Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:1105

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-04-2016
Datum publicatie
22-04-2016
Zaaknummer
BK-15/00811
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:8101, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of belanghebbende voldoet aan het urencriterium als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/934
V-N 2016/38.24.21
FutD 2016-1066
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-15/00811

Uitspraak van 19 april 2016

in het geding tussen:

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (hierna: de Rechtbank) van 29 mei 2015 nummer SGR 15/90 betreffende de hierna vermelde aanslag.

Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2011 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 7.399.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

1.4.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Ter zake daarvan is € 123 griffierecht geheven.

2.2.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 8 maart 2016, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

In hoger beroep is, op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1.

Belanghebbende drijft een onderneming in de vorm van een eenmanszaak. De ondernemingsactiviteiten van belanghebbende bestaan uit het reviseren van elektrische piano's uit de jaren '70 van de vorige eeuw.

3.2.

Bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2011 is de Inspecteur afgeweken van de door belanghebbende ingediende aangifte door onder meer de door belanghebbende geclaimde zelfstandigenaftrek te corrigeren.

Geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

In geschil is of belanghebbende voldoet aan het urencriterium als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).

4.2.

Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslag.

5.2.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Oordeel van de Rechtbank

6. De Rechtbank heeft – voor zover hier van belang – omtrent het geschil het volgende overwogen:

4. Ingevolge artikel 3.76 in verbinding met artikel 3.6, eerste lid, van de Wet IB 2001 wordt de zelfstandigenaftrek toegepast ten aanzien van de belastingplichtige die gedurende het kalenderjaar ten minste 1.225 uren besteedt aan werkzaamheden voor een of meer ondernemingen waaruit hij als ondernemer winst geniet.

5. [ Belanghebbende], op wie in dit geval de bewijslast rust, heeft ter onderbouwing van het standpunt dat hij aan het urencriterium heeft voldaan een schatting van de uren die hij aan zijn onderneming heeft besteed, overgelegd. Volgens dit overzicht heeft hij in 2011 in totaal 1.480 uur aan zijn onderneming besteed. Hiervan heeft 216 uur betrekking op door hem gefactureerde werkzaamheden als pianotechnicus. De overige 1.264 uren betreffen "research in het kader van productontwikkeling". Naast het overzicht heeft [belanghebbende] een omschrijving van zijn werkzaamheden overgelegd.

6. [ Belanghebbende] heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan, omdat zijn research werkzaamheden niet kunnen worden beschouwd als activiteiten verricht in zijn onderneming dan wel in een andere onderneming. Het gaat om een heel andere soort werkzaamheden en zo al sprake is van deelname aan het economisch verkeer, heeft [belanghebbende] met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat met zijn research werkzaamheden redelijkerwijs voordeel is te verwachten. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [belanghebbende] ten aanzien van deze werkzaamheden geen opdrachtgevers heeft en tot op heden geen omzet heeft behaald. Nu de 1.264 uren die [belanghebbende] aan research werkzaamheden heeft besteed niet als ondernemingsactiviteiten kwalificeren, heeft [belanghebbende] niet aan het urencriterium voldaan en heeft [de Inspecteur] terecht de zelfstandigenaftrek niet toegepast.

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

Vooropgesteld zij dat voor de toepassing van de zelfstandigenaftrek de ondernemer dient te voldoen aan het urencriterium. Onder het urencriterium wordt in dit verband verstaan, het gedurende het kalenderjaar besteden van ten minste 1.225 uren aan werkzaamheden voor een onderneming waaruit de ondernemer winst geniet (artikel 3.6 van de Wet IB 2001).

7.2.

Belanghebbende, op wie in dezen de bewijslast rust, heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat aan het urencriterium is voldaan onder meer een urenspecificatie overgelegd. De daarin opgenomen uren bestaan uit: gefactureerde werkzaamheden met betrekking tot pianotechnische assistentie 216 uur en researchwerkzaamheden in het kader van productontwikkeling voor muziek 420 uur, voor psychologie 244 uur en voor samenleving 600 uur, in totaal derhalve 1.480 uur. Deze urenspecificatie is een achteraf opgemaakte schatting en is niet gespecificeerd.

7.3.

Hoewel ook achteraf opgestelde urenspecificaties in beginsel kunnen bijdragen aan het bewijs dat aan het urencriterium wordt voldaan, heeft belanghebbende met de door hem overgelegde urenspecificatie en de andere overgelegde stukken niet aan zijn bewijslast voldaan. De door belanghebbende overgelegde urenspecificatie is te globaal, onvoldoende gespecificeerd en te algemeen van aard om belanghebbende geslaagd te kunnen achten in zijn bewijslast. De werkzaamheden zijn immers slechts per soort activiteit getotaliseerd per jaar in het urenoverzicht vermeld. De overige door belanghebbende overgelegde stukken leiden niet tot een ander oordeel.

De vragen of de door belanghebbende uitgevoerde researchwerkzaamheden in het verlengde liggen van zijn onderneming en, zo nee, of deze een andere onderneming vormen, alsmede de vraag of belanghebbendes werkzaamheden gelijk dienen te worden behandeld als het verrichten van promotieonderzoekswerkzaamheden, wat er verder ook zij van het antwoord op deze vragen, kunnen derhalve onbeantwoord blijven.

7.4.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. Chr.Th.P.M. Zandhuis , P.J.J. Vonk en E.M. Vrouwenvelder in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.S.H.M. Strik. De beslissing is op 19 april 2016 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.