Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:1179

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-05-2016
Datum publicatie
03-08-2016
Zaaknummer
200.122.616/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige overheidsdaad; beweerde schade aan landbouwgewassen door storing gemaal. Vervolg op ECLI:NL:GHDHA:2015:1322 na getuigenverhoor

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2015/117

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.122.616/01

Zaaknummer rechtbank : 83288

Arrest van 3 mei 2016

inzake

1. VAN OERS UNITED B.V.,

gevestigd te Ridderkerk,

2. HOLLAND BEAN B.V.,

gevestigd te Heerle, gemeente Roosendaal,

3. DEMIJBA B.V.,

gevestigd te Strijensas, gemeente Strijen,

appellanten in de hoofdzaak,

eiseressen in het incident,

hierna te noemen: Van Oers c.s.,

advocaat: mr. W.M. Bijloo te Middelharnis, gemeente Goeree-Overflakkee,

tegen

WATERSCHAP HOLLANDSE DELTA,

zetelend te Ridderkerk,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

hierna te noemen: het Waterschap,

advocaat: mr. J.J. Jacobse te Middelburg.

Het geding

Op 16 juni 2015 heeft het hof in deze zaak een tweede tussenarrest gewezen. Het verwijst daarnaar voor het procesverloop tot die datum. Het in dat arrest toegelaten getuigeverhoor heeft vervolgens plaatsgevonden. Daarna hebben partijen onderscheidenlijk een memorie en een antwoordmemorie na enquête genomen, Van Oers c.s. met productie. Ten slotte hebben partijen wederom arrest gevraagd

Verdere beoordeling

1. Het hof blijft bij hetgeen het in voormeld arrest heeft overwogen en beslist.

2. In voormeld arrest heeft het hof Van Oers c.s. toegelaten door het doen horen van getuige [B.] nader te bewijzen dat door of namens [D.] op 25 juli 2007 omstreeks 16:00 uur een melding is gedaan aan het Waterschap, alsmede inzicht te geven in de inhoud van die melding en de reactie daarop.

3. [B.] heeft als getuige verklaard dat hij op 25 juli 2007 heeft gezien dat er water tussen de planten stond, dat hij zijn constatering bij [D.] heeft gemeld, dat [D.] de hoge waterstand heeft gemeld bij het Waterschap, dat hij niet bij die melding aanwezig is geweest maar er blindelings van uitgaat dat [D.] die gedaan heeft, dat hij ’s middags aan [D.] heeft gemeld dat de waterstand niet daalde, dat [D.] hem toen gezegd heeft dat hij opnieuw contact zou opnemen met het Waterschap, alsmede (in antwoord op een vraag van de raadsman van Van Oers c.s.) dat [D.] hem heeft verteld dat hij tot tweemaal toe het Waterschap gebeld heeft.

4. Van Oers c.s. hebben aan hun vordering onder meer ten grondslag gelegd dat het Waterschap onvoldoende heeft gereageerd op meldingen van de beweerde wateroverlast. De rechtbank heeft de vorderingen, voor zover gebaseerd op die grond, afgewezen, omdat door de in het rechtbankvonnis benoemde tegenstrijdigheden aan de verklaring van getuige [D.] niet het bewijs kan worden ontleend dat hij op 25 juli omstreeks 16:00 aan het Waterschap een melding heeft gedaan dat het oppervlaktewater in de Torensteepolder veel te hoog stond. Het hof onderschrijft dat oordeel. Het is voorts van oordeel dat de verklaring van de getuige [B.] onvoldoende inhoud heeft om die tegenstrijdigheden op te heffen. Immers, die getuigeverklaring is er een van horen zeggen (door [D.]) en over de inhoud van de telefoongesprekken kan de getuige niets verklaren. Uit die getuigeverklaring is ook niet naar voren gekomen dat namens [D.] aan het Waterschap een telefonische melding is gedaan. Het hof acht daarom niet bewezen dat door of namens [D.] op 25 juli 2007 omstreeks 16:00 een melding aan van de te hoge waterstand aan het Waterschap is gedaan.

5. In voormeld tussenarrest heeft het hof geen ander bewijsmiddel toegelaten dan het horen van voornoemde getuige. Schriftelijk bewijs heeft het hof niet toegelaten, aangezien Van Oers c.s. dat eerder hadden kunnen en moeten overleggen. Het hof zal daarom geen acht slaan op de door Van Oers c.s. overgelegde schriftelijke verklaring van [Z.], die bovendien door de rechtbank al als getuige is gehoord en die Van Oers c.s. in hun memorie van grieven niet opnieuw als getuige hebben genoemd, laat staan dat zij hebben gemotiveerd waarom deze getuige opnieuw zou moeten worden gehoord.

6 De slotsom is, dat het hof de vordering van Van Oers c.s., voor zover gebaseerd op onvoldoende reageren door het Waterschap op een melding van wateroverlast, zal afwijzen.

7. Over de andere gronden die Van Oers c.s. ter onderbouwing van hun vordering naar voren hebben gebracht, heeft het hof in voormeld tussenarrest reeds een oordeel geveld, waaruit blijkt dat de daarop betrekking hebbende grieven niet slagen. Voor zover Van Oers c.s. met hun memorie na enquête beogen de discussie daarover te heropenen, volgt het hof hen niet, aangezien de beginselen van een goede procesorde zich daartegen verzetten.

8. Het hof concludeert dat de grieven van Van Oers c.s. geen van alle tot resultaat leiden. Het hof zal de vonnissen waarvan beroep bekrachtigen. Daarbij past een veroordeling van Van Oers c.s. in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van het Waterschap.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt de tussen partijen gewezen vonnissen van de rechtbank Dordrecht van 20 januari 2010, 28 juli 2010 en 18 juli 2012;

- veroordeelt Van Oers c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van het Waterschap tot op heden vastgesteld op € 4.961,- aan griffierecht en € 14.683,50 aan salaris advocaat, alsmede in de nakosten, begroot op € 131,-, te vermeerderen met € 68,- voor de explootkosten als betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden.

Dit arrest is gewezen door mrs. A. Dupain, A.V. van den Berg en M.E. Honée op 26 april 2016 en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 mei 2016 in aanwezigheid van de griffier.