Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:1143

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-05-2016
Datum publicatie
02-05-2016
Zaaknummer
2200442615
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:541, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 266 Sr. Eenvoudige belediging.

Een gemeenteraadslid van de gemeente Zoetermeer is in hoger beroep veroordeeld wegens belediging in het openbaar van een ander gemeenteraadslid van dezelfde gemeente. Het gerechtshof Den Haag heeft de man op 2 mei 2016 veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van 350 euro. De verdachte had het andere gemeenteraadslid in een tweet en in een bericht op zijn facebookpagina een racist genoemd. In eerste aanleg was de verdachte door de rechtbank nog vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-004426-15

Parketnummer: 09-061221-15

Datum uitspraak: 2 mei 2016

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 25 september 2015 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 18 april 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het primair en subsidiair ten laste gelegde vrijgesproken.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 10 juni 2014 tot en met 11 juni 2014 te Zoetermeer opzettelijk de eer en/of de goede naam van [aangever] heeft aangerand door telastelegging van een of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft hij met voormeld doel middels een zogenoemde tweet, althans een bericht op zijn, verdachtes, (openbare) Twitteraccount en/of middels een bericht op zijn, verdachtes, Facebookaccount – zakelijk weergegeven – medegedeeld dat een complete geloofsgemeenschap wordt gediscrimineerd door de racist Aangever;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezen-verklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 10 juni en/of 11 juni 2014 te Zoetermeer opzettelijk een persoon genaamd [aangever], in het openbaar schriftelijk en/of mondeling (middels een zogenoemde tweet, althans een bericht op zijn, verdachtes, (openbare) twitteraccount en/of middels een bericht op zijn, verdachtes, Facebookpagina) heeft beledigd, door (een) bericht(en) te plaatsen op zijn, verdachtes, (openbare) twitteraccount en/of Facebookpagina met de woorden: "In het kader van problemen benoem ik dus het probleem, discriminatie van een complete geloofsgemeenschap door de racist [aangever]", en/of “de racist [aangever]” en/of “de racist [aangever]”.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is

ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan –overeen-komstig de vordering van de advocaat-generaal- behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 10 juni en/of 11 juni 2014 te Zoetermeer opzettelijk een persoon genaamd [aangever], in het openbaar schriftelijk en/of mondeling (middels een zogenoemde tweet, althans een bericht op zijn, verdachtes, (openbare) twitteraccount en/of middels een bericht op zijn, verdachtes, Facebookpagina) heeft beledigd, door (een) bericht(en) te plaatsen op zijn, verdachtes, (openbare) twitteraccount en/of Facebookpagina met de woorden: "In het kader van problemen benoem ik dus het probleem, discriminatie van een complete geloofsgemeenschap door de racist [aangever]", en/of “de racist [aangever]” en/of “de racist [aangever]”.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep –op gronden als vermeld in haar overgelegde pleitnota- primair op het standpunt gesteld dat de verdachte ook dient te worden vrijgesproken van het hem subsidiair ten laste gelegde. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De raadsvrouw heeft hiertoe - kort en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd:

Verdachte heeft nooit de bedoeling gehad om [aangever] te beledigen. Uit de feiten en omstandigheden blijkt dat Aangever discriminerende uitlatingen heeft gedaan tijdens de raadsvergadering op 10 juni 2014 te Zoetermeer. Door zijn eigen uitlatingen heeft [aangever] er zelf toe bijgedragen dat hem deze bewoordingen zouden worden toegevoegd. Derhalve kan [aangever] door de uitlatingen van verdachte niet zijn beledigd.

Uit het arrest van het EHRM van 13 november 2003 (13 november 2003, NJ 2004, 338, Scharsach) blijkt dat iemand als politicus meer aan uitlatingen te dulden heeft dan een gewone burger. Verdachte heeft als politicus op zijn Twitter-account kritiek geuit over de door [aangever], eveneens als politicus gedane uitlatingen tijdens de raadsvergadering op 10 juni 2014 in Zoetermeer. Onder de gegeven omstandigheden en gelet op de door [aangever] gedane uitlatingen, kunnen de door verdachte geplaatste berichten niet als opzettelijk beledigend voor [aangever] worden gekwalificeerd.

Subsidiair kan verdachte met succes een beroep doen op het bepaalde in artikel 266, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, namelijk dat niet als een eenvoudige belediging strafbaar zijn gedragingen die ertoe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen, en die er niet op zijn gericht ook in ander opzicht of zwaarder te grieven dan uit die strekking voortvloeit. Deze bepaling dient gezien te worden als een rechtvaardigingsgrond waardoor een beroep daarop zou leiden tot het ontslag van alle rechtsvervolging.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op grond van het dossier is het volgende komen vast te staan.

Op 10 juni 2014 heeft een raadsvergadering van de gemeente Zoetermeer plaatsgevonden, waarbij moest worden besloten over het al dan niet stichten van een bijzondere Islamitische basisschool in Zoetermeer. Het College stelde voor om niet akkoord te gaan met het voornemen deze school te stichten. Dit voorstel werd gesteund door de [aangever]. [Aangever] heeft tijdens het debat het woord gevoerd en heeft hierbij verklaard dat zijn fractie vindt dat dit soort scholen niet bijdragen aan de integratie van burgers in de Nederlandse samenleving, het alleen maar anti-integratie is en dat zijn fractie daarop tegen is en derhalve voor het voorstel van het College zal stemmen.

Op de vraag van de verdachte, of [aangever] doelde op scholen op religieuze grondslag in het algemeen of op scholen op Islamitische grondslag in het bijzonder, heeft [aangever] geantwoord dat hij doelde op het laatste. Verdachte heeft toen gezegd dat [aangever] discriminatoir bezig was.

Verdachte heeft vervolgens, tijdens de raadsvergadering (om 00.05 uur) de woorden “de racist [aangever] en “de racist [aangever] op Twitter geplaatst.

Kort hierna heeft de verdachte de woorden "Dus in het kader van problemen benoemen benoemde ik het probleem: discriminatie van een complete geloofsgemeenschap door de racist [aangever] op zijn Facebook account geplaatst. Verdachte heeft aldus, naar eigen zeggen, zijn politieke frustratie op dat moment geuit. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij van mening was dat de heer [aangever] door zijn uitlatingen tijdens het debat discrimineerde, waarbij een persoon die discrimineert door verdachte wordt omschreven als een racist.

De heer [aangever] voelt zich beledigd door juist deze term “racist”.

Het hof is van oordeel dat de verdachte de beledigende uitlating in het openbaar heeft gedaan. Een ieder die aangesloten is op deze sociale netwerken heeft kennis kunnen nemen van de beledigende uitlating van de verdachte jegens [aangever].

De verdachte heeft verklaard dat zijn Twitter-account 418 volgers had en dat de belediging dus niet op grote schaal verspreid is. Dat betekent echter niet dat de groep personen die de tweet heeft kunnen zien beperkt is tot deze 418 volgers. Verdachte heeft namelijk, zoals hij zelf ook erkent, een openbaar Twitter-account.

Hoewel het Facebook-account van verdachte niet openbaar is, hebben toch in ieder geval meer dan 700 personen die tot verdachtes Facebook vrienden behoren kennis kunnen nemen van de beledigende uitlating.

Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte de opzet heeft gehad om de heer [aangever] te beledigen, deze belediging wijd te verspreiden en een grote groep mensen met deze belediging te bereiken.

Het hof is voorts van oordeel dat de uitlatingen van de verdachte niet in het politiek debat zijn gedaan, maar zijn geschreven buiten het kader van de raadsvergadering en ook anderszins buiten een politieke context. Wel zijn de uitlatingen in het maatschappelijk debat gedaan.

De waardigheid van de persoon [aangever] wordt aangetast, met name door het gebruik van het woord “racist”. Dat woord heeft immers, mede door de massale volkerenmoord op Joden, Roma en Sinti tijdens de Tweede Wereldoorlog een bijzonder negatieve lading. Deze aantasting wordt versterkt door het feit dat een ieder die gebruik maakt van sociale media kennis heeft kunnen nemen van de beledigende uitlating van de verdachte. De tweet van verdachte is niet sarcastisch of ironisch bedoeld. Het gaat om een uiterst serieuze uitlating, gericht tegen de persoon [aangever].

Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van een rechtvaardigingsgrond als bepaald in artikel 266, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht en dat verdachte beschermd wordt door artikel 10 van het EVRM, waarin de vrijheid van meningsuiting wordt beschermd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Artikel 10 lid 2 EVRM bevat de voorwaarden waaraan een beperking van de vrijheid van meningsuiting moet voldoen. Beoordeeld dient te worden of de inbreuk op de vrijheid van meningsuiting bij wet is voorzien, of de inbreuk een legitiem doel dient en of de inbreuk noodzakelijk is in een democratische samenleving.

Dit laatste criterium omvat de vragen of sprake is van een pressing social need of de inbreuk in verhouding staat tot het nagestreefde doel en of de door de nationale autoriteiten gegeven motivering relevant en voldoende is.

Het EHRM gunt de nationale autoriteiten een bepaalde beoordelingsruimte (margin of appreciation) bij de bepaling of er een pressing social need bestaat.

Bij de beoordeling van de noodzaak om deze uitingsvrijheid te beperken, weegt het EHRM alle omstandigheden van het geval mee.

Het hof is van oordeel dat in de onderhavige zaak aan alle drie de voorwaarden voor een beperking van de vrijheid van meningsuiting is voldaan.

In de eerste plaats is de beperking bij wet voorzien in artikel 266 van het Wetboek van Strafrecht.

Bovendien is de beperking in het belang van de bescherming van de goede naam en rechten van anderen, namelijk in deze zaak het belang dat [aangever] niet in een ongunstig daglicht gesteld wordt en niet geschaad wordt in zijn eer en goede naam.

Ten slotte is de beperking van de uitingsvrijheid noodzakelijk in een democratische samenleving.

Het bepaalde in artikel 266, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, namelijk dat niet als een eenvoudige belediging strafbaar zijn gedragingen die ertoe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen, en die er niet op zijn gericht ook in ander opzicht of zwaarder te grieven dan uit die strekking voortvloeit biedt in casu geen bescherming aan verdachte, nu verdachte in zijn uitingen veel verder is gegaan dan geboden was door de aard en strekking van zijn kritiek. Het gebruik van het woord “racist” gaat veel verder dan nodig was voor de kritiek van de verdachte en is ook geenszins van toepassing op het standpunt dat aangever heeft ingenomen tijdens de raadsvergadering. De uitlating “racist” is dan ook onnodig grievend jegens de aangever.

De uitlating van de verdachte is, gelet op het voorgaande, zonder meer beledigend van aard.

Verdachte heeft zijn uitlatingen gedaan via een medium waarmee een zeer groot publiek kan worden bereikt. Vandaag de dag is het moeilijk om personen te vinden die niet aangesloten zijn bij sociale media zoals Facebook en/of Twitter. Nu de verdachte als politiek vertegen-woordiger van de SP in Zoetermeer een groot aantal volgers heeft en bovendien geen besloten account heeft, is de beledigende uitlating op grote schaal verspreid. Hoe groter de impact van een uitlating, hoe prangender het is om hier strafrechtelijk tegen op te treden omdat de schade die wordt aangericht omvangrijker is.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

eenvoudige belediging.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 350,-, subsidiair zeven dagen hechtenis, met de bepaling dat de geldboete in zeven termijnen van € 50,- mag worden voldaan.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan belediging van [aangever]. Zodoende heeft hij het slachtoffer in diens eer en goede naam aangerand. De door de verdachte gedane uitlatingen zijn zowel op zichzelf als in hun context beledigend en kunnen niet worden gezien als evidente bijdrage aan het maatschappelijk debat.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte een passende en geboden reactie vormt. Het hof kiest voor een geheel voorwaardelijke straf nu het belang van de normbevestiging zwaarder weegt dan de uiteindelijke straf.

Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 266 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 350,00 (driehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door mr. A.A. Schuering, mr. J.T.F.M. van Krieken en mr. E. van Die, in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 mei 2016.

Mr. J.T.F.M. van Krieken en de griffier zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.