Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:1100

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
26-04-2016
Datum publicatie
14-07-2016
Zaaknummer
200.186.890-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

beslissing ex art 3:300 BW t.a.v. registergoed. Verzuim tijdige aantekening hoger beroep in rechtsmiddelenregister (ex art 3: 301 BW); sanctie: niet- ontvankelijk (inclusief de daarmee onlosmakelijk verbonden vorderingen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht


Zaaknummer : 200.186.890/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/502185 / KG ZA 15-1945

Arrest in kort geding van 26 april 2016

in de zaak met bovenvermeld zaaknummer van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal appel,
geïntimeerde in het incidenteel appel,

nader te noemen: [appellant],

advocaat: mr. G.C. Haulussy te Rotterdam,

tegen:

[geïntimeerde], h.o.d.n. [X],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,
appellant in het incidenteel appel,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. D.A. Evertsz te Amsterdam.

Het geding

Voor de gang van zaken tot 15 maart 2016 wordt verwezen naar het tussenarrest van die datum, waarbij, na het verlenen van verlof spoedappel, een comparitie van partijen werd gelast. [geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord (met producties) tevens houdende incidenteel appel en voorwaardelijke wijziging/vermeerdering van de subsidiaire eis in reconventie verweer gevoerd. De comparitie heeft plaatsgevonden op 25 maart 2016. Hiervan in proces-verbaal opgemaakt. Daarna is arrest bepaald op basis van het dossier dat reeds in het bezit is van de raadsheer-commissaris.

Beoordeling van het hoger beroep

  1. De door de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag in rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.7 van het bestreden vonnis van 10 februari 2016 genoemde feiten staan niet ter discussie, zodat ook het hof daarvan uitgaat.

  2. Kort en zakelijk weergegeven gaat het geschil tussen partijen om het volgende.
    (2.1) [appellant] heeft op 18 maart 2015 een bedrag van € 150.000 geleend van [geïntimeerde]. Daarnaast heeft [appellant] op 25 augustus 2015 en 29 september 2015 nog telkens een bedrag van € 50.000,-- ontvangen van [geïntimeerde]. Sinds juni/juli 2015 maakt [geïntimeerde] met toestemming van [appellant] gebruik van het aan [appellant] in eigendom toebehorende bedrijfspand aan [adres] (hierna: het pand). [geïntimeerde] heeft investeringen gedaan in het pand.
    (2.2) [appellant] heeft [geïntimeerde] gedagvaard voor de voorzieningenrechter met een vordering tot, kort weergegeven, veroordeling van [geïntimeerde], uitvoerbaar bij voorraad, tot ontruiming van het pand op straffe van een dwangsom.
    [appellant] stelt daartoe dat [geïntimeerde] zonder recht of titel in het pand verblijft. Weliswaar heeft hij [geïntimeerde] toegestaan om het pand met het oog op overleg over de koop/verkoop ervan in gebruik te nemen, maar tot werkelijke onderhandelingen en overeenstemming is het niet gekomen.
    (2.3) [geïntimeerde] heeft in reconventie primair gevorderd, kort weergegeven:
    (i) [appellant] te verbieden het pand aan een derde te leveren, op straffe van een
    dwangsom.
    (ii) [appellant] te veroordelen tot medewerking aan de verkoop en levering van
    het pand aan [geïntimeerde], vrij van hypotheken en beslagen, op straffe van een
    dwangsom.
    (iii) te bepalen dat bij het uitblijven van medewerking van [appellant] het vonnis
    in de plaats treedt van de voor de akte van levering vereiste wilsverklaring
    van [appellant] (ex artikel 3:300 BW).
    [geïntimeerde] stelt daartoe dat partijen een perfecte koopovereenkomst hebben gesloten tot verkoop van het pand aan [geïntimeerde] voor een bedrag van € 400.000,-- en levering in december 2015. In mindering op de koopprijs strekken de reeds door [geïntimeerde] betaalde bedragen van in totaal € 250.000,-- (zie rechtsoverweging 2.1). [geïntimeerde] betwist dat hij zonder recht of titel in het pand verblijft, nu hij daarvoor toestemming heeft gekregen van [appellant] met het oog op de verkooponderhandelingen, welke volgens [geïntimeerde] inmiddels zijn afgerond.
    (2.4) De voorzieningenrechter, die de vorderingen in conventie en in reconventie in samenhang heeft beoordeeld, is in het thans bestreden vonnis van 10 februari 2016 tot de conclusie gekomen dat voldoende aannemelijk is dat tussen partijen een overeenkomst tot verkoop van het pand voor € 400.000,-- tot stand is gekomen; dat [geïntimeerde] daarom niet zonder recht of titel in het pand verblijft, zodat ontruiming niet aan de orde is. Verder heeft de voorzieningenrechter in verband daarmee de vorderingen in reconventie toewijsbaar geacht, met uitzondering van de bij (ii) gevorderde dwangsom. Hiertoe achtte de voorzieningenrechter geen aanleiding, aangezien werd bepaald dat, bij gebreke van (tijdige) medewerking van [appellant] tot levering van het pand aan [geïntimeerde], dit vonnis op de voet van artikel 3: 300 BW in de plaats treedt van de voor de notariële levering van het pand vereiste medewerking van [appellant].
    Aldus is, uitvoerbaar bij voorraad, bij het vonnis van 10 februari 2016 beslist, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
    (2.5) Inmiddels is door een derde ten laste van [appellant] beslag gelegd op het pand.

  3. [appellant] is bij dagvaarding van 29 februari 2016 tegen het vonnis van de voorzieningenrechter in hoger beroep gekomen. De eerste grief bevat als klacht dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat aan de koopovereenkomst een recht is verbonden om vooruitlopend op de levering in het pand te verblijven. In hoger beroep heeft [appellant] in verband hiermee zijn eis vermeerderd in die zin dat hij een schadevergoeding vordert van € 3.500,-- exclusief btw voor elke maand dat [geïntimeerde] vanaf juni 2015 tot de ontruiming in het pand verblijft. Met de grieven 2 en 3 klaagt hij over het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat een perfecte koopovereenkomst tot stand is gekomen met een koopprijs van € 400.000,--.
    Grief 4 bevat een klacht over de toewijzing van vordering (i) in reconventie, terwijl [appellant] met grief 5 klaagt over de beslissing van de voorzieningenrechter dat [appellant] het pand vrij van beslagen en hypotheken moet leveren. Met grief 6 wordt geklaagd over het feit dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.

  4. [geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en van zijn kant incidenteel appel ingesteld, waarmee hij klaagt over de afwijzing van de in reconventie gevorderde dwangsom (genoemd in rechtsoverweging 2.4). .
    Beoordeling van de ontvankelijkheid
    In het principaal appel

  5. Nu er sprake is van een uitspraak waarbij de rechter ingevolge artikel 3:300 BW heeft bepaald dat zij in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte, dient op grond van het bepaalde in artikel 3:301, tweede lid, BW het hoger beroep op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen na het instellen van het rechtsmiddel te worden ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 433 Rv (het rechtsmiddelenregister). Desgevraagd ter comparitie heeft de advocaat van [appellant] aangegeven dat dit niet is gebeurd. Uit ambtshalve onderzoek van het hof blijkt dat dit klopt. Dit betekent dat [appellant] niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep, voor zover wordt opgekomen tegen oordelen die betrekking hebben op dat gedeelte van de bestreden uitspraak dat blijkens het dictum in de plaats treedt van de tot levering bestemde akte en daarmee onlosmakelijk verbonden oordelen (ECLI:NL:HR:2015:2531, NJ 2015/368). Dit voorschrift strekt ertoe de betrouwbaarheid van de openbare registers zoveel mogelijk te waarborgen met het oog op de rechtszekerheid die ten aanzien van de verkrijging van registergoederen is vereist; het strekt niet ter bescherming van het belang van de wederpartij van degene die het rechtsmiddel heeft ingesteld.

  6. In het licht van deze beperkte strekking van art. 3:301, tweede lid, BW dient dan ook onderzocht te worden of de sanctie van niet-ontvankelijkheid geldt voor alle oordelen waartegen thans wordt opgekomen. Het hof is van mening dat dit het geval is.
    Niet alleen de leveringsverplichting van het pand, maar ook het oordeel over de ontruiming en het verbod tot levering van het pand aan een derde zijn onlosmakelijk verbonden met dat gedeelte van het dictum waarin is uitgemaakt dat het vonnis (krachtens artikel 3:300 BW) in de plaats treedt van de tot levering van het pand bestemde akte. [appellant], als principaal appellant, kan dus niet in zijn hoger beroep worden ontvangen.

In het incidenteel appel

7. Ten aanzien van de toegewezen vordering van [geïntimeerde] tot levering van het pand heeft de voorzieningenrechter (ingevolge artikel 3:300 BW) bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte. De thans in hoger beroep aan de orde zijnde vordering van [geïntimeerde] tot levering van het pand op straffe van een dwangsom is hier onlosmakelijk mee verbonden, zodat ook ten aanzien hiervan de eis van artikel 3:301 BW geldt. In dit verband heeft het hof eveneens ambtshalve onderzocht of [geïntimeerde] als incidenteel appellant binnen acht dagen na het incidenteel appel van 22 maart 2016 zijn hoger beroep heeft ingeschreven in het rechtsmiddelenregister. Bij ambtshalve navraag door het hof op 31 maart 2016 blijkt dat dit niet is gebeurd. [geïntimeerde] kan dus evenmin in zijn incidenteel hoger beroep worden ontvangen.

8. Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissingen. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het principaal beroep, [geïntimeerde] in die van het incidenteel beroep.

Beslissing

Het hof:

  • -

    verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde principaal hoger beroep van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 10 februari 2016;

  • -

    verklaart [geïntimeerde] niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde incidenteel hoger beroep van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 10 februari 2016;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in principaal hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 314,-- aan verschotten en € 1.788,-- aan salaris advocaat; en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening; verklaart dit arrest ten aanzien van deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in incidenteel hoger beroep, aan de zijde van [appellant] tot op heden begroot op nihil;

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, A.V. van den Berg, en M.Y. Bonneur, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 april 2016 in aanwezigheid van de griffier.