwege een overschrijding van de redelijke termijn (een overschrijding van afgerond drie maanden tijd, gerekend vanaf de kennisgeving van de boetes omstreeks 18 april 2013 tot aan de datum van deze uitspraak), die stelling faalt. De rechtbank stelt voorop dat wegens de complexiteit van de zaken en de samenloop met de strafrechtelijke procedure er aanleiding is om een langere termijn dan de gebruikelijke twee jaren voor bezwaar en beroep als redelijk aan te merken. Daarbij kan het extra tijdsverloop voor een belangrijk deel worden toegerekend aan vertraagde proceshandelingen van eiser zelf. Deze vertraging ziet onder meer op de uitgestelde indiening van de motivering van het pro forma bezwaarschrift welke pas na herhaaldelijk uitstel daartoe werd ingediend. Gelet op deze bijzondere omstandigheden (de complexiteit van de zaken en de proceshouding van eiser) is er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om de boetes te verminderen.

26. Van schending van het una via-beginsel als bedoeld in artikel 5:44, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is ook geen sprake. Eiser is beboet voor het feit dat hij de inkomsten in zijn aangiften IB/PVV had kunnen en moeten opnemen, maar dit niet heeft gedaan. De feiten waarvoor aan eiser bestuurlijke boetes zijn opgelegd, liggen niet besloten in de feiten waarvoor eiser strafrechtelijk is vervolgd. Van dubbele bestraffing ter zake van hetzelfde feit is derhalve geen sprake.

Heffingsrente

27. Eiser heeft tegen de in rekening gebrachte heffingsrenten geen gronden ingebracht.

Proceskosten

28. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

29. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, dient te worden beslist als hieronder is vermeld.”

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de Inspecteur beschikt over een nieuw feit, dat de navorderingstermijn van twaalf jaar toepassing vindt, dat belanghebbende de vereiste aangiften niet heeft gedaan alsmede dat de (navorderings)aanslagen berusten op een redelijke schatting en dat terecht vergrijpboeten zijn opgelegd, dat die niet dienen te worden verminderd vanwege het verstrijken van de redelijke termijn en dat het una-via beginsel niet is geschonden. Het Hof heeft deze oordelen en de gronden waarop zij rusten gewogen en is tot de conclusie gekomen dat deze juist zijn. Het Hof maakt de oordelen en de gronden waarop zij rusten tot de zijne en voegt daaraan nog het volgende toe.

Nieuw feit en kwade trouw

7.2.

Belanghebbende heeft aangevoerd dat de Inspecteur voor de navorderingsjaren 2006 tot en met 2009 niet beschikte over een de navordering rechtvaardigend nieuw feit. Het Hof verwerpt dat standpunt. Bij dit oordeel neemt het Hof het volgende in aanmerking. De Inspecteur had bij het vaststellen van de primitieve aanslagen geen enkele reden te veronderstellen dat belanghebbende inkomsten genoot uit de door hem op Curaçao gedreven handel in goederen en vee (hierna: de handel op Curaçao). In de aangiften zijn geen inkomsten ter zake opgenomen. Eerst door de bewezenverklaring in het strafarrest van 17 september 2012 is komen vast te staan dat belanghebbende de handel op Curaçao dreef en dat belanghebbende daaruit aanzienlijke inkomsten heeft genoten. De omvang van de inkomsten (en daarmee het onder 3.10 genoemde bedrag van € 123.125) is eerst duidelijk geworden aan de hand van het rapport strafrechtelijk financieel onderzoek waarvan de Inspecteur niet eerder op de hoogte was en kon zijn dan 7 december 2012. De omstandigheid dat de Belastingdienst/ Douane (mogelijk) op de hoogte was van (een deel van) de leveringen van goederen door en aan belanghebbende, doet hieraan niet af. Nu de Inspecteur over een de navordering rechtvaardigend nieuw feit beschikte, behoeft de vraag of belanghebbende te kwader trouw was geen beantwoording.

Navorderingstermijn

7.3.

Met hetgeen de Inspecteur heeft aangevoerd en overgelegd heeft hij aannemelijk gemaakt dat de contante stortingen op de rekeningen van belanghebbende gedurende de navorderingsjaren stammen uit handel op Curaçao. De stelling dat de inkomsten waarop de navorderingen zien niet daar zijn opgekomen vindt geen grondslag in de feiten. Belanghebbende heeft de inkomsten verborgen gehouden voor de Inspecteur. Derhalve is de twaalfjaarstermijn van toepassing wat betreft de belastingjaren 2006 en 2007. De navorderingsaanslagen voor die jaren zijn binnen de twaalfjarentermijn opgelegd. De navorderingsaanslagen 2008 en 2009 zijn opgelegd binnen de vijfjaarstermijn van artikel 16 lid 3 van de AWR; derhalve komt het Hof voor die jaren niet toe aan de beantwoording van de tweede in geschil zijnde vraag.

Vereiste aangifte en redelijke schatting

7.4.

Belanghebbende heeft de inkomsten die hij met de handel op Curaçao heeft verworven, niet in zijn aangiften inkomstenbelasting voor de jaren 2006 tot en met 2009 verantwoord. De Inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat het bedrag van deze inkomsten in de onderzochte periode zowel absoluut als relatief substantieel was. Mitsdien heeft belanghebbende de vereiste aangiften niet gedaan en dient de bewijslast te worden omgekeerd en verzwaard.

De Inspecteur heeft het bedrag van de met de handel verworven inkomsten in redelijkheid geschat op (na vermindering)

2006 € 6.740

2007 € 30.520

2008 € 21.715

2009 € 5.019.

Belanghebbende heeft daartegenover niet doen blijken dat de aanslagen onjuist zijn vastgesteld. Voor de juistheid van de stelling dat vrienden van belanghebbende bedragen op zijn rekening hebben gestort en dat hij voor hen als vriendendienst goederen heeft gekocht, welke stelling zo begrijpt het Hof, erop neerkomt dat belanghebbende met de handel in goederen niet aan het economische verkeer heeft deelgenomen, heeft belanghebbende geen objectief vast te stellen concrete gegevens aangevoerd.

Belanghebbende heeft nog gesteld dat een deel van de contante stortingen aan de handel van zijn echtgenote zijn toe te rekenen. Hij ziet er echter bij deze stelling aan voorbij dat de Inspecteur bij het vaststellen van het onverklaarbaar vermogen en de correctie van het inkomen reeds een gedeelte aan de echtgenote heeft toegerekend en het inkomen van haar heeft gecorrigeerd. Belanghebbende heeft niet doen blijken dat het aan haar toe te rekenen gedeelte te laag is vastgesteld.

Vergrijpboetes

7.5.

Door ten tijde van het doen van de aangiften in het geheel geen opgave te doen van de door hem in de onderhavige jaren genoten inkomsten handel op Curaçao, heeft belanghebbende de Inspecteur de juiste inlichtingen onthouden en zulks doet aannemelijk zijn dat hij wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat daardoor te weinig belasting zou worden geheven, althans dat de Inspecteur daardoor bij het opleggen van de primitieve aanslagen geen dan wel onvoldoende zicht zou hebben op de (wijze van) verantwoording van de desbetreffende inkomsten, en voorts dat hij die kans toen bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Het Hof acht voorwaardelijk opzet bij belanghebbende aanwezig. Vergrijpboetes van vijftig percent van de boetegrondslag zijn passend en geboden bij deze gedragingen. In de omstandigheid dat de Inspecteur, ter adstructie van zijn standpunt dat de navorderingsaanslagen niet op een te hoog bedrag zijn vastgesteld, zich heeft beroepen op de omkering en verzwaring van de bewijslast, vindt het Hof aanleiding de vergrijpboete te verlagen tot 40 percent van de boetegrondslag.

Belanghebbende heeft tegenover de gemotiveerde weerspreking van belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de Inspecteur in bezwaar zou hebben voorgesteld de strafrechtelijke afhandeling af te wachten alvorens het bezwaar verder te behandelen.

Redelijke termijn

7.6.

Naar het oordeel van het Hof is de redelijke termijn in bezwaar, beroep en hoger beroep niet overschreden. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat de vertragingen die zijn opgetreden in de bezwaar- en beroepsfase zijn veroorzaakt door de vertraging in de proceshandelingen van de gemachtigde van belanghebbende die op 26 april 2013 het bezwaar tegen de navorderingsaanslag 2006 heeft ingediend en pas op 22 november 2013 heeft gemotiveerd en die voorts op 29 oktober 2014 beroep heeft ingediend en dat eerst op 26 januari 2015 heeft gemotiveerd. Niet gesteld of gebleken is dat die vertragingen hem vanwege bijvoorbeeld een gebrek aan informatie niet zijn toe te rekenen. In hoger beroep is de redelijke termijn van twee jaar in acht genomen. Voor een verdere vermindering van de boetes dan hiervoor onder 7.5 is vermeld ziet het Hof daarom geen aanleiding.

Slotsom

7.7.

Het vorenstaande leidt het Hof tot de conclusie dat de hoger beroepen ten dele gegrond zijn.

Proceskosten en griffierecht

8.1.

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten, waarbij het Hof, gelet op de inhoud van de desbetreffende dossiers, de zaken met de nummers BK-15/00967 tot en met BK-15/00972 aanmerkt als met elkaar samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het vorengenoemde Besluit en de daarbij behorende bijlage, voor de vorenbedoelde zaken tezamen vast op € 2.976 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de rechtbank en voor het Hof (4 punten à € 496 x 1 (gewicht van de zaak) x 1,5 (samenhang) en € 738 in de bezwaarfase (2 punten à € 246 x 1 x 1,5). Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

8.2.

Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling voor de rechtbank gestorte griffierecht van € 45, alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 123 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank,

- verklaart het beroep voor wat betreft de boetebeschikkingen gegrond en voor het overige ongegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de boetebeschikkingen,

- wijzigt de boetebeschikkingen aldus dat de boetes IB/PVV over de jaren 2006 tot en met 2009 worden verminderd tot 40 percent van de boetegrondslag;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 3.714,

- gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 168 aan griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. J.J.J. Engel, voorzitter, mr. G.J. van Leijenhorst en mr. S.T.M. Beelen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De beslissing is op 13 april 2016 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

  2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.